Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB5607

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/572 t/m 06/576 en 06/727 t/m 06/732
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/572 t/m 06/576 en 06/727 t/m 06/732 2 oktober 2007

24030 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Uitspraak in de zaken van:

1. A B.V.

2. B B.V.

3. C B.V.

4. D B.V.,

5. E B.V.

6. F B.V., alle te G, appellanten,

gemachtigde: H.M. van Vliet AA, financieel en (fiscaal) juridisch adviseur te Hilversum,

tegen

Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Gooi- en Eemland, te Amersfoort, verweerder,

gemachtigden: mr. J.E. Broug, werkzaam bij verweerder en mr. J.E. Schutter, werkzaam bij Nationaal Incasso Bureau B.V. te Purmerend.

1. Het procesverloop

Bij brieven van 24 april 2006 (AWB 06/572), 18 mei 2006 (AWB 06/573 t/m 06/576), 4 juli 2006 en 18 augustus 2006 (AWB 06/727 t/m 06/732) heeft verweerder appellanten gesommeerd tot betaling van administratie- en incassokosten terzake van de bijdrage handelsregister over het jaar 2005.

Bij besluiten van 8 juni 2006, 5 juli 2006 en 22 augustus 2006 heeft verweerder de hiertegen gerichte bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard, hiertoe overwegend dat in de brieven geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn neergelegd.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brieven van 14 juli 2006 en 29 september 2006, per fax bij het College binnengekomen op respectievelijk 17 juli 2006 en 29 september 2006, beroep ingesteld.

Bij brieven van 16 augustus 2006 en 20 oktober 2006 hebben appellanten de gronden van hun beroepen aangevuld.

Bij brieven van 16 oktober 2006 en 16 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 25 april 2007 en 1 mei 2007 heeft verweerder nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 16 juni 2007 hebben appellanten in de zaken 06/572 t/m 06/576 een conclusie van repliek ingediend. Tevens hebben zij hierbij een afschrift toegezonden van een van de vonnissen van de rechtbank Utrecht, sector kanton, van 2 mei 2007, waarbij de zeven door verweerder uitgevaardigde dwangbevelen terzake van de hogervermelde kosten na verzet van appellanten zijn vernietigd.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft verweerder in deze laatstgenoemde zaken een conclusie van dupliek ingediend.

Bij brief van 18 augustus 2007 hebben appellanten in de zaken 06/727 t/m 06/732 een nadere memorie toegezonden.

Op 30 augustus 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij gemachtigde zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij vonnissen van 2 mei 2007 heeft de rechtbank Utrecht, sector kanton, het verzet van appellanten tegen de jegens hen uitgevaardigde dwangbevelen gegrond verklaard en de dwangbevelen vernietigd. De rechtbank overwoog onder meer:

“(…)

De kosten die door de KvK daarnaast zijn gemaakt als gevolg van haar keuze om – in afwijking van het in artikel 41 Wet KvK bepaalde – voorafgaand aan het dwangbevel een incassobureau in te schakelen, kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de ondernemer in rekening worden gebracht. Daarbij is in aanmerking genomen dat de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting bewust gekozen heeft voor de in artikel 41Wet KvK neergelegde wijze van invordering, met het doel mede gelet op de geringe hoogte van de bijdrage de kosten van de invordering voor de ondernemer te beperken (MvT TK 1986-1987, 19 782 nr. 3, p. 2 tot en met 4). De kantonrechter ziet dan ook naast de in artikel 41 Wet KvK beschreven wijze van invordering geen ruimte voor de bij de KvK kennelijk gebruikelijke werkwijze, om voorafgaand aan het uitvaardigen van een dwangbevel te proberen betaling van haar vordering te verkrijgen via de inschakeling van een incassobureau, althans niet voor zover dit voor rekening van de ondernemer wordt gebracht. Dat de KvK als rechtvaardiging voor haar handelwijze aanvoert dat zij daardoor de ondernemer juist kosten bespaart omdat de kosten van een dwangbevel hoger zijn dan de kosten van inschakeling van een incassobureau, kan niet tot een ander oordeel leiden. De KvK brengt de kosten van het incassobureau immers ten onrechte aan de ondernemer in rekening, waarna zij, indien de ondernemer weigert deze kosten te voldoen, alsnog op kosten van de ondernemer een dwangbevel uitvaardigt. (…)”

2.2 Namens verweerder is desgevraagd ter zitting van het College verklaard dat naar aanleiding van hogervermeld vonnis geen invordering van incasso- en administratiekosten terzake van de door appellanten bestreden sommaties meer zal plaatsvinden. Evenmin, zo is namens verweerder ter zitting uitdrukkelijk verklaard, zal in andere zaken nog invordering van kosten als bedoeld plaatsvinden.

2.3 De gemachtigde van appellanten heeft verklaard nochtans geen termen te zien voor intrekking van de beroepen. Hij heeft hiertoe gesteld dat het in het belang is van de rechtspraak dat een oordeel van het College wordt verkregen over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Voorts heeft hij er op gewezen dat hij heeft gevraagd om vergoeding van de kosten van de procedure in bezwaar en beroep.

2.4 Het College is van oordeel dat thans voor appellanten geen procesbelang meer betrokken is bij een uitspraak van het College. Het College wijst er op dat volgens vaste jurisprudentie een beroep dat er louter (nog) op is gericht om een uitspraak te verkrijgen over de principiële betekenis van een besluit of een ander of mogelijk toekomstig besluit (precedentwerking, jurisprudentievorming en dergelijke) niet ontvankelijk is. Eveneens volgens vaste jurisprudentie vormt de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken of griffierecht moet worden terugbetaald onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan, aangezien voor vergoeding van deze kosten geen gegrondverklaring van het beroep is vereist.

2.5 Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

2.6 Het College ziet geen termen voor een veroordeling van een der partijen in de kosten van de procedure op de voet van artikel 8:75 Awb. Het College neemt hierbij in aanmerking enerzijds dat, voor zover is kunnen blijken, door verweerder eerst ter zitting van het College uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat geen invordering meer zal plaatsvinden, anderzijds dat het College reeds in zijn uitspraak van 16 mei 2006 (AWB 05/472 www.rechtspraak.nl LJN AX2649) tussen partijen, heeft vastgesteld dat tegen sommaties als hier in geding de rechtsmiddelen van de Awb niet openstaan. Voor het verkrijgen van een oordeel hierover van het College was het instellen van beroep derhalve niet nodig.

2.7 Beslist wordt als volgt.

3. De beslissing

Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp