Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB6764

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 05/410
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/410 11 oktober 2007

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ing. A.M. Dekker, werkzaam bij Countus accountants + adviseurs B.V.,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 16 juni 2005, bij het College binnengekomen op 20 juni 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 mei 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 7 december 2004, waarbij is beslist op de aanvraag akkerbouwsteun 2004 van appellante op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Appellante heeft bij brief van 28 juni 2005 de gronden van haar beroep aangevoerd

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Desgevraagd heeft appellante bij brief van 19 december 2005 een nader stuk overgelegd.

Verweerder heeft bij brief van 25 januari 2006 een aantal door het College gestelde vragen beantwoord.

Op 19 juli 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde voorzover hier van belang als volgt:

“ Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd. (…)”

De Regeling bepaalde, voorzover en ten tijde hier van belang, onder meer het volgende:

“ Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 21a

1. In afwijking van artikel 17 mag de producent die voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91, overeenkomstig artikel 23 bis van verordening 2316/1999, de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor de teelt van voederleguminosen.

2. Ten bewijze dat de producent voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91 gaat de aanvraag oppervlakten vergezeld van een bewijs van certificering door de Stichting SKAL te Zwolle.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 17 mei 2004 met het formulier “Gecombineerde opgave 2004 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten” akkerbouwsteun aangevraagd voor 10.98 ha granen, 1.00 ha braak met voederleguminosen (perceel 8) en 5.54 ha maïs. De totale bedrijfsoppervlakte bedroeg 54.10 ha. Bij onderdeel G (biologische landbouw) van het formulier heeft appellante ingevuld dat haar bedrijf is omgeschakeld naar een biologische productiewijze.

- Verweerder heeft appellante bij brief van 15 juni 2004 medegedeeld dat onvolkomenheden zijn geconstateerd in de opgave en aanvraag en haar verzocht deze te corrigeren.

- Appellante heeft bij brief van 22 juni 2004 haar opgave en aanvraag gewijzigd.

- De Stichting SKAL heeft bij ongedateerd schrijven verklaard dat het door appellante opgegeven perceel 13 niet bij SKAL is aangemeld, dat het SKAL certificaat betrekking heeft op 44.61 ha en dat het bedrijf van appellante niet volledig voldoet aan de biologische productiemethode vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 2092/91.

- Bij brief van 5 oktober 2004 heeft verweerder appellante er op gewezen dat de mogelijkheid om braakpercelen ingezaaid met voederleguminosen op te geven als braakperceel uitsluitend geldt voor SKAL-gecertificeerde bedrijven. Verweerder heeft appellante in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat haar bedrijf volledig SKAL-gecertificeerd is.

- In reactie op voornoemd schrijven van 5 oktober 2004 heeft appellante verweerder een afschrift doen toekomen van de Bijlage bij het Certificaat Biologische Productie Nederland dat betrekking heeft op 44.61 ha.

- Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder appellante subsidie toegekend voor een bedrag van € 5.548,52. Daarbij is onder meer overwogen dat appellante niet voldoet aan de braakverplichting, omdat niet alle percelen zijn gecertificeerd door of voor omschakeling zijn aangemeld bij SKAL. Omdat appellante niet voldoet aan de braakverplichting, heeft zij slechts recht op subsidie die nodig is om de oppervlakte van 92 ton granen te produceren. Aangezien de aanvraag meer omvat, zijn de oppervlakten maïs en graan proportioneel verlaagd.

- Appellante heeft bij brief van 7 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen.

“ In uw bezwaarschrift schrijft u dat uw gehele bedrijf onder controle staat van SKAL. U vindt dan ook dat u wel degelijk heeft voldaan aan de braakverplichting. Hierover merk ik op dat, volgens lid 2 van artikel 6 van de Regeling, de Aanvraag oppervlakten betrekking heeft op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 1 van de Regeling bepaalt dat de producent die op zijn gehele bedrijf een biologische bedrijfsvoering heeft of in omschakeling is, de uit productie genomen gronden mag gebruiken voor de teelt van voederleguminosen. Ten bewijze dat de producent voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 dient de Aanvraag vergezeld te gaan van een bewijs van certificering door de Stichting SKAL te Zwolle.

Het SKAL-certificaat dat u op verzoek van Dienst Regelingen heeft ingediend, heeft betrekking op een totale bedrijfsoppervlakte van 44,61 hectare in 2004. De daadwerkelijke totale bedrijfsoppervlakte bedraagt blijkens de landbouwtelling en uw overzicht gewaspercelen 54,10 hectare. Na onderzoek is gebleken dat perceel 13 (10,00 hectare suikerbieten) op uw Aanvraag niet is gecertificeerd. Uw bedrijf is derhalve niet volledig SKAL-gecertificeerd.

Ieder landbouwbedrijf dat een beroep wenst te doen op de onderhavige regelgeving, dient voor zijn volledige bedrijfsoppervlakte SKAL-gecertificeerd te zijn. Het vereiste van SKAL-certificering ten aanzien van de totale bedrijfsoppervlakte is een 'harde' voorwaarde, waarvoor alleen percelen zijn uitgezonderd die in omschakeling zijn. Volgens lid 2 van artikel 6 van de Regeling heeft de Aanvraag oppervlakten betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent. Dit betekent in uw geval, dat u ook perceel 13 had dienen aan te melden bij SKAL, om voederleguminosen te mogen telen op uw braakperceel. Aangezien perceel 13 niet bekend is bij SKAL, was u niet gerechtigd voederleguminosen te telen op uw braakperceel (perceel 8). Gelet op het voorgaande handhaaf ik de geconstateerde oppervlakte braak op 0,00 hectare.

Het bovenstaande geeft mij geen aanleiding om het besluit van de teammanager te herroepen.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift en ter zitting het volgende aangevoerd.

Appellante heeft wel voldaan aan de voorwaarde dat het bedrijf volledig SKAL-gecertificeerd is. Als akkerbouwbedrijf heeft zij een suikerquotum. Derhalve moet zij suikerbieten telen. Suikerbieten worden in verband met de opbrengstprijs gangbaar geteeld. Zij neemt deel aan de Regeling stimulering biologische productiemethode (hierna: RSBP), die door hetzelfde bestuursorgaan wordt uitgevoerd als de Regeling. In het kader van de RSBP wordt voldaan aan de eis van volledige SKAL-certificering, als de suikerbieten op losse gronden worden geteeld, zoals blijkt uit pagina 13 van de brochure RSBP. Dat was het geval. Appellante verkeerde in de veronderstelling dat deze uitleg ook voor andere regelingen gold. De productiestroom suikerbieten gaat volledig buiten appellante om, behoudens enige administratieve handelingen.

Om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren heeft appellante gekozen voor voederleguminosen. Anders dan bij groene braak mag men het betreffende perceel ook voor 1 september beweiden of het gewas afvoeren. Appellante heeft geen weidevee, zodat het perceel niet beweid wordt. Als appellante het van te voren had geweten, had zij op de aanvraag groene braak ingevuld.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat het door appellante in haar Aanvraag oppervlakten 2004 opgegeven perceel 13, niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EEG) nr. 2092/91 en niet door SKAL gecertificeerd is.

Derhalve kan het College slechts constateren dat ten tijde van belang niet de gehele productie van appellante biologisch dan wel in omschakeling was, zodat zij niet voldeed aan de in artikel 21a van de Regeling neergelegde voorwaarde om een perceel met voederleguminosen voor steun in aanmerking te brengen. Verweerder heeft daarom terecht het braakperceel met voederleguminosen als niet geconstateerd aangemerkt en daaraan de in het besluit van 7 december 2004 opgenomen gevolgen verbonden.

5.2 Dat appellante in het kader van de RSPB onder dezelfde omstandigheden wel aanspraak kon maken op steun, doet aan het voorgaande niet af. De door appellante overgelegde brochure heeft evident slechts betrekking op de RSPB, zodat reeds hierom aan deze brochure voor de toepassing van de Regeling geen verwachtingen kunnen worden ontleend. Appellante had bij de kennisneming van de toepasselijke regelgeving moeten begrijpen dat de 1.00 ha braak met voederleguminosen niet steunwaardig was, omdat de 10.00 ha suikerbieten, die zij in haar “Overzicht gewaspercelen 2004” had opgenomen, niet biologisch maar gangbaar werd geteeld. Dat, zoals appellante heeft gesteld, suikerbieten in de praktijk in verband met de opbrengstprijs gangbaar worden geteeld, kan er niet toe leiden dat de 1.00 ha braak met voederleguminosen in strijd met artikel 21a van de Regeling steunwaardig moet worden geacht.

De omstandigheid dat appellante als zij alles van tevoren had geweten, in de Aanvraag groene braak zou hebben ingevuld, doet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet af. Verweerder heeft immers terecht en op goede gronden beslist op basis van de aanvraag zoals deze voorligt. Wijziging van de aanvraag nadat de aanvraag is gecontroleerd, is niet mogelijk.

5.3 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. M.J. Kuiper in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer