Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB4254

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/669
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/669 20 september 2007

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te ’s-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 26 juni 2006, met kenmerk 1163/05.36.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 30 juni 2006, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 8 augustus 2005 door appellante ingediend tegen C RA, kantoorhoudende te D (hierna: betrokkene).

Bij een op 28 augustus 2006 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 29 september 2006 stukken als bedoeld in het in titel II opgenomen artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 3 november 2006 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

Op 28 juni 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar waren aanwezig appellante, bijgestaan door E, en betrokkene.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht van appellante ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Met betrekking tot de grief van appellante ten aanzien van de weergave van de klacht, waarin appellant – kort gezegd – betoogt dat de raad van tucht onder 3.2 van de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte stelt dat de klacht alleen ziet op de totstandkoming van het Aanhangsel bij de intentieverklaring, is het College van oordeel dat deze grief uitgaat van een onjuiste lezing van de bestreden tuchtbeslissing, zodat zij faalt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

De raad van tucht heeft, in aanmerking genomen dat partijen met het aangaan van het compromis in de vorm van het Aanhangsel bij de Intentieverklaring de overdracht van kantoor F definitief wilden regelen, terecht overwogen dat de klacht in de kern het verwijt behelst dat betrokkene een bedrieglijke voorstelling van zaken heeft gegeven die appellante ertoe heeft gebracht dit compromis aan te gaan. Voorts heeft de raad van tucht onder 3.2 van de bestreden tuchtbeslissing met de toelichting van appellante op de klacht blijk gegeven de klacht ruim op te vatten.

3.2 Met betrekking tot de grieven van appellante gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel A en B door de raad van tucht overweegt het College als volgt.

3.2.1 In aanvulling op en deels ter verduidelijking van de reeds door de raad van tucht vastgestelde feiten wijst het College op de volgende voor hem vaststaande feiten. Het College stelt voorop dat beide klachtonderdelen moeten worden bezien in het licht van de onderhandelingen tussen appellante en betrokkene over de (ver)koop van kantoor F na het overlijden van de heer F op 2 januari 2005.

Niet in geschil is dat in 2003 op initiatief van F met betrokkene is gesproken over samenwerking van hun beide kantoren en dat betrokkene appellante na het overlijden van F bij brief van 5 januari 2005 heeft aangeboden kantoor F waar te nemen en zich bereid heeft verklaard door te gaan met de eerdere besprekingen. Vervolgens is medio januari 2005 namens appellante door haar adviseur E contact opgenomen met betrokkene in verband met een overdracht van kantoor F aan betrokkene, waartoe op 19 januari 2005 een bespreking heeft plaatsgehad tussen appellante, bijgestaan door E, en betrokkene. Betrokkene heeft naar aanleiding hiervan op 24 januari 2005 een concept-Intentieverklaring opgesteld. Betrokkene heeft voorts onweersproken gesteld dat appellante ook met andere partijen in gesprek is geweest over de overdracht van kantoor F. Eveneens staat vast dat E daartoe opnieuw contact met betrokkene heeft gezocht over de overdracht van het kantoor aan betrokkene. Uit een op 31 januari 2005 gedateerd stuk, waarin E zijn bevindingen heeft neergelegd van een globaal onderzoek ingesteld naar de gegevens die relevant zijn voor een overname, blijkt dat bij diverse klanten van kantoor F sprake was van een forse achterstand. Vervolgens heeft op 3 februari 2005 een bespreking plaatsgehad over de overname tussen appellante, bijgestaan door E, en betrokkene. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat E hem tijdens deze bespreking desgevraagd heeft meegedeeld dat de hele casus was voorgelegd aan een lid van een accountantsmaatschap waar appellante en E een goede band mee hadden. Op 3 februari 2005 is de Intentieverklaring tot overdracht van kantoor F ondertekend.

Het College stelt vervolgens vast dat uit een door betrokkene opgestelde besprekingsnotitie van 28 februari 2005 blijkt dat tussen betrokkene en E is gesproken over de bevoorschottingsproblematiek. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt het College deze problematiek aldus dat F op voorschotbasis werkzaamheden heeft verricht die nog niet zijn afgerond en die betrokkene moet afmaken. Betrokkene moet daarvoor kosten maken. Betrokkene heeft in dit verband gewezen op twee door E opgestelde lijsten met cliënten van kantoor F, waarin E de achterstanden heeft geïnventariseerd.

Vaststaat voorts dat E betrokkene bij brief van 6 maart 2005 heeft meegedeeld dat appellante niet bereid is tot enige betaling of tot overleg inzake klantendossiers, dat zij bereid is te onderhandelen over een definitieve overeenkomst waarbij haar belangen voldoende worden gewaarborgd en dat een en ander in elk geval zal worden getoetst door externe deskundigen. Bij brief van 8 maart 2005 heeft een advocaat betrokkene meegedeeld dat appellante hem heeft gevraagd haar belangen te behartigen en heeft de advocaat een bespreking voorgesteld waarbij partijen trachten tot een definitieve regeling te komen. Op 14 maart 2005 heeft een bespreking plaatsgehad tussen enerzijds appellante, bijgestaan door E, haar advocaat en G, werkzaam bij een accountants- en belastingsadvieskantoor, en anderzijds betrokkene en een kantoorgenoot. Uit een aan de advocaat van betrokkene en E geadresseerde en van betrokkene afkomstige notitie van 21 maart 2005 blijkt dat E en betrokkene op 19 maart 2005 de mogelijke facturering door de erven F hebben afgestemd. Naar aanleiding van evenbedoelde bespreking is door partijen op 23 maart 2005 een Aanhangsel bij de Intentieverklaring getekend.

3.2.2 Uit het voorgaande volgt dat betrokkene het initiatief telkens aan appellante heeft gelaten. Voorts heeft appellante van aanvang af zich ervan verzekerd dat zij werd bijgestaan door terzake deskundigen. Dat, zoals appellante betoogt, E geen deskundige is op het gebied van bedrijfsovernames leidt het College niet tot een ander oordeel, aangezien appellante voorafgaand aan de ondertekening van de Intentieverklaring op 4 februari 2005 de hele casus had voorgelegd aan een lid van een accountantsmaatschap en voorafgaand aan de ondertekening van het Aanhangsel bij de Intentieverklaring op 23 maart 2005 de zaak is doorgesproken met een advocaat en G. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd dan ook geen aanknopingspunt voor de conclusie dat betrokkene appellante heeft overgehaald de activiteiten van F aan betrokkene over te dragen zonder dat betrokkene rekening heeft gehouden met de belangen van appellante.

Anders dan appellante betoogt in haar grief ten aanzien van klachtonderdeel A, heeft de raad van tucht wel een oordeel gegeven over dit klachtonderdeel door ten aanzien van de gang van zaken – hiervoor door het College geschetst – tijdens het overname proces in § 5.4 van zijn beslissing te oordelen dat niet is gebleken dat betrokkene zich tijdens dit overnameproces heeft opgesteld op een wijze die schadelijk is voor de eer van de stand der registeraccountants. Deze grief faalt dan ook.

3.2.3 Het College is voorts met de raad van tucht van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene in het onderhandelingsproces dat heeft geleid tot de ondertekening van het Aanhangsel bij de Intentieverklaring bewust gegevens heeft achtergehouden die hij had behoren mee te delen of de zaken onjuist heeft voorgesteld. Appellante betoogt weliswaar terecht dat de aan betrokkene overgedragen bestanden niet enkel saldibalansen bevatten, maar het College volgt appellante niet in haar betoog dat deze bestanden een ander licht werpen op eerdere ramingen van betrokkene, omdat deze bestanden volgens appellante gegevens zouden bevatten waarmee met geringe inspanning jaarrekeningen konden worden opgesteld. Betrokkene heeft immers gemotiveerd uiteengezet dat en waarom ondanks door F geleverd voorwerk niettemin achterstanden bestonden en aanvullende werkzaamheden moesten worden verricht. In dit verband is mede van belang dat, zoals de raad van tucht terecht heeft overwogen, betrokkene als opvolger van F het tot zijn taak behoorde te rekenen de aangeleverde gegevens van F te verifiëren alvorens daarop verder te bouwen. Als registeraccountant dient betrokkene immers een deugdelijke grondslag voor zijn mededelingen te hebben. De raad van tucht heeft dan ook met juistheid overwogen dat hierdoor aannemelijk wordt dat deze kosten als last op de overname drukten. Het College stelt vervolgens vast dat tussen partijen afstemming heeft plaatsgehad over de voorschotposities, zodat geen grond bestaat voor de conclusie dat betrokkene zijn raming van € 30.000,-- niet heeft onderbouwd. Dat, zoals appellante betoogt, deze afstemming heeft plaatsgehad voordat E computerbestanden terzake van belastingaangiften van F had aangetroffen en derhalve zou zijn uitgegaan van onvolledige informatie maakt het voorgaande niet anders. Betrokkene heeft immers verklaard eerst van (de inhoud van) deze bestanden op de hoogte te zijn geraakt nadat E hem daarop heeft gewezen. Het College acht deze verklaring niet onaannemelijk, waarbij het in aanmerking heeft genomen dat betrokkene gemotiveerd heeft uiteengezet dat deze bestanden op een voor hem onverwachte plaats stonden en tevens een voor dergelijke bestanden onverwacht format hadden, terwijl het totaal aan overgedragen bestanden aanzienlijk was. Ter zitting van het College heeft E verklaard dat het ging om tienduizenden mappen en bestanden.

3.2.4 Uit het voorgaande volgt dat de raad van tucht klachtonderdelen A en B terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de hiertegen gerichte grieven niet slagen.

3.3 Appellante heeft voorts betoogd dat de raad van tucht heeft miskend dat zij betrokkene tevens de verwijten maakt dat betrokkene in strijd met artikel 5 van de ten tijde hier van belang geldende Verordening Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) in al zijn uitingen zijn fouten steeds tracht te verhullen en stelselmatig probeert zijn optreden goed te praten en in strijd met artikel 10 GBR-1994 zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Het College stelt vast dat niet in geschil is dat deze verwijten niet in het klaagschrift van appellante van 8 augustus 2005 zijn vermeld. Voorts volgt het College appellante niet in haar betoog dat zij deze verwijten bij haar repliek van 18 november 2005 naar voren heeft gebracht. In haar repliek stelt appellante weliswaar dat zij het kwalijk vindt dat betrokkene zich ongenuanceerde uitlatingen permitteert en bovendien zijn geheimhoudingsplicht schendt, waarmee hij volgens appellante bewijst dat hij ernstige problemen heeft met het naleven van zijn beroepsregels, maar een en ander moet, gezien de context en de ondergeschikte wijze in het geheel van stellingen en argumenten van appellante, veeleer als reactie worden beschouwd op de brief van betrokkene van 19 september 2005 dan als een afzonderlijk verwijt. Hieruit volgt dat de raad van tucht evenbedoelde verwijten derhalve terecht niet in zijn beoordeling van de klachten van appellante heeft betrokken.

Voorzover appellante hierover in beroep bij het College heeft willen klagen moet worden geoordeeld dat ingevolge vaste rechtspraak van het College een klacht niet eerst in beroep bij het College kan worden uitgebreid.

3.4 Ten slotte volgt het College appellante niet in haar betoog dat de raad van tucht op grond van artikel 40 Wet RA ambtshalve het bezwaar tegen betrokkene in behandeling had moeten nemen dat betrokkene artikel 19 GBR-1994 heeft geschonden. Het College stelt vast dat de in artikel 40 Wet RA neergelegde bevoegdheid om ambtshalve een bezwaar tegen een registeraccountant in behandeling te nemen een discretionaire bevoegdheid is van de raad van tucht. In hetgeen appellante en betrokkene bij de raad van tucht naar voren hebben gebracht ziet het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de raad van tucht deze bevoegdheid ten onrechte niet heeft uitgeoefend.

3.5 Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat het beroep moet worden verworpen.

Deze beslissing berust op titel II Wet RA en artikel 5 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. C.M. Wolters en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 september 2007.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Venekamp

1163/05.36

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A

wonende te B

klaagster

C O N T R A:

C RA

kantoorhoudende te D

verweerder.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken te weten de klacht van 8 augustus 2005, het verweer van 19 september 2005 aangevuld per fax van 21 september 2005, de repliek van 18 november 2005 en de dupliek van 18 januari 2006.

1.2 De zaak is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2006, waarbij klaagster en verweerder zijn verschenen. Klaagster is bijgestaan door haar adviseur E.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Wijlen klaagsters echtgenoot F is zelfstandig gevestigd geweest te B als fiscaal juridisch adviseur onder de naam Fiscaal Juridisch Adviesbureau F. De heer F is overleden op 2 januari 2005.

2.2 Naar aanleiding van een brief van verweerder aan klaagster van 5 januari 2005 is in januari 2005 overleg gevoerd tussen verweerder enerzijds en klaagster en haar adviseur E anderzijds, dat is uitgemond in ondertekening op 3 februari 2005 van een intentieverklaring tot overdracht van Fiscaal Juridisch Adviesbureau F, hierna: de Intentieverklaring.

2.3 De Intentieverklaring strekt tot oprichting van een nieuwe vennootschap, waarin de praktijk van de heer F wordt ingebracht en voortgezet onder overname van het personeel, een en ander per 7 februari 2005.

2.4 In de loop van februari/maart 2005 is tussen klaagster en verweerder geschil ontstaan betreffende de uitvoering van de Intentieverklaring.

2.5 Bij brief van 6 maart 2005 heeft E aan verweerder geschreven dat klaagster niet bereid was tot enige betaling of tot overleg inzake klantendossiers, alsmede dat zij bereid was te onderhandelen over een definitieve overeenkomst waarbij haar belangen voldoende zouden worden gewaarborgd.

2.6 Op 8 maart 2005 heeft klaagster een advocaat, G te H, geïnstrueerd haar belangen te behartigen.

2.7 Op 14 maart 2005 is tussen klaagster, G, E en de heer I enerzijds en verweerder en zijn kantoorgenoot J RA anderzijds een bespreking gevoerd ten kantore van G. Naar aanleiding van de bespreking is op 23 maart 2005 een “Aanhangsel” getekend, behorend bij de Intentieverklaring. Het Aanhangsel behelst onder meer dat klaagster in verband met door verweerder c.s. verrichte en te verrichten werkzaamheden voor zogenoemde voorschotklanten, die vooruit hadden betaald, een bedrag van € 30.000,00 zonder BTW in drie termijnen aan verweerder c.s. zal voldoen.

2.8 Klaagster heeft ter uitvoering van het Aanhangsel twee deelbetalingen verricht. De derde termijn van € 10.000,00 heeft klaagster niet betaald. Bij brief van 25 mei 2005 heeft klaagster aan verweerder uiteengezet waarom zij de betaling van de derde termijn tot nader order zou opschorten.

2.9 Bij brief van 27 mei 2005 heeft verweerder op klaagsters brief van 25 mei 2005 gereageerd, waarna partijen verder met elkaar hebben gecorrespondeerd.

2.10 Verweerder c.s. heeft een incassoprocedure gestart teneinde betaling van de derde termijn te verkrijgen.

3. KLACHT

3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:

A. verweerder heeft gehandeld in strijd met de beroepsregels, met name voor wat betreft onpartijdigheid en onafhankelijkheid door klaagster over te halen de activiteiten van haar man aan verweerder over te dragen zonder dat verweerder rekening heeft gehouden met klaagsters belangen;

B. verweerder heeft klaagster misleid door onjuiste uitspraken te doen over door hem voor overgenomen klanten nog te verrichten werk, met het doel klaagster tot betaling te verplichten van gelden die verweerder niet toekomen.

3.2 In de toelichting op de klacht heeft klaagster onder meer het volgende gesteld.

Bij de totstandkoming van de Intentieverklaring is klaagster verweerder c.s. reeds ver tegemoet gekomen. Zij zou aanvankelijk een dividendrecht van € 10.000,00 per jaar krijgen op voorwaarde dat de vennootschap deze winst ten minste zou realiseren. Naar aanleiding van een onderzoek van E, waarin was vastgesteld dat klaagsters echtgenoot voorschotten verrekende met de definitieve declaraties en dat de voorschotposities nogal uiteen liepen, stelde verweerder zich op het standpunt dat “voorschotklanten” zonder meer bediend zouden worden en dat klaagster die kosten zou vergoeden. De risico’s werden op klaagster afgewenteld en verweerder wenste hiervoor geen ondernemersrisico te dragen. Na onderhandeling door klaagsters advocaat was verweerder bereid ter zake van de “voorschotklanten” met een bedrag van € 30.000,00 genoegen te nemen. Op advies van haar advocaat is klaagster daarmee akkoord gegaan. Later is E op bestanden gestuit die een ander licht werpen op de eerdere ramingen van verweerder. De bestanden bevatten gegevens, waarmee met geringe inspanning jaarrekeningen konden worden opgesteld. De producten die klaagsters echtgenoot had vervaardigd kon verweerder zonder meer gebruiken. Verweerder wist dat bij het maken van de afspraak aangaande de “voorschotklanten” en heeft desondanks vastgehouden aan zijn buitensporige begroting en derhalve bewust klaagster en haar advocaat misleid.

4. VERWEER

Verweerder heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1 In 2003 heeft F zich bij verweerders kantoor vervoegd teneinde een deel van zijn praktijk over te dragen. In overleg is een concept koop- en leveringsovereenkomst opgesteld. Na nader beraad deelde F mee dat hij nog niet toe was aan de te zetten stap. Verweerder is afwachtend geweest totdat F op 2 januari 2005 is overleden.

4.2 Bij brief van 5 januari 2005 heeft verweerder aan klaagster aangeboden desgewenst in verschillende vormen ondersteuning te bieden. Onder meer is waarneming aangeboden, waarvan klaagster geen gebruik heeft gemaakt.

4.3 Namens klaagster zijn door E besprekingen gevoerd met verweerder. Op 3 februari 2005 is, tijdens een bespreking met E en klaagster, de Intentieverklaring getekend. E heeft toen bevestigd dat de voorgenomen afspraken waren voorgelegd aan een lid van een accountantsmaatschap waar klaagster en E een goede band mee hadden.

4.4 In de weken na 7 februari 2005 is overlegd met onder meer E over de overdracht van declaratie-informatie en wat daar bij hoort. Toen bleek hoe veel vooruit betaald achterstallig werk nog moest worden gedaan.

4.5 In maart 2005 deelde de adviseur van klaagster mee dat zij niet wilde meewerken aan effectuering van de afspraken. In de bespreking van 14 maart 2005 met klaagster, haar advocaat, de heer E en de heer I enerzijds en verweerder en J RA anderzijds is uitvoerig aan de orde geweest welke alternatieven openstonden voor de oplossing van het vraagstuk van bevoorschotting. Uiteindelijk is op 23 maart 2005 een compromis bereikt, vervat in het Aanhangsel bij de Intentieverklaring.

4.6 Klaagster heeft de eerste twee deelbetalingen per 1 april 2005 en per 1 mei 2005 - tijdig - voldaan. Bij brief van 25 mei 2005 deelde zij mee de derde termijn tot nader order op te schorten.

4.7 Verweerder heeft op geen enkele wijze druk uitgeoefend op klaagster om met welk voorstel dan ook akkoord te gaan. Klaagster is steeds door haar adviseurs bijgestaan.

4.8 Verweerder is nimmer op de hoogte geweest van een zogenaamde geringe inspanning om de jaarrekeningen en dergelijke voor de “voorschotklanten” te produceren. Verweerder heeft zich bij de acceptatie van het Aanhangsel moeten baseren op summiere informatie, hem aangereikt door de heren E en G. Verweerder heeft het voorstel met tegenzin geaccepteerd.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 In de kern behelst de klacht het verwijt dat verweerder een bedrieglijke voorstelling van zaken heeft gegeven, die klaagster ertoe heeft gebracht in maart 2005 het compromis aan te gaan in de vorm van het Aanhangsel bij de Intentieverklaring. Blijkens de toelichting heeft klaagster gedoeld op de omstandigheid dat verweerder in verband met de overdracht van de onderneming van de heer F de beschikking had verkregen over bestanden van de overgenomen cliënten, die verweerder in staat stelden zonder noemenswaardige werkzaamheden het (jaar)werk voor de overgenomen klanten af te maken, zulks in tegenstelling tot hetgeen verweerder bij de onderhandelingen over het compromis te kennen had gegeven.

Het compromis behelsde dat klaagster afzag van haar oorspronkelijk overeengekomen recht op voorwaardelijk, van het behalen van winst afhankelijk, dividend en dat zij in verband met werk dat verweerder c.s. had verzet en zou gaan verzetten voor de zogenaamde voorschotklanten een bedrag van € 30.000,00 excl. BTW aan verweerder c.s. zou voldoen in plaats van hetgeen, door verweerder per klant berekend, door haar zou worden vergoed.

5.2 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aan verweerder c.s. ter beschikking gekomen bestanden enkel saldibalansen bevatten. Blijkbaar was de heer F in de uitvoering van de werkzaamheden voor zijn klanten niet verder gekomen dan het invoeren van die saldibalansen. Dit is bovendien aannemelijk, wanneer in ogenschouw wordt genomen dat de heer F, die in 2004 al veel ziek is geweest, begin januari 2005 is overleden, toen vele betrokken boekjaren nog maar juist voltooid waren.

Een en ander betekent dat verweerder c.s. qua jaarwerk en fiscale aangiften nog veel werk moest verrichten. Daar komt bij dat verweerder als opvolger van de heer F het tot zijn taak behoorde te rekenen de aangeleverde gegevens te verifiëren alvorens daarop verder te bouwen. De kosten hiervan konden, zoals de gemachtigde van klaagster heeft erkend, niet op de klanten worden afgewenteld. Daardoor wordt aannemelijk dat deze kosten als last op de overname drukten.

5.3 Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder in het onderhandelingsproces dat heeft geleid tot de ondertekening van het Aanhangsel bewust gegevens heeft achtergehouden die hij had behoren mee te delen of de zaken onjuist heeft voorgesteld.

De Raad acht voorts niet aannemelijk dat, indien klaagster en verweerder zich tijdens het onderhandelingsproces rekenschap hadden gegeven van de overgedragen bestanden, waaronder enkele pas later, op een voor verweerder onverwachte plaats, gevonden bestanden waarin het voorwerk was opgeslagen voor enkele belastingaangiften, dit tot een veel andere uitkomst van de onderhandelingen zou hebben geleid. In dit verband acht de Raad mede van belang dat klaagster zich in die fase van het proces door adviseurs, waaronder een advocaat, heeft laten bijstaan.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerder zich in het onderhandelingsproces, leidend tot de totstandkoming van het Aanhangsel, heeft gedragen op een wijze die schadelijk is voor de eer van de stand der registeraccountants. Ook overigens is dat ten aanzien van de wijze waarop verweerder zich in het overnameproces heeft opgesteld niet gebleken.

De klacht is derhalve ongegrond.

5.5 De hierna vermelde uitspraak berust op artikel 33 Wet op de Registeraccountants en artikel 5 GBR-1994.

6. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart de klacht ongegrond;

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, voorzitter, drs. H. den Boer RA en C.Chr. Doolhoff RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2006 door mr. Koning voornoemd.

secretaris voorzitter