Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB5604

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/148 4 september 2007

27322 Besluit subsidies bedrijfsgerichte

technologische samenwerkingsprojecten

Uitspraak op het beroep van:

OTB Group B.V., te Eindhoven, appellante,

gemachtigde: mr. K.A.M. van Kampen, advocaat te Eindhoven,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Baarsma, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 6 februari 2006, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 december 2005 met betrekking tot subsidie verleend op grond van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten, welke regeling berust op de Kaderwet

EZ-subsidies.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 1 juli 2004 tot intrekking van de subsidieverlening en terugvordering van een bedrag van € 226.153,- aan onverschuldigd betaalde voorschotten gegrond verklaard, in zoverre dat hij laatstgenoemd besluit heeft herroepen en in de plaats daarvan met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de subsidieverlening heeft gewijzigd in een bedrag van maximaal € 93.336,- en met toepassing van artikel 4:47, aanhef en onder c, Awb de subsidie ambtshalve op ditzelfde bedrag heeft vastgesteld. Het bezwaar tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten heeft verweerder ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellante een bedrag van € 132.817,- dient terug te betalen.

Bij brief van 7 maart 2006 heeft appellante het beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 7 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 12 juni 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Voor appellante is tevens verschenen dr. ir. Q.A.G. van Vlimmeren. Gemachtigde van verweerder was vergezeld van mr. R. Volkers en R.A.G.M. Paquaij, eveneens werkzaam bij SenterNovem.

Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder toegezegd alsnog de in bezwaar gemaakte proceskosten op basis van 2 punten te vergoeden, waarop appellante haar daarop betrekking hebbende grief heeft ingetrokken.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten (hierna: BTS) luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“Artikel 12

1. Aan de subsidieverlening zijn voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 13 tot en met 16 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande dat de in artikel 15 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

2. De in de artikelen 13, 14 en 15 opgenomen verplichtingen gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 16 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 13

1. De subsidie-ontvanger voert het samenwerkingsproject uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het project.

(…)

Artikel 16

1. De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, met betrekking tot de resultaten van het project zorg voor:

a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen;

b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten;

c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

2. De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet ter beschikking van derden:

a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project;

b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het project.

(…)

5. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:

a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel verplaatsen buiten Nederland;

(…).”

In de Nota van Toelichting bij het BTS is onder meer het volgende vermeld:

“De bedrijfsgerichte technologiestimulering heeft tot doel de investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) van bedrijven in Nederland te verhogen en het rendement van deze investeringen te vergroten. Het moet hierbij gaan om (…) projecten die duidelijk vernieuwend zijn, goede economische perspectieven hebben en daarmee een positieve bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse economie.

(…)

Artikel 16

(…)

Het ter beschikking stellen van projectresultaten aan derden kan de doelstellingen die de subsidieaanvragers bij het aanvangen van het project hadden in gevaar brengen. (…) Met het ter beschikking stellen van al dan niet door intellectuele eigendomsrechten beschermde projectresultaten aan derden kan de vrijheid van de subsidieontvangers in de exploitatie van de resultaten worden beperkt, terwijl onder omstandigheden ook het belang van het project voor de Nederlandse economie kan verminderen. Dat belang zal ook richtsnoer zijn bij het beoordelen van aanvragen om ontheffing van ondernemers.

(…)”.

De Awb bepaalt het volgende:

“Artikel 4:47

Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:

(…)

c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.

Artikel 4:48

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:

(…)

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(…)

Artikel 4:57

Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 maart 2002 heeft verweerder een aanvraag van appellante ontvangen voor subsidie op grond van het BTS voor het project “MoldPro-E”, kenmerk TSGE2039.

- Bij besluit van 23 juli 2002 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat op basis van een positief advies van 25 juni 2002 van de Adviescommissie Technologische Samenwerkingsprojecten voor het project “MoldPro-E” een subsidie op grond van het BTS wordt verleend van maximaal € 311.121,- voor projectkosten gemaakt in de periode van 1 april 2002 tot 31 maart 2004.

- Bij besluit van 12 december 2002 heeft verweerder aan appellante een voorschot van € 109.174,- verstrekt ten behoeve van de over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2002 met betrekking tot voornoemd project gedeclareerde kosten.

- Bij besluit van 7 juli 2003 heeft verweerder appellante een voorschot van € 116.979,- verstrekt voor de gedeclareerde projectkosten over de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 maart 2003.

- Bij e-mail van 26 november 2003 heeft een medewerker van Innovation Quest, een organisatie die appellante bijstaat, de behandelend ambtenaar bij SenterNovem bericht dat appellante een ‘letter of intent’ heeft ondertekend in verband met de verkoop van een deel van haar activiteiten aan Singulus Technologies AG. Vermeld is dat de aan “MoldPro-E” gerelateerde patenten weliswaar worden verkocht, maar dat appellante de licentierechten voor verdere ontwikkeling op het gebied van niet ‘optical disc’ toepassingen behoudt.

- Bij brief van 26 november 2003 heeft evengenoemde medewerker van Innovation Quest aan de behandelend ambtenaar onder meer meegedeeld dat een wijzigingsverzoek met betrekking tot het project “MoldPro-E” zal worden gedaan in verband met de verkoop van een deel van appellantes activiteiten.

- Bij e-mail van 8 december 2003 heeft voornoemde medewerker van Innovation Quest de behandelend ambtenaar een concept-brief voorgelegd over de patentsituatie rond het “MoldPro-E” project.

- Bij brief van 29 januari 2004 heeft appellante aan de behandelend ambtenaar bij SenterNovem onder meer meegedeeld dat “MoldPro-E” eind december 2003 is voltooid.

- Bij brief van 3 februari 2004 heeft appellante onder meer het volgende aan SenterNovem meegedeeld:

“Eerder hebben wij u laten weten dat OTB Group B.V. het voornemen had een deel van haar activiteiten te verkopen aan het Duitse Singulus Technologies AG. Ultimo november was daarvoor door partijen een intentieverklaring getekend. Per 1 januari 2004 heeft dit geresulteerd in de verkoop aan Singulus van de mastering activiteiten en de rechten van MoldPro.

OTB Group B.V. heeft de volgende aan MoldPro gerelateerde zaken aan Singulus verkocht:

- Octrooirechten van de octrooifamilies:

• NL 1015140 Werkwijze en inrichting voor het spuitgieten van een kunststof voorwerp (sluiteenheid). Octrooiaanvragen in EP US JP CN HK.

• NL 1017287 Werkwijze en inrichting voor het spuitgieten van een kunststof voorwerp (sluiteenheid, meten substraten). Octrooiaanvragen in EP US JP CN HK.

• NL 1021265 Spuitgietmachine-aandrijving (schroef aandrijving) Octrooiaanvragen in PCT TW.

• NL 1024089 Z/phi manipulator.

- Rechten op het tekeningenpakket en software.

- Drie prototype machines.

Van de octrooirechten is alleen NL 1021265 een direct resultaat van het subsidieproject MoldPro-E.

OTB Group B.V. heeft de volgende rechten en zaken behouden dan wel verkregen:

- Een wereldwijde, eeuwigdurende en royalty vrije licentie op de octrooirechten die aan Singulus verkocht zijn voor toepassingen in alle gebieden buiten de optische media en brillenglazen.

- Het recht om het tekeningenpakket en de software te gebruiken buiten de optische media en brillenglazen.

- Twee octrooiaanvragen voor alternatieve uitvoeringsvormen van de schroefaandrijving (alternatieven voor NL 1021265) zijn niet aan Singulus verkocht.

- Een prototype machine en het eerste experimentele model zijn bij OTB gebleven.

Voor het productierijp maken van de MoldPro-E technologie en de verdere machineontwikkeling, is in principe afgesproken dat Singulus daartoe gebruik zal kunnen maken van de technische ondersteuning van OTB.

(…)

Gezien het bovenstaande vertrouwen wij erop, dat de hier beschreven situatie geen onoverkomelijke conflicten oplevert met de TS-regeling. Mocht dit onverhoopt wel het geval zijn, dan verzoeken wij u om toestemming te verlenen voor de wijziging in patentpositie.”

- Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat de subsidieverlening voor het project “MoldPro-E” met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, Awb wordt ingetrokken en dat € 226.153,- aan uitbetaalde voorschotten moet worden terugbetaald. De reden hiervoor is dat met de verkoop aan het Duitse Singulus Technologies AG van onder meer de aandelen van het bedrijf, het tekeningenpakket, patent NL 1021265 en mogelijk ook andere IPR rechten voor “MoldPro-E” injectietechnologie de belangrijkste activiteiten ten aanzien van de exploitatie van projectresultaten nu in handen van een Duitse organisatie liggen. Daarmee wordt de belangrijkste doelstelling van het BTS teniet gedaan, te weten het stimuleren van de Nederlandse economie. Appellante heeft dan ook in strijd gehandeld met de verplichtingen zoals geformuleerd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a en d, en het vijfde lid, aanhef en onder a, BTS.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

- Appellante is op 3 november 2004 omtrent haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gewezen op de belangrijkste doelstelling van het BTS, te weten verhoging van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van bedrijven in Nederland en vergroting van het rendement van deze investeringen in technologische samenwerkingsprojecten die een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie kunnen leveren. Voorts heeft verweerder geconcludeerd dat met de overdracht aan een buitenlandse onderneming van de belangrijkste activiteiten ten aanzien van de exploitatie van projectresultaten appellante heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van het BTS. Verweerder acht een ontheffing van de verplichtingen van artikel 16, tweede lid, BTS niet aan de orde, aangezien appellante door de verkoop een ernstige inbreuk heeft gepleegd op de verhouding tussen subsidieontvanger en -verstrekker. De motieven voor de overdracht van de betreffende technologie aan een buitenlandse onderneming alsmede de mogelijkheid dat de rechten bij ontbinding van de overeenkomst weer in handen van appellante kunnen vallen, doen naar de mening van verweerder daar niet aan af. Desondanks heeft verweerder aanleiding gezien een subsidie te verstrekken van 30% van het aanvankelijk bij besluit van 23 juli 2002 verleende bedrag, omdat het project feitelijk geheel is afgerond en het aannemelijk is dat de door het project opgedane kennis voor alternatieve toepassingen van “MoldPro-E” kan worden toegepast. Op die wijze kan als gevolg van het uitvoeren van het project toch een mogelijke stimulering van de Nederlandse economie en markt in enige mate volgen. Gelet hierop heeft verweerder de subsidie ambtshalve op een bedrag van € 93.336,- vastgesteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, omdat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt om welke redenen door de verkoop door appellante van een deel van de uit het project voortvloeiende kennis geen zicht meer bestaat op economische resultaten. Evenmin heeft verweerder volgens appellante inzichtelijk gemaakt waarop de vaststelling van de subsidie op 30% van het in het besluit tot subsidieverlening van 23 juli 2002 genoemde bedrag van € 311.121,- is gebaseerd.

Appellante heeft gesteld dat het door marktontwikkelingen als prijserosie, marktinkrimping en herverdeling van de markt onder enkele grote partijen bedrijfseconomisch niet langer verantwoord was de toepassing voor “MoldPro-E” in de optische media zelf uit te ontwikkelen en in de markt te zetten. Door een deel van de uit het project voortvloeiende kennis te verkopen, wordt deze gebruikt voor toepassing in de optische media en blijft volgens appellante zicht op economische resultaten uit deze markt. Naar de mening van appellante heeft verweerder geen zorgvuldige afweging gemaakt tussen het belang dat met de subsidie wordt beoogd, te weten verhoging van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling alsmede vergroting van het rendement van deze investeringen, en het belang van appellante bij ontvangst van de subsidie. Als gevolg van de subsidie is het rendement van appellantes investeringen in het project vergroot, zowel door de opbrengst van de overdracht als door de behaalde voorsprong op kennisgebied. Die voorsprong en kennis worden voor andere applicaties gebruikt die op hun beurt weer de Nederlandse economie stimuleren, aldus appellante.

Appellante heeft erop gewezen dat verweerder aannemelijk acht dat de bij het project opgedane kennis ook bij alternatieve toepassingen van “MoldPro-E” kan worden toegepast en dat op die wijze als gevolg van het uitvoeren van het project, toch een mogelijke stimulering van de Nederlandse economie en markt plaatsvindt. Tevens heeft appellante erop gewezen dat zij niet alleen knowhow, tekeningen, modellen en een prototype heeft behouden, maar ook onbeperkte, eeuwigdurende, royalty-vrije licentie op de “MoldPro-E”-rechten heeft verkregen voor toepassing buiten de optische media en brillenglazen. De uit het project voortvloeiende kennis blijft dan ook tot haar beschikking en wordt gebruikt voor applicaties die zicht bieden op economische resultaten. Daarnaast heeft appellante opgemerkt dat de partij aan wie zij een deel van de uit het project voortvloeiende kennis heeft overdragen via een Nederlandse dochtervennootschap alhier ontwikkelings- en productieactiviteiten ontplooit die direct aan de Nederlandse markt voor optische media zijn gerelateerd. Aan een belangrijke doelstelling van het BTS, te weten stimulering van Nederlandse economie, wordt volgens appellante dus wel degelijk voldaan.

Appellante heeft aangevoerd dat zij door overdracht van uit het project voortvloeiende kennis haar opgebouwde kennisvoorsprong op derden heeft kunnen behouden en daarmee niet alleen haar mogelijkheden voor exploitatie van de projectresultaten heeft vergroot, maar tevens het belang van het project voor de Nederlandse economie heeft veiliggesteld. Van een beperking van haar exploitatiemogelijkheden ten aanzien van de markten waarop zij zich concentreert, is geen sprake.

Appellante is van mening dat zij recht heeft op het bedrag van de subsidie zoals dat oorspronkelijk aan haar werd verleend. Ingevolge artikel 3 BTS bedraagt de subsidie een percentage van de projectkosten. Het bij het bestreden besluit toegewezen percentage van 30 van dat bedrag staat volgens appellante in geen enkele verhouding tot de door haar gedane investeringen, te weten 100% van de projectkosten, en opgedane kennis die nu in diverse applicaties wordt gebruikt. Aangezien het project, zoals verweerder ook heeft aangegeven, feitelijk is afgerond en in technisch opzicht geslaagd genoemd mag worden, appellante alle investeringen heeft gedaan, haar kennisvoorsprong heeft behouden, geen belemmering in de exploitatie van de projectresultaten op de voor haar relevante markten ondervindt en er zicht bestaat op economische resultaten met als gevolg stimulering van de Nederlandse economie meent appellante recht te hebben op 100% van de in eerste aanleg toegewezen subsidie. Gelet hierop bestaat er voor terugbetaling van onbetaalde voorschotten geen aanleiding.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling van het College staat enerzijds of verweerder op goede gronden een schriftelijke ontheffing als bedoeld in artikel 16, tweede lid, BTS heeft geweigerd en anderzijds of verweerder de subsidieverlening heeft kunnen wijzigen en ambtshalve op het gewijzigde bedrag vaststellen.

5.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder appellante op goede gronden geen schriftelijke ontheffing als bedoeld in artikel 16, tweede lid, BTS verleend. Het overweegt daartoe als volgt.

5.2.1 Uit evengenoemde bepaling volgt dat op het verbod om de al dan niet door rechten van intellectueel eigendom beschermde resultaten van het project ter beschikking van derden te stellen slechts een uitzondering kan worden gemaakt indien verweerder daar vóóraf schriftelijk ontheffing van heeft verleend. Het College stelt vast dat van een ontheffingsverzoek van appellante voorafgaand aan de overdracht van de projectresultaten aan Singulus geen sprake is geweest. Eerst nadat de overdracht van de projectresultaten een feit was heeft appellante zich met een formeel verzoek tot verweerder gewend. Eerdere aankondigingen dat een dergelijk verzoek zou worden ingediend, heeft verweerder ook niet als een aanvraag voor een schriftelijke ontheffing hoeven opvatten. Desalniettemin is verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar bereid geweest te beoordelen of een ontheffing niet achteraf kan worden verleend. Zoals gezegd, is verweerder daartoe op goede gronden niet overgegaan.

5.2.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht gesteld dat reeds geen ontheffing kan worden verleend, omdat door het vervreemden van de projectresultaten aan een derde de doelstellingen die appellante had bij de aanvang van het project in gevaar worden gebracht. De verkoop van deze projectresultaten aan Singulus brengt tevens met zich dat de exploitatie van de resultaten geen of althans een geringere positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse economie dan werd beoogd bij de toekenning. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een project hoger wordt gerangschikt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen van het BTS. Meer specifiek acht het College daarbij voorts het volgende van belang.

5.2.3 Het technologische project van appellante waarvoor op grond van het BTS subsidie is toegekend was primair gericht op onderzoek naar en ontwikkeling van een elektrische spuitgietmachine voor optische datadragers met als doel de toepassing voor “MoldPro-E” in de optische media zelf uit te ontwikkelen en te exploiteren. De exploitatie van de projectresultaten zou uiteindelijk hebben bestaan uit het behalen van economisch voordeel (rendement) uit de productie en verkoop van elektrische spuitgietmachines voor optische datadragers alsmede de onderdelen daarvoor. Voor dit specifieke doel is de subsidie aan appellante verleend. Door de overdracht van de projectresultaten aan een onderneming waarvan niet vaststaat dat die deze projectresultaten in Nederland zal exploiteren, bestaat geen zicht meer op een positieve bijdrage van het project voor de Nederlandse economie.

5.2.4 Voorzover appellante heeft gesteld dat indien zij niet tijdig op de voor haar ongunstige marktontwikkelingen had gereageerd, de projectresultaten noodgedwongen op de plank zouden zijn blijven liggen, terwijl zij nu de opbrengsten uit de verkoop van de projectresultaten kan investeren in het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe producten waarmee alsnog een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie kan worden geleverd, overweegt het College dat appellante hetgeen zij omtrent de marktomstandigheden heeft gesteld niet heeft aangetoond, laat staan heeft onderbouwd. Daarbij is niet alleen van belang of de verkoop aan Singulus op dat moment in bedrijfseconomisch opzicht een juiste beslissing was, maar ook of dit in de toekomst het geval zou zijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 12, tweede lid, BTS gelden de in artikel 16 opgenomen verplichtingen immers totdat vijf jaren zijn verstreken na de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. Daarmee heeft de regelgever beoogd de exploitatie ten bate van de Nederlandse economie voor die duur te verzekeren. Appellante heeft echter, zoals reeds is overwogen, niet aangetoond dat de marktontwikkelingen op het gebied van (de vervaardiging van optische) datadragers zodanig (structureel) van aard zijn dat van de exploitatie door haar van de projectresultaten ook op langere termijn geen enkel economisch voordeel valt te verwachten.

5.2.5 Met de stelling van appellante dat Singulus een Nederlandse dochteronderneming heeft die zich wellicht (mede) met de exploitatie van de projectresultaten gaat bezighouden, heeft verweerder, gelet op het ontbreken van enige concrete onderbouwing, geen rekening hoeven houden.

5.2.6 Dat appellante op grond van hetgeen zij met Singulus is overeengekomen de uit het project vergaarde kennis en technologie mag aanwenden voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van spuitgietmachines op andere toepassingsgebieden dan de optische media, leidt het College niet tot een ander oordeel. Het onderzoek naar deze alternatieven maakte geen deel uit van het project waarvoor subsidie werd verleend. Bovendien, ook al zou ten aanzien van die andere toepassingen geen sprake zijn van belemmering in de exploitatie van de projectresultaten, dan nog is niet duidelijk welke betekenis dit voor de Nederlandse economie zal hebben. In haar subsidieverzoek heeft appellante aangegeven dat de ideeën voor een nieuw productieconcept voor ‘ophthalmic devices’ nog in een pril stadium verkeren, reden waarom zij in haar prognose voor het economisch perspectief van de te ontwikkelen spuitgiettechnieken hier geen rekening mee heeft gehouden. Niet gebleken is dat ten tijde van het bestreden besluit ontwikkelingen te dien aanzien in een zodanig stadium verkeerden dat sprake was van concreet zicht op economische resultaten.

5.2.7 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het College dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd een ontheffing van de verplichtingen van artikel 16, tweede lid, BTS te verlenen.

5.3 Met betrekking tot de wijziging van de subsidieverlening en de ambtshalve vaststelling van de subsidie op

€ 93.336,- overweegt het College als volgt.

5.3.1 Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, heeft appellante niet voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. Verweerder kwam dan ook de bevoegdheid toe met toepassing van artikel 4:48, tweede lid, aanhef en onder b, Awb de subsidieverlening te wijzigen. Het College is van oordeel dat verweerder van deze bevoegdheid redelijkerwijs gebruik heeft kunnen maken. Het feit dat appellante haar deel van de projectkosten volledig heeft betaald, leidt er niet toe dat verweerder niet langer deze bevoegdheid zou toekomen. Bij de vaststelling van de mate waarin de subsidieverlening wordt gewijzigd, heeft verweerder niet ten onrechte meegewogen dat het technologische project feitelijk is afgerond alsmede dat aannemelijk kan worden geacht dat de bij het project opgedane kennis voor alternatieve toepassingen kan worden aangewend en dat op die wijze uit het project mogelijkerwijs toch nog een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie zou kunnen voortvloeien. Het onderzoek naar eerdergenoemde alternatieven – verweerder doelt daarmee op de voorgenomen ontwikkeling van een spuitgietmachine voor lenzen en eventuele toepassingen op het gebied van OLED’s – maakte, zoals gezegd, geen deel uit van het gesubsidieerde project, noch was ten tijde van het bestreden besluit zeker of dit onderzoek tot een exploitabel product, laat staan een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie, zou leiden. Dat verweerder deze alternatieve toepassingen desondanks heeft betrokken bij zijn afweging, acht het College in overeenstemming met de doelstellingen van het BTS.

5.3.2 Dat verweerder de hoogte van de subsidie op 30% van het aanvankelijk verleende bedrag heeft gesteld, komt het College niet ongerechtvaardigd voor. Ter zitting van het College heeft verweerder verklaard dat hij in dit verband heeft gewogen in hoeverre de kern van de in geding zijnde norm is geschonden, waarbij hij tevens aansluiting heeft gezocht bij hetgeen in het fiscaal recht gebruikelijk is. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat het zonder voorafgaande ontheffing verkopen van de projectresultaten aan een niet-Nederlandse onderneming als een hoofdzakelijke inbreuk moet worden beschouwd. Met die gedraging heeft appellante immers niet alleen niet overeenkomstig de door haar gepresenteerde doelstelling van het projectplan gehandeld, maar tevens het bepaalde in artikel 16, tweede lid, BTS alsmede één van de hoofddoelstellingen van die regeling geschonden. Met verweerder acht het College een subsidieverlening van 30% van het oorspronkelijke bedrag een redelijke waardering van de gegeven omstandigheden.

5.4 Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M. van Ede