Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB5291

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(eerste enkelvoudige kamer)

AWB 07/617 18 september 2007

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Beschikking in de zaak van:

Biodent B.V., te Nijmegen, (hierna: Biodent), indienster van een beroepschrift tegen een brief van de secretaris van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gedateerd 4 december 2006, met het kenmerk vdS/bh/

gemachtigde: A, te B.

1. De procedure

Bij brief, gedateerd 4 december 2006, heeft de secretaris van de raad van tucht Biodent het volgende bericht.

“ Betreft: klacht Biodent B.V./C RA

klacht Biodent BV/D AA

Bij beslissing van de Raad van Tucht van 25 januari 2005 heeft de Raad van Tucht beslist op klachten van Biodent B.V. tegen de heren C RA en D AA (resp. R461 + A256). De klachten van Biodent werden ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de genoemde beslissing van de Raad van Tucht ten aanzien van beide accountants bekrachtigd.

(….)

Bij uw brief van 23 november jl. klaagt Biodent (opnieuw) over het gedrag van de heer C RA. Ook die klacht leg ik terzijde, omdat zij, naar ik moet aannemen, niet ontvankelijk zal worden verklaard door de Raad van Tucht omdat ook hier geldt dat iemand niet twee maal terzake van hetzelfde feitencomplex kan worden vervolgd.

Ik heb het complete dossier voorgelegd aan de voorzitter van de Raad van Tucht en hij deelt mijn mening in deze.”

.

Bij een op 7 december 2006 ingediend beroepschrift heeft Biodent onder meer tegen de brief van 4 december 2006 beroep bij het College ingesteld.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Titel IV van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) luidde, voor zover hier van belang, ten tijde van het instellen van het beroep als volgt:

“Artikel 39.- Aan de behandeling en de beslissing van tuchtzaken in de zin van deze wet wordt op straffe van nietigheid van de beslissing deelgenomen door drie of vijf leden van de raad van tucht, onder wie de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 40. – 1. De raad van tucht neemt een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar in behandeling hetzij op een bij die raad ingediende klacht, hetzij op het verzoek van het bestuur, hetzij ambtshalve.

(…)

Artikel 44. – 1. De beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar is op straffe van nietigheid met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken.

- 2. De raad van tucht zendt van zijn beslissing onverwijld bij aangetekende brief afschrift aan de betrokken registeraccountant, en, indien naar aanleiding van een klacht is beslist, aan de klager, alsmede aan het bestuur.

(…)

Artikel 52. – 1. Tegen een beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar kan binnen twee maanden na de dag van verzending van de in artikel 44, tweede lid bedoelde aangetekende brief beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven:

a. (…)

b. door de klager indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;

c. (…).

Artikel 54. - 1. Is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond dan kan, zonder dat een nader onderzoek door het College van Beroep vooor het bedrijfsleven vereist is, de voorzitter bij met redenen omklede bescikking het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren. (…)”.

2.2 De voorzitter is van oordeel dat de brief van 4 december 2006, waartegen het beroep van Biodent zich richt, geen enkel kenmerk vertoont van een beslissing van de raad van tucht als in de Wet RA beschreven en mitsdien ook niet als zodanig valt aan te merken. Evenmin kan aan de in de brief neergelegde beslissing anderszins het karakter van een (onvolkomen) beslissing van de raad van tucht worden toegekend. Dat de secretaris, naar hij heeft gesteld, in de brief van 4 december 2006, het complete dossier heeft voorgelegd aan de voorzitter van de raad van tucht en dat deze zijn mening deelde kan niet tot het oordeel leiden dat het besluit tot ter zijde legging van de klacht aan de raad van tucht kan worden toegerekend. De voorzitter wijst er hierbij op dat de Wet RA niet voorziet in een mogelijkheid voor de voorzitter van de raad van tucht om ten aanzien van een bij die raad ingekomen klacht te beslissen, ook niet wanneer die klacht kennelijk ongegrond is.

Tegen de brief van 4 december 2006 stond gezien het vorenstaande geen beroep open bij het College. Het beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk zodat de voorzitter met toepassing van artikel 54, eerste lid, Wet RA hierop kan beslissen.

De voorzitter van het College gaat er van uit dat de secretaris van de raad van tucht, aan wie deze beschikking zal worden toegezonden, de brief van Biodent van 23 november 2006, indien en voorzover daarin een klacht is vervat, aan de raad van tucht zal voorleggen opdat die raad, met inachtneming van de desbetreffende wettelijke bepalingen, daarop zal beslissen op de wijze die hem geraden voorkomt.

2.3 Na te melden beslissing op het beroep berust op de hogervermelde voorschriften van de Wet RA.

4. De beslissing

De voorzitter van het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. P. Beishuizen