Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB6862

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/571
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Regeling subsidies diensten kenniswijk 2004

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/571 18 oktober 2007

27372 Kaderwet EZ-subsidies

Regeling subsidies diensten kenniswijk 2004

Uitspraak in de zaak van:

Mobipro Benelux B.V., te ‘s-Hertogenbosch, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers en ing. A. Geilman, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 14 juli 2006, bij het College binnengekomen op 18 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder zijn besluit tot afwijzing van appellantes subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidies diensten Kenniswijk 2004 gehandhaafd.

Bij brief van 26 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 3 juli 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Kaderwet EZ-subsidies bepaalt:

“Artikel 2

1. Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in:

a. het technologiebeleid;

(…)

Artikel 3

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

(…)”

De Regeling subsidies diensten Kenniswijk 2004 (hierna: Regeling) bepaalde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang:

“Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. klein dienstenproject: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het realiseren van een uitbreiding van een bestaande elektronische dienst of het realiseren van een nieuwe elektronische dienst die gericht is op gebruikers en opschaalbaar is, en waarvoor een subsidie van ten hoogste € 35 000 wordt aangevraagd;

(…)

Artikel 2

1. De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de ontwikkeling van een gevarieerd en volwaardig aanbod van interactieve elektronische diensten van de toekomst voor consumenten in Nederland subsidies aan:

a. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een klein dienstenproject of een groot dienstenproject uitvoert;

(…)

Artikel 10

1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een klein dienstenproject indien:

(…)

d. het project een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter heeft;

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 30 december 2005 op een daartoe bestemd formulier een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van het project “Intelligent Online Afspraken Systeem” (IOAS).

- Het project ziet blijkens de in de aanvraag gegeven samenvatting op de ontwikkeling van een oplossing waarmee ziekenhuispatiënten gemakkelijker afspraken kunnen inplannen met de specialist voor medische zorg. In de oplossing zal tevens een Portal worden geïntegreerd waar zowel patiënt als specialist de huidige status en historie van de patiënt kan bekijken en waar belangrijke informatie kan worden opgeslagen en worden bekeken. Nadat afspraken zijn gemaakt worden de patiënten per e-mail en SMS op de hoogte gehouden van vervolgafspraken, in te nemen medicijnen, of andere nuttige informatie voor de patiënt.

- Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. In dit besluit is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

“(…) Uw aanvraag is voorgelegd aan de toetsingscommissie van SenterNovem.

De toetsingscommissie heeft mij omtrent uw aanvraag negatief geadviseerd: “Het projectvoorstel past niet als kleine dienstenproject binnen het Kenniswijkproject omdat een afsprakensysteem met reminderfunctie reeds een bestaande dienst is die te gebruiken is via www.flevolandziekenhuis.nl. Er worden geen nieuwe functionaliteiten voor de consument ontwikkeld. Dit maakt de dienst onvoldoende innovatief.”

Op basis van bovengenoemd advies van de toetsingscommissie heb ik besloten uw aanvraag af te wijzen.”

- Bij ongedateerde brief, ingekomen bij verweerder op 6 maart 2006, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 8 mei 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de doelstelling van de Regeling is de ontwikkeling van een gevarieerd en volwaardig aanbod van interactieve elektronische diensten van de toekomst voor consumenten in Nederland. Dat houdt volgens verweerder onder meer in dat een nieuwe dienst voldoende innovatief moet zijn. Het ontwikkelen van een dienst die al in min of meer vergelijkbare vorm aanwezig is in de markt beschouwt verweerder als onvoldoende innovatief. Bij aanvulling van een bestaande dienst dient volgens verweerder sprake te zijn van een zodanig nieuw onderdeel dat voor de consument geheel nieuwe mogelijkheden worden geopend.

Verweerder stelt dat de kern van de door appellante beoogde dienst is het maken van afspraken in een ziekenhuis. Volgens verweerder bestaan er reeds systemen die zien op het online maken van afspraken met ziekenhuizen, waarbij verweerder verwijst naar een systeem van het Flevolandziekenhuis. Verweerder erkent dat de door appellante beoogde dienst meer mogelijkheden heeft dan dit systeem maar stelt dat de door appellante geschetste verbeteringen ten opzichte van bestaande afsprakensystemen niet van dien aard zijn dat er wezenlijk nieuwe mogelijkheden voor consumenten worden geopend. Een

SMS-remindersysteem is volgens verweerder op zich niet nieuw en de koppeling van een dergelijk systeem aan het afsprakensysteem acht verweerder onvoldoende innovatief.

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens appellante is IOAS een nieuwe elektronische dienst dan wel een aanvulling of uitbreiding van een bestaande dienst als die bij het Flevolandziekenhuis. Appellante stelt dat de insteek van het ingediende project op velerlei fronten een andere aanpak kent dan die van het Flevolandziekenhuis en om die reden dus ook gezien kan worden als een aanvulling of uitbreiding op een bestaande dienst ofwel een nieuwe elektronische dienst.

Appellante voert voorts aan dat in de beslissing op bezwaar ten onrechte niets wordt vermeld over de verschillen in de aanpak ten opzichte van de dienst van het Flevolandziekenhuis. In het bestreden besluit is volgens appellante niet dan wel onvoldoende ingegaan op de door haar aangevoerde argumenten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beantwoording van het College staat de vraag of verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van de Regeling op goede gronden heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Regeling en hetgeen daaromtrent in de toelichting bij de Regeling is vermeld, is met het verlenen van subsidie beoogd de ontwikkeling te stimuleren van een gevarieerd en volwaardig aanbod van interactieve elektronische diensten van de toekomst voor consumenten in Nederland. Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder d, van de Regeling worden aanvragen voor een klein dienstenproject - waar het hier om gaat - die een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter hebben, afgewezen.

5.3 De aanvraag van appellante is gericht op verbetering van het proces van het maken van afspraken in een ziekenhuis. Appellante erkent dat daartoe reeds een aantal systemen zijn ontwikkeld maar volgens appellante kent haar systeem een andere aanpak en is het veel uitgebreider, waarbij zij wijst op het SMS-remindersysteem.

Ter zitting heeft appellante desgevraagd bevestigd dat de beoogde koppeling met het elektronisch patiëntendossier geen onderdeel uitmaakt van het project waarvoor subsidie is aangevraagd.

5.4 Het College is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit project, ook al kunnen daarmee samenhangende afspraken worden gemaakt, voor consumenten geen wezenlijk nieuwe mogelijkheden biedt ten opzichte van bestaande systemen zoals in het Flevolandziekenhuis, en dit derhalve onvoldoende innovatief is. Dat wellicht op onderdelen sprake is van een andere aanpak dan in bestaande systemen doet niet af aan de constatering van verweerder dat de kern van de dienst is het maken van afspraken met een ziekenhuis, waarvoor reeds meerdere systemen zijn ontwikkeld. Verweerder heeft ook terecht geoordeeld dat de koppeling van het afsprakensysteem met een SMS-remindersysteem niet als een innovatieve uitbreiding of aanvulling op de bestaande systemen kan worden opgevat omdat - zo is door verweerder onbestreden gesteld - die technologie op zich niet nieuw is.

5.5 Voor zover het beroep van appellante er mede toe strekt te betogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, onderschrijft het College dit betoog niet. Gelet op de doelstelling van de Regeling - het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe elektronische dienstverleningsconcepten - heeft verweerder naar het oordeel van het College in het bestreden besluit in voldoende mate onderbouwd waarom hij van mening is dat in dit geval geen subsidie dient te worden verleend.

5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

5.7 Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.A. Voskamp