Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB6835

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet tarieven gezondheidszorg

Overige instellingen

Wetsverwijzingen
Wet tarieven gezondheidszorg
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2007, 181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/16 18 oktober 2007

13730 Wet tarieven gezondheidszorg

Overige instellingen

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Laboratorium voor de Volksgezondheid in Friesland, te Leeuwarden, appellante,

gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden,

tegen

Nederlandse Zorgautoriteit (voorheen College Tarieven Gezondheidszorg), verweerster,

gemachtigde: mr. C. Velink, advocaat te ’s-Gravenhage.

1. De procedure

Bij een op 9 januari 2006 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van 2 december 2005.

Bij dit besluit heeft het College Tarieven Gezondheidszorg, dat met ingang van 1 oktober 2006 (de datum van inwerkingtreding van de Wet marktordening gezondheidszorg) met het College van toezicht op de zorgverzekeringen is opgegaan in verweerster en in deze uitspraak verder wordt aangeduid als verweerster, het bezwaar van appellante tegen de tariefbeschikking van 25 juni 2004, nr. 411-0200-2004-1, genomen op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg), ongegrond verklaard.

Bij brief van 13 februari 2006 heeft appellante het beroep voorzien van gronden.

Bij brief van 12 april 2006 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 20 augustus 2007 heeft appellante een stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007, waar de gemachtigden van appellante en verweerster zijn verschenen. Aan de kant van appellante is tevens verschenen A, directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

- Ingevolge het ten tijde hier van belang geldende artikel 1, aanhef en onder A 31 van het Besluit werkingssfeer WTG 1992 worden als organen voor gezondheidszorg aangewezen instellingen, niet behorende tot de onder 1 tot en met 30 bedoelde categorieën van instellingen, voorzover de werkzaamheden daarvan er op zijn gericht ten behoeve van laatstbedoelde instellingen een deel van de door hen te leveren prestaties te verrichten (hierna ook wel: productiesamenwerkingsverbanden).

- Appellante is een orgaan van gezondheidszorg in evenbedoelde zin en is opgericht om ten behoeve van de ziekenhuizen in de regio Friesland laboratoriumdiagnostiek te verrichten waaronder eerstelijns laboratoriumonderzoek.

- Per 1 januari 1996 is de tariefsystematiek voor de kostenvergoeding van eerstelijns laboratoriumonderzoek gewijzigd. Bij circulaires van 17 juli 1995 en 15 september 1995 zijn onder meer de betrokken instellingen hierover geïnformeerd.

- In de met ingang van 1 januari 1996 in werking getreden richtlijn voor eerstelijns laboratoriumonderzoeken voor ziekenhuizen (I-263) (hierna: beleidsregel) is – voorzover hier van belang – het volgende bepaald:

“(…)

2 ORDERKOSTEN

2.1 Definities

(…)

Afname: de afname/aanname van patiënten-materiaal (bloed, urine etc.) van een patiënt op één moment. Onder afname wordt ook steeds aanname (urine, faeces, etc.) verstaan. Alleen meerdere afnames per patiënt kunnen meetellen indien om medische redenen op verschillende tijdstippen afnames plaatsvinden (bijvoorbeeld bloedsuikerdagcurves).

(…)

Decentrale afname: afname ten behoeve van eerstelijnspatiënten, die verspreid over diverse locaties (prikpunten), verwijderd van de hoofdlocaties respectievelijk het laboratorium, plaatsvindt. Hieronder vallen niet de huisbezoeken.

Huisbezoeken: afname die plaatsvindt bij de patiënt thuis.

Centrale afname: overige afnames.

Deconcentratiegraad: het aantal decentrale afnames ten behoeve van eerstelijnspatiënten (exclusief huisbezoeken), gedeeld door het totaal aantal afnames ten behoeve van eerste lijnspatiënten (exclusief huisbezoeken).

(…).”

- Sinds de invoering van de beleidsregel heeft verweerster in de nacalculatieformulieren van de productiesamenwerkingsverbanden opgenomen dat alleen de mate van afnames via ‘prikpunten” van belang is. In de nacalculatieformulieren zijn “prikpunten” omschreven als “niet-WZV-erkende en zelf georganiseerde afnamecentra”.

- Op 9 maart 2004 heeft appellante samen met de verzekeraars het nacalculatieformulier 2002 aan verweerster toegezonden.

- Bij brief van 29 juni 2004 heeft verweerster appellante toegezonden de tariefbeschikking van 25 juni 2004 (met kenmerk 411-0200-2004-1) waarin de nacalculatie 2002 is verwerkt. In deze brief heeft verweerster appellante meegedeeld dat ten onrechte een toeslag voor deconcentratiegraad van de afnames is opgevoerd, omdat deze toeslag uitsluitend is bedoeld voor de compensatie van extra kosten die huisartsenlaboratoria of als huisartsenlab georganiseerde instellingen maken door niet WZV-erkende prikpunten te openen. Voorts heeft verweerster gesteld dat indien gebruik gemaakt wordt van de locaties van aangesloten instellingen deze regel niet geldt, omdat dat naar inhoud en omschrijving van de beleidsregel niet kan worden beschouwd als deconcentratie van functies.

- Bij brief van 14 juli 2004 heeft verweerster tegen de tariefbeschikking bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 2 februari 2005 heeft appellante ten behoeve van de hoorzitting achtergrondinformatie gegeven.

- Op 17 februari 2005 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift gehoord door een ambtelijke commissie.

- Bij brief van 24 maart 2005 heeft appellante verweerster aanvullende informatie toegezonden.

- Bij brief van 10 juni 2005 heeft verweerster appellante verzocht een beschrijving te geven van het logistieke proces.

- Bij brief van 28 juli 2005 heeft appellante een beschrijving van het logistieke proces gegeven.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen.

“ (…).

Ten aanzien van de door het LVF aangevoerde (aanvullende) bezwaren oordeelt CTG/ZAio als volgt.

a) Voor het toetsingskader inzake de deconcentratiegraad en de term 'prikpunt' en haar opvattingen daaromtrent, merkt CTG/ZAio het volgende op.

(…)

Het LVF heeft op basis van de letterlijke tekst van de Beleidsregel eerstelijnslaboratoriumonderzoeken voor ziekenhuizen aanspraak gemaakt op een hoger ordertarief terwijl de afnames van het 'overige materiaal' plaatsvinden bij de huisarts of bij patiënten thuis. De instelling vergeet echter in haar in het bezwaarschrift opgenomen beschrijving van een decentrale afname de term "prikpunten" over te nemen. Naar het oordeel van CTG/ZAio is, mede gezien vaste jurisprudentie daaromtrent, niet alleen de letterlijke tekst van de beleidsregel bepalend voor de toepassing daarvan maar dient voor de toepassing ook naar de ratio van de beleidsregel te worden gekeken.

Uit de tekst van de beleidsregel in samenhang met andere uitingen van CTG/ZAio blijkt dat onder prikpunten niet de afnamepunten bij patiënten thuis of bij de huisarts vallen. In dat kader wordt gewezen op het nacalculatieformulier zoals dat wordt gebruikt voor productie-samenwerkingsverbanden.

Reeds bij het nacalculatieformulier van 1996 is het begrip 'prikpunt' met het oog op de bovenstaande mogelijke situatie nader gedefinieerd. De nadere definiering omschrijft het begrip ‘prikpunt' als: "niet-WZV-erkend en zelf georganiseerd prikpunt". Vanaf 1996 was het derhalve kenbaar beleid van CTG/ZAio dat alleen niet-WZV-erkende en zelf georganiseerde locaties als prikpunten in de zin van de beleidsregel kunnen worden aangemerkt. Noch een huisarts noch een individuele patiënt die thuis een monster neemt kan als zelf georganiseerd worden aangemerkt. Het door het LVF geleverde inzicht in de verschillende goederenstromen verandert de opvatting van CTG/ZAio daaromtrent niet.

Het LVF heeft bovendien tot de nacalculatie 2002 ook gehandeld conform dit CTG/ZAio-beleid. Nu er sprake is van kenbaar beleid, valt niet in te zien waarom CTG/ZAio de beleidsregel niet op de bedoelde en ook kenbare wijze zou mogen toepassen. Dit geldt temeer aangezien de uitleg van de beleidsregel die het LVF voorstaat tot onevenredige gevolgen zou leiden.

Door het LVF wordt wel aandacht gevraagd voor de nadelen van extra transport- en verzendkosten als gevolg van de centralisatie, maar worden ten onrechte de efficiencyvoordelen van centralisatie die logischerwijze optreden niet meegewogen.

Nu de afwijzing door CTG/ZAio van de hogere deconcentratiegraad (en daarmee de vaststelling van een lager ordertarief) conform doel en strekking van de beleidsregel was, resteert nog de vraag of CTG/ZAio in casu de beleidsregel in redelijkheid had mogen toepassen. Op grond van artikel 4:84 Awb dient een bestuursorgaan immers in geval van bijzondere omstandigheden te toetsen of toepassing van de beleidsregel tot onevenredige gevolgen leidt. In dat laatste geval dient het bestuursorgaan te handelen in afwijking van de beleidsregel. Op de specifieke omstandigheden zal onder punt c en d nader worden ingegaan.

b) Ten aanzien van het tweede bezwaar van de instelling merkt CTG/ZAio allereerst op dat de instelling refereert aan een beleidsregel die niet voor instellingen zoals het LVF (zijnde een samenwerkingsverband) van toepassing is, maar geldt voor huisartsenlaboratoria (Beleidsregel huisartsenlaboratoria met nummer 1-262). Uit de Beleidsregel eerstelijnslaboratoriumonderzoeken voor ziekenhuizen vloeit voort dat een instelling uit haar ordertarief alle loonkosten en materiële kosten ten behoeve van afname van onderzoeksmateriaal, inclusief de kosten van vervoer, alsmede overige kosten ten behoeve van de orderverwerking dient te financieren. Met het door CTG/ZAio vastgestelde ordertarief van € 4,89 moet de instelling alle aan de order verbonden kosten financieren.

c) CTG/ZAio oordeelt dat de aanwezigheid van extra (porto)kosten, die het gebruik van speciale materialen met zich mee brengt, niet als een bijzondere omstandigheid geldt. De beleidsregel stelt duidelijk dat een instelling met de toegekende orderkosten alle loonkosten en materiele kosten ten behoeve van afname van onderzoeksmateriaal, inclusief de kosten van vervoer, alsmede overige kosten ten behoeve van de orderverwerking, dient te financieren. De door de instelling opgevoerde kosten vallen alle onder loonkosten, materiaalkosten, inclusief de kosten van vervoer of overige kosten voor orderverwerking. CTG/ZAio oordeelt dat alle laboratoria met dezelfde strenge regelgeving met betrekking tot verzending van monsters te maken hebben en de door het LVF aangevoerde omstandigheden derhalve niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt.

d) Nadat CTG/ZAio reeds heeft geconcludeerd dat de onder punt c genoemde omstandigheden die de instelling aanvoert niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt, zijn CTG/ZAio ook geen overige bijzondere omstandigheden bekend.

Voor de mogelijk onevenredige gevolgen door onverkorte toepassing van de beleidsregel is het van belang om de financiële positie van de instelling te bekijken. De instelling kent een budget dat uit drie componenten is opgebouwd. De instelling heeft de mogelijkheid om te substitueren binnen de drie componenten waardoor mogelijke tekorten in een van de drie componenten kunnen worden opgevangen en het totale budget toereikend is.

(…)

Uit het bovenstaande valt af te leiden dat het exploitatieresultaat in 2002 negatief is, met dien verstande dat de instelling in de jaarrekening uitgaat van de correctie van € 169.000,- , zoals CTG/ZAio die voorstaat, op het aangevraagde budget. Het negatieve saldo van € 727.000,- zou bij verhoging van het ordertarief worden verlaagd tot een minder negatief saldo. Met andere woorden, het zijn met name andere factoren die de slechte financiële positie van de instelling hebben veroorzaakt. Een eenmalig negatief resultaat betekent echter niet per definitie dat er sprake is van onevenredige gevolgen. Er dient immers ook te worden gekeken naar de totale vermogenspositie.

De vermogenspositie van de instelling, de RAK inclusief voorzieningen, is ultimo 2002 -/- € 613.000,-. Deze negatieve vermogenspositie is blijkens de resultaten in de jaren 2003 en 2004, die weer positief zijn, niet veroorzaakt door het lage ordertarief.

Uit de jaarverslagen 2003 en 2004 blijkt dat de instelling inmiddels door bezuinigingsmaatregelen financieel weer gezond is geworden. (…) CTG/ZAio ziet dan ook geen aanleiding om de werking van de regelgeving als onevenredig aan te merken.

De bezwaren van de instelling treffen geen doel en CTG/ZAio acht zich derhalve niet gehouden tot het aanpassen van de deconcentratiegraad voor 2002. (…)

Gelet op het voorgaande heeft CTG/ZAio besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren.

(…).”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Over hetgeen in het bestreden besluit onder a uiteen is gezet, merkt appellant op dat de discussie tussen partijen de vraag betreft of de afname van "overige materialen" valt onder de definitie decentrale afname met het bijbehorende hogere ordertarief. Het gaat wat betreft het jaar 2002 om het ordertarief van 18.410 afnames van zogenaamde overige materialen door de patiënten thuis. De monsters worden in de door appellante verstrekte, speciale verzendhoezen of enveloppen naar het hoofdlaboratorium gestuurd. De enveloppen zijn kostbaar en het vervoer is dat ook. Alle vergelijkbare laboratoria in Nederland werken hiermee. Op grond van internationale regelgeving is het ook niet toegestaan om monsters op een andere manier dan via de gebruikte hoezen te laten verzenden en vervoeren.

Appellante heeft op basis van de tekst van de beleidsregel aanspraak gemaakt op een hoger ordertarief terzake dan verweerster wil toekennen. Indien de letterlijke tekst van een beleidsregel duidelijk is, dan is dat het kenbare beleid waarop appellante een beroep kan doen. Hieromtrent verwijst appellante naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2004 (www.rechtspraak.nl, LJN: AP0360). In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de inhoud van een informatiebulletin niet tot een andere uitleg van de beleidsregel kon leiden, zodat dit ook voor een nacalculatieformulier moet gelden.

In de beleidsregel komt het "zelfgeorganiseerde" niet voor; het wordt slechts genoemd in het nacalculatieformulier voor productiesamenwerkingsverbanden. De nacalculatieformulieren voor zowel huisartsenlaboratoria als voor ziekenhuizen bevatten deze toevoeging niet. Dit onderscheid neigt naar willekeur. Het kan niet zo zijn dat een instelling die naar de aard en de feitelijke activiteiten gelijk wordt gesteld met enerzijds een huisartsenlaboratorium en anderzijds een ziekenhuis, met een van deze soorten instellingen afwijkende interpretatie te maken krijgt die zomaar even in een nacalculatieformulier wordt toegevoegd. Verweerster onderkent de materie blijkbaar, aangezien zij in 1996 het begrip prikpunt heeft gespecificeerd, maar bij de nacalculatieformulieren in de beleidsregel staat geen definitie, terwijl die beleidsregel ook in 1996 in werking is getreden.

Subsidiair merkt appellante op dat verweerster zich in eerdere discussies heeft geconcentreerd op het niet-WZV-erkende aspect, terwijl nu het zelfgeorganiseerd zijn aan de orde komt. Dit lijkt op gelegenheidsargumentatie. Appellante zorgt ervoor dat op de betreffende locatie materiaal kan worden afgenomen zonder dat andere instellingen voor gezondheidszorg daar enige (organisatorische) toevoegingen aan doen. Wanneer de redenering van verweerster inzake het prikpunt correct zou zijn, resteert appellante geen andere conclusie dan dat het hier gaat om huisbezoek.

Appellante is op basis van voortschrijdend inzicht tot de conclusie gekomen dat zij in de afgelopen jaren de beleidsregel niet correct heeft toegepast. Mede door ziekte aan de kant van appellante is de beleidsregel per abuis een aantal jaren niet correct toegepast, hetgeen ook de reden is dat appellante heeft gevraagd om de vergoeding van de orderkosten vóór 2002 ambtshalve aan te passen.

Het argument van verweerster dat door appellante wel aandacht wordt gevraagd voor de nadelen van extra transport- en verzendkosten als gevolg van de centralisatie, maar dat ten onrechte de efficiencyvoordelen van centralisatie die optreden niet worden meegenomen, is buiten de orde. Appellante kan zich niet voorstellen dat verweerster propageert dat appellante bij iedere patiënt thuis de afnames zou moeten verrichten. Verweerster doelt waarschijnlijk op het feit dat appellante een gecentraliseerde organisatiestructuur kent, waarbij de afnames voor het merendeel op de centrale locatie in Leeuwarden worden verricht, maar vergeet dat appellante ook afnames verricht op haar dependances. Bovendien maakt het voor de kosten van verzending niet uit of wordt verzonden naar een dependance of naar de hoofdvestiging. De extra transport- en verzendkosten als gevolg van centralisatie worden niet geclaimd.

Appellante is van mening dat de vergoeding van de activiteiten onafhankelijk moet zijn van de manier van organiseren van de instelling, maar het lijkt er op dat verweerster appellante kwalijk neemt dat zij haar werkzaamheden zo efficiënt mogelijk probeert te organiseren en dientengevolge op basis van foute argumenten probeert een korting door te drukken.

Naar aanleiding van hetgeen in het bestreden besluit onder b is overwogen heeft appellante het volgende aangevoerd. Zij heeft gerefereerd aan de beleidsregel voor huisartsenlaboratoria, aangezien zij de passage in de brief van 29 juni 2004, inhoudende dat gebruik maken van locaties van de aangesloten instelling naar inhoud en omschrijving van de beleidsregel niet kan worden beschouwd als deconcentratie van functies, ziet als een extra verduidelijking van de intentie van de beleidsregel waarmee nogmaals expliciet de link wordt gelegd tussen de huisvestingskosten en de vergoeding voor huisvestingskosten, waarvan verweerster aannam dat appellante die claimde. Volgens de beleidsregels voor huisartsenlaboratoria worden huisvestingskosten voor prikpunten van huisartsenlaboratoria naast orderkosten vergoed. Appellante heeft juist bedoeld aan te geven geen huisvestingskosten te claimen, doch alleen het beleidsregelbedrag voor de afnamekosten. Bovendien kijkt verweerster zelf juist naar de beleidsregel voor huisartsenlaboratoria en streeft naar een gelijkwaardige behandeling van een instituut als appellante en een huisartsenlaboratorium.

Daarnaast heeft verweerster tijdens de hoorzitting gesteld dat wat betreft de kosten een verschil is tussen aanname en afname van materiaal en de vergoeding van € 4,89 vooral betrekking heeft op afname van bijvoorbeeld bloed door personeel, alsook dat het personeel dat afneemt een belangrijke kostenpost is. Bij appellante komen hiervoor portokosten in de plaats, terwijl de beleidsregel duidelijk bepaalt dat onder afname ook steeds aanname wordt verstaan. Dit argument is dus evident onjuist.

Met betrekking tot hetgeen verweerster onder c van het bestreden besluit heeft gesteld bestrijdt appellante de lezing van verweerster dat sprake is van centraal afgenomen materiaal (of niet-decentraal afgenomen materiaal) en vraagt zij een juiste toepassing van de beleidsregels.

Ten aanzien van hetgeen verweerster onder d van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht betoogt appellante dat het tot de taakstelling van appellante behoort om voor het tarief dat de beleidsregel aangeeft de dienst te verrichten die hieraan is verbonden. In geen geval kan aan de orde zijn dat een goed exploitatieresultaat van een instelling reden is appellante lagere bedragen te vergoeden dan de beleidsregels aangeven.

Daarnaast is de redenering van verweerster financieel gezien onzinnig, omdat enerzijds wordt gesteld dat het negatieve saldo niet zal worden opgeheven door een hoger tarief en anderzijds dat een positief saldo geen reden is om de werking van de regelgeving als onevenredig aan te merken. Op deze manier kunnen alle exploitatieresultaten worden geïnterpreteerd als niet betrekkinghebbend op enige regelgeving.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Centraal in dit geschil staat of verweerster bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd haar standpunt dat bij de nacalculatie van het budget van appellante over het jaar 2002 geen toeslag voor deconcentratie is gehanteerd en is uitgegaan van het lagere ordertarief van € 4,89 omdat geen sprake was van decentrale afnames. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Blijkens de beleidsregel verstaat verweerster onder decentrale afname: afname ten behoeve van eerstelijnspatiënten, die verspreid over diverse locaties (prikpunten), verwijderd van de hoofdlocaties respectievelijk het laboratorium, plaatsvindt. Hieronder vallen volgens de beleidsregel niet de huisbezoeken. Sinds de invoering van de beleidsregel legt verweerster de term prikpunten uit als niet-WZV-erkende en zelf georganiseerde afnamecentra.

Het College is van oordeel dat verweerster bevoegd is de term prikpunt (nader) uit te leggen, aangezien deze in de beleidsregel niet is gedefinieerd en ook anderszins uit de beleidsregel niet duidelijk wordt wat met die term wordt bedoeld. De betekenis die verweerster aan de term prikpunt hecht, namelijk een door de betrokken instelling zelf georganiseerd afnamecentrum acht het College niet onjuist. Daartoe overweegt het College als volgt.

De door verweerster gehanteerde interpretatie van de term prikpunt is niet onverenigbaar met de tekst van de beleidsregel. Aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien, aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een afwijkende uitleg van de beleidsregel, maar van een invulling daarvan. De interpretatie van prikpunt waarbij het gaat om een door een betreffende instelling georganiseerd afnamecentrum is juist gelet op het oogmerk van de beleidsregel. Zoals het College in zijn uitspraak van 21 november 2006, AWB 05/27 (www.rechtspraak.nl, LJN: AZ4175) heeft overwogen, ligt immers aan de definitie van decentrale afname in verbinding met die van het begrip deconcentratiegraad in de beleidsregel de gedachte ten grondslag dat slechts aanleiding bestaat voor een hoger afnametarief indien – en naar de mate waarin – sprake is van omstandigheden die maken dat met die af/-aanname voor de betrokken instelling hogere kosten zijn gemoeid dan in geval van af/aanname in de instelling, die redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerster heeft uiteengezet dat deze hogere kosten vooral bestaan uit extra kosten voor het afname personeel. De toeslag voor de decentrale afname is dan ook berekend aan de hand van het tijdsbeslag van het vervoer naar en van het prikpunt en de daarmee gemoeide transport- en loonkosten. Deze kosten (in het bijzonder de kosten van afname) worden niet gemaakt indien de afname door en bij de patiënt thuis plaatsvindt en het afgenomen lichaamsmateriaal vervolgens per post aan de betrokken instelling wordt aangeboden, zodat in dat geval ook geen aanleiding bestaat een (hoger) afnametarief te vergoeden.

Appellante heeft gewezen op de efficiency voordelen van de wijze waarop zij haar logistieke proces heeft ingericht door onder meer gebruik te maken van verzending van lichaamsmateriaal per post. Ter zitting van het College heeft appellante verklaard dat de portokosten voor de daarvoor gebruikte speciale verzendhoezen tussen de € 1,-- ten € 7,-- belopen en derhalve in sommige gevallen uitstijgen boven het bedrag van het ordertarief van € 4,89,-- dat hoort bij de door verweerster vastgestelde en appellante bestreden deconcentratiegraad. Naar het oordeel van het College vormen deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat verweerster de term prikpunt onjuist heeft uitgelegd. Voorzover appellante meent dat het ordertarief te laag is omdat zij met de door haar toegekende vergoeding niet toekomt, ligt het veeleer voor de hand via de daartoe geëigende weg verweerster te verzoeken het ordertarief te verhogen, in plaats van de deconcentratiegraad te verhogen via de band van een extensieve en niet met de tekst en bedoeling van de beleidsregel overeenstemmende uitleg van de term prikpunt.

5.3 Naar het oordeel van het College was en is de uitleg van verweerster van de term prikpunt bovendien voor appellante voldoende kenbaar. Sinds de invoering van de beleidsregel heeft verweerster immers in de nacalculatieformulieren van de productiesamenwerkingsverbanden opgenomen dat alleen de mate van afnames via “prikpunten (niet-WZV-erkende en zelf georganiseerde afnamecentra)” van belang is. Dat appellante op basis van voortschrijdend inzicht tot de conclusie zou zijn gekomen dat zij de beleidsregel in de voorgaande jaren niet correct heeft begrepen, laat onverlet dat de wijze waarop verweerster de term prikpunt al die jaren blijkens het nacalculatieformulier heeft uitgelegd voldoende kenbaar is geweest.

Het beroep van appellante op artikel 4:82 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin is bepaald dat ter motivering van een besluit slechts kan worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voorzover deze is neergelegd in een beleidsregel, kan appellante niet baten. Verweerster heeft in het bestreden besluit voor de (nadere) uitleg van de term prikpunt niet volstaan met een verwijzing naar de beleidsregel, maar uitvoerig uiteengezet dat en op welke wijze zij deze term (nader) uitlegt.

De stelling van appellante dat in de nacalculatieformulieren van de huisartsenlaboratoria en de ziekenhuizen de uitwerking van de term prikpunt niet is opgenomen, kan haar evenmin baten. Verweerster heeft uiteengezet dat de (nadere) uitleg die zij aan de term prikpunten geeft onverkort geldt voor huisartsenlaboratoria en ziekenhuizen die eerstelijns laboratoriumonderzoek verrichten. Derhalve is van willekeur geen sprake.

5.4 Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster gebruik had behoren te maken van haar afwijkingsbevoegdheid is het College niet gebleken.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat verweerster het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen. Hetgeen appellante in haar beroepschrift en ter zitting van het College verder naar voren heeft gebracht doet aan dit oordeel niet af.

5.6 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond is.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp