Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB6760

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/214, 06/216, 07/221 en 07/222
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2006:AW2324, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2006:AY6049, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet

Wetsverwijzingen
Frequentiebesluit 2
Frequentiebesluit 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 360 met annotatie van G.J.M. Cartigny
JB 2007/236 met annotatie van mr. drs. J.J.J. Sillen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/214, 06/216, 07/220, 07/221 en 07/222 19 oktober 2007

15301 Telecommunicatiewet

Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet

Uitspraak in de zaken van:

1. Radlon Media Limited, te Frinton-on-Sea, Verenigd Koninkrijk, (hierna: Radlon)

2. Quality Radio B.V., te Utrecht, (hierna: Quality), gezamenlijk aan te duiden als appellanten,

tegen vijf uitspraken van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) in gedingen tussen

appellanten,

en

de Minister van Economische Zaken (hierna: de minister).

Gemachtigde van appellanten: mr. S.A. Steinhauser, advocaat te Amsterdam.

Gemachtigde van de minister: mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Bij besluit van 26 mei 2003 heeft de minister Radlon vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van commerciële radio-omroep middengolf voor de kavel C1 en voorts de vergoedingen voor uitvoering en toezicht voor het jaar 2003 vastgesteld. De op de vastgestelde vergoedingen betrekking hebbende factuur is Radlon bij brief van 3 juni 2003 toegestuurd. Radlon heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. De minister heeft bij besluit van 15 oktober 2003 de in rekening gebrachte vergoeding op een hoger bedrag vastgesteld, omdat de kosten waren berekend op basis van het gemiddelde zendvermogen van dag en nacht en niet op de grondslag van het vergunde vermogen. Bij besluit van 10 juni 2004 heeft de minister het bezwaar van Radlon ongegrond verklaard en het besluit van 26 mei 2003, zoals gewijzigd bij het besluit van 15 oktober 2003, gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 januari 2006 (reg.nr: TELEC 04/2199-WILD) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betreft de verhoging van de te betalen vergoedingen voor toezicht en voor het overige ongegrond verklaard. Het door Radlon tijdig tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is geregistreerd onder registratienummer AWB 06/214.

De minister heeft bij besluit van 26 mei 2003 Quality vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte voor commerciële radio-omroep middengolf voor de kavels C3, C4, C5, C8, C9 en C12 en voorts de vergoedingen voor uitvoering en toezicht voor het jaar 2003 vastgesteld. De op de vastgestelde vergoedingen betrekking hebbende factuur is Quality bij brief van 3 juni 2003 toegestuurd. Quality heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft de minister twee in rekening gebrachte vergoedingen voor toezicht op een hoger bedrag vastgesteld, omdat de kosten voor de kavels C4 en C5 waren berekend op basis van het gemiddelde zendvermogen van dag en nacht en niet op de grondslag van het vergunde vermogen. De minister heeft bij besluit van 10 juni 2004 het bezwaar van Radlon ongegrond verklaard en het besluit van 26 mei 2003, zoals gewijzigd bij het besluit van 28 oktober 2003, gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 januari 2006 (reg.nr: TELEC 04/2140-WILD) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betreft de verhoging van de te betalen vergoedingen voor toezicht op de kavels C4 en C5 en voor het overige ongegrond verklaard. Het door Quality tijdig tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is geregistreerd onder registratienummer AWB 06/216.

Bij factuur van 22 januari 2004 heeft de minister de door Radlon verschuldigde vergoedingen voor toezicht voor de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 vastgesteld. Radlon heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze factuur. Bij op 26 juli 2006 bekend gemaakt besluit heeft de minister, voor zover thans van belang, het bezwaar van Radlon ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 februari 2007 (reg.nr: TELEC 06/3665-WILD) het door Radlon tegen dat besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Het door Radlon tegen deze uitspraak ingediende hoger beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/222.

De minister heeft bij facturen van 22 januari 2004 de door Quality verschuldigde vergoedingen voor toezicht voor de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 vastgesteld. Quality heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze facturen.

Bij op 26 juli 2006 bekend gemaakt besluit heeft de minister, voor zover thans van belang, de bezwaren van Quality ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 februari 2007 (reg.nr: TELEC 06/3663-WILD) het door Quality tegen dat besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Het door Quality tegen deze uitspraak ingediende hoger beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/221.

Bij facturen van 28 januari 2005 heeft de minister de door Quality verschuldigde vergoedingen voor toezicht voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 vastgesteld. Quality heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze facturen. Bij op 13 december 2005 bekend gemaakt besluit heeft de minister de bezwaren van Quality ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 februari 2007 (reg.nr: TELEC 06/268-WILD) het door Quality tegen dat besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Het door Quality tegen deze uitspraak ingediende hoger beroep is geregistreerd onder nummer

AWB 07/220.

Verweerder heeft in alle procedures een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn ter zitting behandeld op 7 september 2007, alwaar appellanten, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen en de minister zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1.1 Appellanten hebben in AWB 06/214 en 06/216 allereerst aangevoerd dat de aan de verleende vergunningen verbonden termijn voor ingebruikneming van twaalf maanden te kort is. Zij wijzen er op dat de minister zelf een generiek uitstel van drie maanden heeft verleend en daarnaast op allerlei manieren actief heeft bijgedragen aan het niet haalbaar zijn van de termijn.

2.1.2 Het College stelt vast dat Radlon in haar beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 26 mei 2003 niet is opgekomen tegen dit onderdeel van de haar verleende vergunning en dat de rechtbank in haar uitspraak op dat beroep aan dit onderdeel dan ook geen overwegingen heeft gewijd. Radlon kan dit onderdeel van de vergunning niet alsnog in hoger beroep aanvechten.

2.1.3 Quality heeft wel in eerste aanleg grieven gewijd aan de aan de vergunning verbonden uitroltermijn. Bij haar uitspraak van 9 januari 2006 heeft de rechtbank deze grieven terecht verworpen. De door Quality aangevoerde argumenten doen niet af aan de aan de minister toekomende ruime beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de termijn waarbinnen de verleende frequentie daadwerkelijk in gebruik dient te worden genomen. Hierbij heeft de minister acht geslagen op de wenselijkheid van een doelmatig gebruik van de schaarse frequentieruimte en de relatief beperkte tijd waarbinnen radiozenders operationeel kunnen zijn. Dat een termijn van twaalf maanden gold, was Quality bovendien bekend toen zij haar aanvragen indiende. Het College heeft voorts in zijn oordeel betrokken dat de meeste andere verkrijgers van frequenties, waaronder ook AM-vergunninghouders, er wel in zijn geslaagd de toegekende frequentie tijdig in gebruik te nemen, terwijl de minister in voorkomende gevallen uit coulance tot verlenging van de termijn is overgegaan. Zo is ook aan Quality een verlenging van de termijn gegund, tot uiteindelijk 1 juli 2005.

Quality heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de minister haar bij het in gebruik nemen van frequenties zou tegenwerken. Zo kon Quality, gelet op de tijdens de procedure tot verlening van de vergunning door de minister verstrekte informatie, bij het indienen van haar aanvragen op de hoogte zijn van en rekening houden met het feit dat het zogenoemde convenant van Lopik aan ingebruikneming van de frequentie 1395 kHz vanaf opstelpunt Lopik in de weg zou kunnen staan. Het tijdig verwerven van opstelplaatsen en vergunningen en de technische implementatie is daarenboven een eigen verantwoordelijkheid van Quality. Ook overigens is van tegenwerking niet gebleken.

2.2.1 In AWB 06/214 en 06/216 hebben appellanten gesteld dat de rechtbank ten onrechte met de minister heeft geoordeeld dat ook sprake is van schaarste bij de kavels waarvoor appellanten de enige aanvrager waren en dat zij dus hun financiële bod gestand moeten doen. Kavels met slechts één aanvrager hadden niet via de vergelijkende toets mogen worden verdeeld, maar hadden moeten worden verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvraag. Gewezen wordt op artikel 2, tweede tot en met vierde lid, en artikel 7 van het Frequentiebesluit (Fb) en artikel 26, eerste lid, van de Regeling Aanvraag en vergelijkende toets vergunning commerciële radio-omroep 2003 (Regeling AVT). Schaarste aan AM-frequenties kan niet worden bepaald door schaarste aan andere frequenties. Waar artikel 26 dit onderscheid niet maakt, is deze bepaling onverbindend en in ieder geval niet in overeenstemming met (de toelichting bij) artikel 2 Fb of artikel 6 juncto 7 Fb. Voor zover de uitleg van de rechtbank van aan artikel 2 van het Fb juist is, is deze bepaling in strijd met de Telecommunicatiewet (Tw).

2.2.2 Ingevolge artikel 26, eerste lid, voornoemd worden, indien een aanvraag binnen de bestemming commerciële radio-omroep middengolf, betrekking heeft op ten minste één of meer kavels waarop de aanvraag van een ander eveneens betrekking heeft, alle kavels binnen deze bestemming in de procedure van de vergelijkende toets betrokken. Waar onweersproken vast staat dat voor kavels C1, C2, C4 en C12 binnen de bestemming commerciële radio-omroep middengolf meer dan één aanvraag is ingediend, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden met de minister aangenomen dat sprake was van schaarste binnen deze bestemming en dat de minister derhalve terecht de procedure van de vergelijkende toets heeft gevolgd. Uit (artikel 12 van) de Regeling AVT, die haar grondslag – onder meer – vindt in artikel 16 Fb, volgt dat aanvragers een financieel bod dienen uit te brengen en dat zij aan dat bod zijn gebonden, zelfs voor de frequenties waarop zij als enige een bod hebben gedaan.

Artikel 26, eerste lid, Regeling AVT, is niet in strijd met een van de door appellanten genoemde bepalingen.

Artikel 2, tweede lid, Fb draagt de minister op vooraf te bepalen welke procedure bij de verdeling van de frequenties wordt toegepast. Artikel 26 bepaalt in dit verband niet meer dan dat, indien sprake is van een situatie als bedoeld in deze bepaling, moet worden gekozen voor de procedure van de vergelijkende toets. Artikel 6 en 7 Fb, in samenhang bezien, schrijven voor dat indien slechts sprake is van één aanvraag, vergunning moet worden verleend zonder veiling of vergelijkende toets. Deze bepalingen zien op de situatie dat geen sprake is van schaarste. Nu artikel 26, eerste lid, Regeling AVT enerzijds en de artikelen 6 en 7 Fb anderzijds zien op onderscheiden situaties, is van strijd tussen deze bepalingen geen sprake.

De door appellanten ingeroepen toelichting op artikel 2 noopt niet tot een ander oordeel. Artikel 2, tweede lid, Fb bepaalt immers dat “per eenheid van frequentieruimte” wordt aangegeven of vergunningverlening geschiedt op basis van volgorde van binnenkomst óf via veiling of vergelijkende toets. Blijkens de toelichting op het Frequentiebesluit wordt met “een eenheid van frequentieruimte” bedoeld: de frequentiebanden waarin de te verdelen frequentieruimte zich bevindt. Dit wijst niet op een benadering op het niveau van de afzonderlijke kavels.

Het feit dat er verschillen bestaan tussen de kavels binnen de bestemming commerciële radio-omroep middengolf maakt – anders dan appellanten betogen – het voorgaande niet anders, maar wijst er veeleer op dat de situatie van schaarste waarop de minister doelt – het bestaan van meerdere aanvragen voor bepaalde, klaarblijkelijk aantrekkelijkere, frequenties – zich met een grotere mate van waarschijnlijkheid zal voordoen.

De stelling van Quality dat artikel 2 Fb in strijd zou zijn met het – volgens appellanten – aan de Tw ten grondslag liggende uitgangspunt dat niet schaarse frequenties moeten worden verdeeld op volgorde van binnenkomst, behoeft geen bespreking. Uit het voorgaande blijkt immers dat de minister terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat binnen het AM-frequentieblok sprake was van schaarste, zodat verdeling van alle kavels binnen dit blok diende plaats te vinden via de procedure van de vergelijkende toets.

Deze grieven falen derhalve.

2.3 Appellanten zijn tevens opgekomen tegen de door de minister bij appellanten in rekening gebrachte kosten van het door het Agentschap Telecom (hierna: AT) uitgevoerde toezicht op de publieke en commerciële omroep.

2.4 Het ligt op de weg van de partij die stelt dat een regeling onverbindend moet worden geoordeeld, om de argumenten en omstandigheden aan te wijzen, die dat oordeel zouden kunnen dragen. Daarbij is niet relevant of de regelgeving anders had kunnen worden opgezet, maar slechts of de regelgever dat, gelet op hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen, anders had moeten doen. De rechtbank heeft dan ook kunnen volstaan met haar gemotiveerde verwerping van de door appellanten naar voren gebrachte stellingen inzake de regelingen voor 2004 en 2005 en heeft, anders dan appellanten kennelijk veronderstellen, niet hoeven aangeven waarom het niet anders zou kunnen.

Het College kan appellanten dan ook niet volgende in hun in AWB 07/220 t/m 07/222 ontwikkelde grief dat de rechtbank haar oordeel terzake onvoldoende heeft onderbouwd.

2.5.1 Appellanten hebben in alle vijf de procedures aangevoerd dat voor het verschuldigd zijn en de hoogte van de toezichtskosten van belang is of de frequentie wordt gebruikt en of dat gebeurt met het maximaal vergunde zendvermogen. Voor een kavel die niet in gebruik is, hoeven geen toezichtswerkzaamheden te worden verricht, zodat ook geen kosten zijn verschuldigd. Dat is in overeenstemming met artikel 16, eerste lid, Tw en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, Machtigingsrichtlijn (2002/20/EG). De vergoeding mag slechts in rekening worden gebracht, voor zover deze verband houdt met verrichte werkzaamheden. Het is in strijd met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel dat de kosten niet worden vastgesteld op basis van het daadwerkelijke zendvermogen, aldus appellanten.

2.5.2 Ten aanzien van de berekening van de kosten op basis van het maximaal vergunde en niet van het daadwerkelijke benutte vermogen geldt allereerst dat Radlon geen procesbelang heeft bij de beoordeling van deze grief. Voor 2003 zijn de door haar te vergoeden kosten als gevolg van de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 15 oktober 2003 immers volledig berekend op basis van het gemiddelde zendvermogen van dag en nacht en niet op de grondslag van het vergunde vermogen.

2.5.3 Het College heeft in zijn uitspraak van 29 april 2003 (LJN: AF8582) reeds aangenomen dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de kosten van het toezicht en de omvang van het zendvermogen. De minister brengt dit onderscheid sedert 1 juni 2003 tot uitdrukking door een vast tarief per kW zendvermogen. In zijn uitspraak van 3 mei 2006 (LJN: AX0166) heeft het College overwogen dat de minister met deze verdeelsleutel is gebleven binnen de grenzen die de regelgeving stelt en dat niet kan worden gezegd dat de minister in redelijkheid niet tot deze wijze van berekening van de vergoeding voor het toezicht heeft kunnen komen. Het College acht het in dit kader evenmin onredelijk dat de minister daarbij het objectieve gegeven van het vergunde vermogen als maatstaf hanteert en niet uitgaat van het – aanzienlijk minder eenvoudig vast te stellen – daadwerkelijk benutte vermogen. Daarnaast geldt, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, dat het toezicht er op ziet dat gebruik van de vergunde frequenties kan worden gemaakt met het totale vergunde vermogen.

De minister heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat niet eerst toezicht wordt gehouden vanaf het moment dat de frequentie waarvoor de vergunning is verleend daadwerkelijk in gebruik is. Ook vóór dat tijdstip dient het AT, in het belang van de verkrijgers van de frequenties, te controleren of sprake is van illegaal gebruik van die frequentie. Het ook in rekening brengen van toezichtskosten over een periode waarin nog geen gebruik wordt gemaakt van de frequentie, is dan ook niet in strijd met artikel 16.1, eerste lid, Tw. Aangezien niet valt in te zien dat de kosten niet worden opgelegd volgens een objectieve, transparante en evenredige verdeling, die de extra administratiekosten en daarmee samenhangende bijdragen tot een minimum beperkt, zijn de regelingen op dit punt evenmin in strijd met artikel 12 van de Machtigingsrichtlijn.

2.6.1 Vervolgens hebben appellanten in alle procedures naar voren gebracht dat de drie regelingen ten onrechte uitgaan van één subcategorie AM en FM, terwijl de werkzaamheden voor AM en FM sterk uiteenlopen. De door appellanten te betalen toezichtskosten dienen dan ook te worden verlaagd.

2.6.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden inzake het toezicht op AM en FM voldoende gelijksoortig zijn om indeling in één categorie te rechtvaardigen. Het gaat hierbij om het monitoren van de frequenties, het bestrijden van illegaal gebruik, het schoonhouden van de ether en het behandelen van storingsklachten. Waar sprake is van – overigens door Quality niet gekwantificeerde – verschillen, zijn deze niet zo zwaarwegend dat de minister niet in redelijkheid, gelet op de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, heeft kunnen beslissen om AM en FM voor het toezicht op deze frequenties dezelfde kosten in rekening te brengen.

2.7.1 Ook hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte en zonder onderbouwing heeft gesteld dat een beroep op de vergelijkbare positie van de Wereldomroep en analoge televisie niet kan slagen. Volgens appellanten ligt AM dichter bij de Wereldomroep (kortegolf) en analoge televisie dan bij FM. Zo zijn het frequentiebeslag en de toezichtswerkzaamheden vergelijkbaar. Daarnaast is het toezicht op de kortegolfzenders van de Wereldomroep veel bewerkelijker dan het toezicht op AM. De Wereldomroep betaalt veel minder per kW zendvermogen, terwijl het toezicht veel bewerkelijker is. Het verschil in tarifering is niet gerechtvaardigd. Er is sprake van discriminatie van de commerciële omroep ten opzicht van de publieke omroep.

2.7.2 Het College acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de toezichtswerkzaamheden voor de categorie Wereldomroep en analoge televisie, ondanks het wellicht bestaan van bepaalde overeenkomsten, dusdanig verschillen van het toezicht op AM, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er een rechtvaardiging bestaat voor het creëren van verschillende categorieën. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aangevoerd.

De Wereldomroep maakt gebruik van kortegolffrequenties en verzorgt zelf de planning en coördinatie van frequenties. De uitzendingen zijn gericht op het buitenland en het AT hoeft daarom geen klachten te behandelen over slechte ontvangst in Nederland. De zenders zijn voorts geconcentreerd in één dunbevolkte plaats en hebben door de karakteristiek van de frequentiegolven nauwelijks impact in de rest van Nederland. Hierdoor komen bij het AT vrijwel geen klachten binnen over door de uitzendingen in Nederland veroorzaakte storingen, terwijl ook de Wereldomroep zelf nauwelijks last heeft van andere zenders.

Bij het gebruik van de frequenties voor analoge televisie bestaat weinig kans op verstoring van het radiospectrum, onder meer door de planningsnorm die al jarenlang ongewijzigd is en het feit dat van illegaal gebruik geen sprake is.

Op grond van het aldus naar voren gebrachte, acht het College het aannemelijk dat Wereldomroep en analoge televisie minder toezicht vergen dan AM. Terzake worden derhalve ook minder kosten gemaakt. Deze omstandigheid is een voldoende rechtvaardiging voor het in rekening brengen van een hoger bedrag aan toezichtskosten aan appellanten. Bijgevolg bestaat een objectieve rechtvaardiging voor het verschil in tarifering, zodat geen sprake is van discriminatie van de commerciële omroep ten opzichte van publieke omroep of van concurrentievervalsing. Ook deze in alle procedures naar voren gebrachte grief faalt derhalve.

2.8 Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid, EG. Het verschil in de in rekening gebrachte toezichtskosten is immers herleidbaar tot een objectief verschil in verrichte werkzaamheden en niet het gevolg van door de minister aan de publieke omroep toegekende financiële steun.

2.9.1 Appellanten hebben nog aangevoerd dat zij dubbel moeten betalen, omdat de kosten van het toezicht reeds zijn verdisconteerd in de opbrengst van de verdeling van de frequenties voor commerciële radio-omroep in 2003. Zij verwijzen daartoe naar de brief van de minister van 23 maart 2004 aan de Tweede Kamer (24095, nr. 161) en naar de Lijst van Vragen en Antwoorden van 28 mei 2004 (24095, nr. 163).

2.10.2 Ook deze grief treft geen doel. Anders dan appellanten stellen heeft de minister noch in voornoemde stukken noch in een enig ander openbaar stuk aangekondigd dat de kosten van het reguliere, preventieve toezicht op het gebruik van de frequenties uit de algemene middelen zouden worden gefinancieerd. De door appellanten aangeduide stukken hebben betrekking op de kosten van de zogenoemde zero base-operatie en de daarmee samenhangende projectuitgaven. Het zijn deze kosten waarvan verweerder heeft gezegd dat ze uit de algemene middelen zouden worden bekostigd. De in geding zijnde toezichtskosten vallen daar niet onder. Deze kosten worden conform het bepaalde in artikel 16.1 Tw doorberekend aan de verkrijgers van de frequenties.

De in het rapport “Maat houden, een kader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten” neergelegde opvatting dat de kosten van repressieve handhaving niet worden doorberekend, doet niet af aan de rechtmatigheid van de in geding zijnde kosten van preventief toezicht.

2.10.1 In AWB 07/220 en 07/222 hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan hun stelling dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het tarief in 2004 driemaal zoveel is gestegen als de gemiddelde kostenstijging.

2.10.2 De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de relevante jurisprudentie van het College, voldoend gemotiveerd aangegeven waarom deze stelling van appellanten geen doel treft. Terecht heeft de rechtbank opgemerkt dat het stelsel op basis waarvan de vergoedingen worden vastgesteld, voldoende waarborgt dat geen hogere kosten in rekening worden gebracht dan de daadwerkelijk gemaakte. Het College wijst in dit verband tevens nog op voornoemde uitspraak van 3 mei 2006, waarin is overwogen dat in de toelichting op de Regeling voor 2004 genoegzaam is gemotiveerd waarom de vergoedingen voor 2004 in vergelijking met die voor 2003 zijn gestegen en dat deze stijging ook zeker niet onvoldoende transparant en objectief kan worden genoemd.

2.11.1 In AWB 07/221 heeft Quality tenslotte nog aangevoerd dat de rechtbank aan het feit dat het in het kader van de vergelijkende toets gebruikte Aanvraagdocument aangeeft dat toezichtskosten in rekening worden gebracht, niet de conclusie kan verbinden dat deze kosten ook rechtmatig zijn.

2.11.2 De minister baseert zijn stelling dat de toezichtskosten terecht en op goede gronden zijn opgelegd op de onderliggende regelgeving, niet op het Aanvraagdocument. De verwijzing door de minister naar dit document dient slechts te adstrueren dat appellanten konden weten dat ze de kosten van toezicht dienden te betalen. De rechtbank overweegt terecht dat het Aanvraagdocument slechts een informatieve functie heeft. De grief van appellanten dat de rechtbank aan dit document een verdergaande betekenis heeft toegekend, mist derhalve feitelijke grondslag.

2.12 Gelet op het voorgaande kunnen de aanmaningsbrieven, waartegen appellanten slechts ter behoud van alle rechten zijn opgekomen, buiten bespreking blijven.

2.13 Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen ongegrond zijn en de bestreden uitspraken, voor zover aangevochten, dienen te worden bevestigd.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.O. Kerkmeester en mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer