Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB7144

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/466
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/466 31 oktober 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij een op 7 juni 2006 bij het College binnengekomen brief beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 april 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 23 maart 2006, waarbij verweerder appellants aanvraag akkerbouwsteun in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) heeft afgewezen en appellant een uitsluiting heeft opgelegd.

Bij brief van 25 juli 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 28 juli 2006 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Het College heeft verweerder bij griffiersbrief van 4 september 2006 verzocht nadere informatie te verschaffen. Bij brief van 22 september 2006 heeft verweerder hierop gereageerd.

Bij griffiersbrief van 4 oktober 2006 heeft het College verweerder nogmaals om aanvullende informatie gevraagd. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt.

Op 5 april 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn echtgenote, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

Artikel 108

Subsidiabele grond

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op de datum vastgesteld voor aanvragen voor oppervlaktesteun in 2003 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover ten tijde en hier van belang als volgt:

“ Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

22 .”geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan; (…)

Artikel 51

Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte

1. Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in artikel 93, respectievelijk artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend.

2. Indien ten aanzien van de totale geconstateerde oppervlakte waarop de verzamelaanvraag betrekking heeft, met uitzondering van de oppervlakten voor de steunregelingen voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in artikel 93, respectievelijk artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, de aangegeven oppervlakte meer dan 30 % groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt voor het betrokken kalenderjaar de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening in het kader van de betrokken steunregelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft door toezending van het formulier Gecombineerde opgave 2005 onder meer te kennen gegeven dat hij in aanmerking wenst te komen voor akkerbouwsteun. In dat kader heeft hij steun aangevraagd voor 8.95 ha maïs, waaronder de percelen 8 van 1.06 ha, 9 van 0.94 ha, 10 van 1.23 ha en 11 van 1.04 ha.

- Bij brief van 15 december 2005 heeft verweerder appellant meegedeeld dat bij controle is gebleken dat de percelen 8, 9, 10 en 11 niet voldoen aan de voorwaarden voor steunverlening. Appellant heeft deze bevindingen niet aangevochten.

- Bij besluit van 23 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsubsidie afgewezen en appellant een uitsluiting opgelegd.

- Bij een door verweerder op 7 april 2006 ontvangen brief heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat daarom geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

De percelen 8, 9, 10 en 11 zijn als niet geconstateerd aangemerkt, omdat zij niet voldoen aan de definitie akkerland. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte 91,24 % bedraagt. Met toepassing van artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en appellant tevens een uitsluiting opgelegd tot een bedrag van € 1791,61.

Dat appellant per abuis veronderstelde dat de definitie akkerland, zoals die gold vóór 2005 nog van toepassing was, kan hem niet baten. Door ondertekening van het aanvraagformulier heeft hij immers verklaard op de hoogte te zijn van de voorwaarden van de Regeling. Het opgeven van percelen die niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoen dient voor rekening van de aanvrager van subsidie te komen.

Verweerder bestrijdt appellants stelling dat de voorlichting over de nieuwe definitie gebrekkig is geweest. In dit verband wordt gewezen op het speciaal ontwikkelde computerprogramma waarop aanvragers voor steun in 2005 konden zien of de door hen op te geven percelen steunwaardig waren.

De opgelegde sancties vloeien rechtstreeks voort uit de toepasselijke Europese regelgeving. In vaste jurisprudentie is dit sanctiesysteem als niet onevenredig aangemerkt.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft wel degelijk gereageerd op verweerders brief van 15 december 2005. Telefonisch is aan medewerkers van verweerder bericht dat appellant abusievelijk verondersteld had dat de definitie akkerland zoals die gold vóór 2005 nog van toepassing was. Aan die definitie voldeden alle opgegeven percelen.

Appellant heeft de bewuste percelen dus te goeder trouw opgegeven. Tegen die achtergrond zijn de opgelegde sancties onevenredig zwaar.

De sanctie van uitsluiting is ten onrechte opgelegd, omdat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte een percentage van 47,7 % oplevert. Er is dus geen sprake van een voor de oplegging van uitsluiting vereist percentage van meer dan 50%.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft niet bestreden dat de percelen 8, 9, 10 en 11 niet voldoen aan de hier toepasselijke definitie akkerland. Niet in geschil is daarom dat deze percelen niet als subsidiabele grond in de zin van artikel 108 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen gelden.

5.2 Appellants betoog dat de percelen wel voldeden aan de definitie akkerland zoals die gold tot 2005 kan hem niet baten. Van een aanvrager van akkerbouwsubsidie mag immers verwacht worden dat hij zich terdege op de hoogte stelt van de voorwaarden voor subsidieverlening alvorens hij een perceel voor subsidie opgeeft. Het gegeven dat appellant, ondanks de bij de aanvraag door verweerder verstrekte toelichting, kennelijk niet op de hoogte was van de gewijzigde definitie akkerland komt voor zijn risico. Appellant heeft zich, door ondertekening van zijn aanvraag, bekend verklaard met de voorwaarden van de Regeling.

5.3 Dat appellant te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij de sancties te zwaar vindt, kan hem evenmin baten. De afwijzing van de aanvraag en de uitsluiting vloeien immers rechtstreeks voort uit artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Deze verordening voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. 1997, I 04559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

5.4 Het College heeft ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of verweerder de hoogte van het uitsluitingsbedrag juist heeft berekend door daarbij geen rekening te houden met de in 2005 geldende maïskorting van 17,32 % wegens overschrijding van het basisareaal maïs. Aangezien deze problematiek ook speelde in een andere zaak heeft het College met zijn uitspraak in de zaak van appellante gewacht op de principiële beslissing van de meervoudige kamer in die zaak.

Het College heeft bij uitspraak van 17 oktober 2007 (AWB 06/438; <www.rechtspraak.nl>, LJN BB6209) beslist dat verweerder bij de berekening van het uitsluitingsbedrag geen rekening kan houden met de opgelegde maïskorting. Verweerder heeft het appellant opgelegde uitsluitingsbedrag van € 1791,61, waarbij geen rekening is gehouden met de maïskorting, daarom niet onjuist berekend.

Dat appellant meent dat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, geen 91,24 %, maar slechts 47,7 % bedraagt, berust op een onjuiste lezing van artikel 51, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas