Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB5619

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2007-09-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/840 26 september 2007

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten, werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs te Assen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 november 2006, bij het College binnengekomen op 17 november 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 oktober 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 5 september 2006, waarbij verweerder appellants toeslagrechten op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 15 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 juni 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, zoals tevoren schriftelijk aangekondigd, niet is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Het College heeft ter zitting de behandeling geschorst om verweerder de gelegenheid te bieden aanvullende informatie te verstrekken. Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder nadere informatie gegeven.

Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 5 juli 2007, waarbij hij tevens heeft bericht een nadere behandeling ter zitting niet noodzakelijk te achten.

Verweerder heeft bij brief van 23 juli 2007 nog een nadere aanvulling op zijn standpunt gegeven. Daarbij heeft ook hij bericht geen behoefte te hebben aan een nadere behandeling ter zitting.

Vervolgens heeft het College partijen op 18 september 2007 bericht dat het het onderzoek in deze zaak heeft gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (…) luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 33

subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of, (…)

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…)

Artikel 38

Referentieperiode

De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002.

Artikel 40

Gevallen van onbillijkheid

1. In afwijking van artikel 37 heeft een landbouwer wiens productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, het recht te verzoeken dat het referentiebedrag wordt berekend op basis van het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/zijn beïnvloed door het geval van overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden.

2. (…)

3. Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat vast te stellen termijn.

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)

Artikel 43

Bepaling van de toeslagrechten

1. Onverminderd artikel 48 ontvangt een landbouwer een toeslagrecht per hectare dat is berekend door het referentiebedrag te delen door het gemiddelde aantal, berekend over drie jaar, van alle hectaren die in de referentieperiode recht hebben gegeven op de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen.

Het totale aantal toeslagrechten moet gelijk zijn aan het bovenvermelde gemiddelde aantal hectaren.(…)

2. Het in lid 1 bedoelde aantal hectaren omvat voorts:

(…)

b) alle voederareaal in de referentieperiode.

3. Voor de toepassing van lid 2, onder b), wordt onder „voederareaal” verstaan de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 (…) voor de veehouderij beschikbaar was, met inbegrip van het gezamenlijk gebruikte voederareaal en de percelen die voor gemengde teelten werden gebruikt. Het voederareaal omvat niet:

— gebouwen, bossen, vijvers en wegen,

— oppervlakten die werden gebruikt voor andere gewassen die voor communautaire steun in aanmerking kwamen, of voor blijvende teelten of tuinbouw,

— oppervlakten die in aanmerking kwamen in het kader van de steunregeling voor landbouwers die bepaalde akkerbouwgewassen verbouwen, werden gebruikt in het kader van de steunregeling voor gedroogde voedergewassen of onder een nationaal of communautair braakleggingsprogramma vielen.

4. (…)”

Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

“Artikel 3 bis

Geconstateerde hectaren en dieren

Onverminderd de toepassing van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003, is het voor de vaststelling van het in artikel 37, lid 1, van die verordening bedoelde referentiebedrag in aanmerking te nemen aantal hectaren of dieren waarvoor in de referentieperiode een rechtstreekse betaling is of had moeten worden toegekend, het aantal geconstateerde hectaren of dieren in de zin van artikel 2, onder r) en s), van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor elke van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde rechtstreekse betalingen.”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

r. “geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken steunregeling is voldaan.

(…)

Artikel 5

Algemene beginselen met betrekking tot de percelen landbouwgrond

1. Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende:

(…)

c) Elk voederareaal moet voor het houden van dieren beschikbaar zijn gedurende een periode van ten minste zeven maanden die ingaat op een door de lidstaten vast te stellen datum tussen 1 januari en 31 maart.

(…)”

Artikel 13 van de Regeling luidt:

“ De landbouwer die overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 verzoekt om berekening van het referentiebedrag op een andere basis omdat zijn productie nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, stelt DR daarvan uiterlijk op 15 mei 2006 schriftelijk daarvan in kennis, waarbij deze kennisgeving vergezeld gaat van relevant bewijsmateriaal.

2. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 5 september 2006 heeft verweerder aan appellant 11,6 toeslagrechten toegekend met een waarde per toeslagrecht van € 696,90.

Bij de berekening van het aantal toeslagrechten is verweerder uitgegaan van 9.15 ha in 2000, 0 ha in 2001 en 12.81 ha in 2002.

- Bij brief van 11 september 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Appellant heeft op 26 september 2006 en 4 oktober 2006 zijn bezwaar telefonisch toegelicht en meegedeeld aan een hoorzitting geen behoefte te hebben.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

De berekening van de toeslagrechten is gebaseerd op het referentiebedrag.

Het referentiebedrag is het gemiddelde van de over de referentiejaren 2000, 2001 en 2002 ontvangen toeslagen op de in de bijlage VI van Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde steunregelingen.

Voor de vaststelling van het referentiebedrag is het aantal geconstateerde hectaren of dieren van belang.

Bij besluit van 22 november 2001 is de aanvraag van appellant voor akkerbouwsteun voor 2001 afgewezen. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 14 juni 2002 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de bedrijfskaarten niet of te laat zijn ontvangen en appellant niet voor maïspremie voor 2001 in aanmerking komt. Het besluit van 14 juni 2002 is onherroepelijk geworden.

Er is dan ook uitgegaan van het aantal geconstateerde hectaren (9.15 ha voor 2000, 0 ha voor 2001 en 12.85 voor 2002) zoals destijds vastgesteld.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat weliswaar is besloten aan appellant over 2001 geen maïspremie te verlenen, maar dat de voor maïspremie opgegeven 12.85 ha voor het jaar 2001 wel zijn meegenomen in het kader van het voederareaal.

Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder ter zake het volgende opgemerkt. Appellant heeft in zijn aanvraag akkerbouwsteun over het jaar 2001 12.85 ha opgegeven met gewascode 259 (maïs) en met bijdragecode 845 (akkerbouwbijdrage). Deze bijdragecode is destijds door verweerder doorgehaald en vervangen door bijdragecode 999 (overige gewassen, geen bijdrage). De doorhaling heeft plaatsgehad nadat duidelijk was geworden dat appellant niet voor maïspremie in aanmerking kwam wegens te late indiening van de bedrijfskaarten. De code is gewijzigd om in het systeem te verankeren dat de aanvraag niet tot premie heeft geleid. De 12.85 ha maïs die in 2001 zijn verbouwd, zijn, gelet op artikel 43, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 in samenhang met het derde lid van die bepaling, als voederareaal meegenomen bij de berekening van het bedrijfstoeslagareaal en de bepaling van het aantal toeslagrechten. Nu appellant premie heeft ontvangen voor 25 stieren, is hiermee voldaan aan de voorwaarde dat de betreffende oppervlakte beschikbaar was voor de veehouderij. Dat de 12.85 ha maïs als bedrijfstoeslagareaal is aangemerkt, is derhalve juist.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Weliswaar heeft hij over 2001 geen maïspremie gehad, maar de opgegeven hectaren maïs waren wel aanwezig. De aanvraag is ook tijdig gedaan. De enige reden van afwijzing was dat hij de bedrijfskaarten waarop de percelen waren aangegeven niet tijdig heeft toegestuurd. Daarvoor waren verzachtende omstandigheden in de privésfeer.

Appellant is door het niet toekennen van de premie al genoeg gestraft. Het zou onbillijk zijn dit te laten doorwerken in een verlaging van de bedrijfstoeslag voor de komende jaren. De Europese verordeningen hebben niet de strekking om zo zwaar te straffen. De voor het jaar 2001 opgegeven 12.85 ha maïs dienen dan als geconstateerde hectaren te worden aangemerkt, zodat de premie daarvoor alsnog in het referentiebedrag wordt meegenomen.

Subsidiair meent appellant dat het jaar 2001 geheel buiten de berekening moet blijven, aangezien het geen geconstateerde hectaren zijn. Hij wijst erop dat in dat geval sprake is van 'uitzonderlijke omstandigheden' als bedoeld in artikel 13 van de Regeling. Verweerder heeft de hectaren ten onrechte als voederareaal meegeteld. Aangezien het betreffende areaal maïs in 2001 door verweerder is gecodeerd als 'overige gewassen, geen bijdrage', ontbreekt het bewijs dat de grond in 2001 het gehele kalenderjaar overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor de veehouderij beschikbaar was.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de 12.85 ha die hij destijds in zijn aanvraag oppervlakten 2001 voor maïspremie had opgegeven, voor de berekening van de toeslagrechten als geconstateerde oppervlakte moeten worden aangemerkt. Het College deelt dit standpunt niet en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de stukken is gebleken dat verweerder destijds de bij de aanvraag oppervlakten 2001 behorende bedrijfskaarten niet tijdig van appellant heeft ontvangen. Daardoor was voor de opgegeven 12.85 ha niet aan alle steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken steunregeling voldaan en konden de 12.85 ha niet als geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 2, onder r, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 (voordien: artikel 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3887/92) worden aangemerkt. De aanvraag werd dan ook afgewezen. Het tegen deze afwijzing door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 juni 2002 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. De conclusie is dat verweerder bij de vaststelling van het referentiebedrag als bedoeld in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 terecht is uitgegaan van 0 geconstateerde hectaren akkerbouwgewassen over 2001.

5.2 Subsidiair is appellant van mening dat het jaar 2001 buiten de berekening van de toeslagrechten moet blijven.

Voorzover appellant in dit verband een beroep heeft gedaan op artikel 13 van de Regeling, kan dit beroep reeds niet slagen, nu de Dienst Regelingen niet vóór 15 mei 2006 van de vermeende uitzonderlijke omstandigheden op de hoogte is gesteld. Verweerder heeft bij de berekening van de toeslagrechten dan ook terecht alle jaren uit de referentieperiode (2000, 2001 en 2002) betrokken.

Verweerder heeft evenwel geen deugdelijke motivering gegeven voor het feit dat hij bij de bepaling van appellants toeslagrechten de betreffende 12.85 ha als voederareaal heeft aangemerkt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt het toeslagrecht per hectare berekend door het referentiebedrag te delen door het gemiddelde aantal, over drie jaar, van alle hectaren die in de referentieperiode recht hebben gegeven op de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen. Ingevolge het tweede lid, onder b, van artikel 43 omvat het in eerste lid bedoelde aantal hectaren alle voederareaal in de referentieperiode. In het derde lid is bepaald dat onder „voederareaal” wordt verstaan de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor de veehouderij beschikbaar was.

Verweerder heeft verklaard dat de 12.85 ha maïs die in 2001 zijn verbouwd, gelet op artikel 43, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 in samenhang met het derde lid van die bepaling, als voederareaal zijn meegenomen bij de berekening van het bedrijfstoeslagareaal en de bepaling van het aantal toeslagrechten. Nu appellant premie heeft ontvangen voor 25 stieren, is hiermee voldaan aan de voorwaarde dat de betreffende oppervlakte beschikbaar was voor de veehouderij, aldus verweerder.

Het enkele feit dat appellant voor 25 stieren premie heeft ontvangen, rechtvaardigt niet de conclusie dat de 12.85 ha als voederareaal beschikbaar is geweest.

Allereerst overweegt het College – het College heeft verweerder hierop ook ter zitting op 6 juni 2007 gewezen – dat een producent op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal, niet groter is dan 15 GVE. Dit brengt mee dat voor maximaal 25 stieren tussen de zes en 24 maanden (25 x 0,6 GVE) premie kan worden verkregen zonder dat aan de verplichting om voederareaal aan te houden hoeft te worden voldaan. Hoe de situatie in het onderhavige geval in 2001 is geweest, is niet duidelijk geworden, nu verweerder ter zake geen stukken heeft overgelegd.

Vervolgens stelt het College vast dat appellant de 12.85 ha maïs in zijn aanvraag oppervlakte 2001 niet heeft opgegeven als voederareaal (bijdragecode 805), maar als oppervlakte voor het verkrijgen van een akkerbouwpremie (bijdragecode 845). De overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting bieden onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de 12.85 ha in 2001 niettemin als voederareaal beschikbaar zijn geweest.

Overigens vormt verweerders ambtshalve wijziging van bijdragecode 845 (akkerbouwbijdrage) in bijdragecode 999 (geen bijdrage) – wat hier verder ook van zij – evenmin een indicatie voor het beschikbaar zijn van de oppervlakte als voederareaal. De bijdragecode voor voederareaal is immers 805.

5.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

5.4 Het College acht ten slotte termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van appellant van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met wegingsfactor 1, € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,-- (zegge: honderdeenenveertig euro)

aan hem vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas