Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB4252

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/166
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(viijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/166 20 september 2007

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft verweerder appellante bericht dat uit dossieronderzoek is gebleken dat haar bedrijf niet voldoet aan de in (artikel 9 van) het Besluit hardheids-gevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv) gestelde voorwaarde dat er voor 10 juli 1997 een aanvraag voor een milieuvergunning is ingediend "ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens", omdat het aangevraagde aantal varkens niet groter is dan het aantal varkens dat appellante op grond van de voordien geldende milieuvergunning mocht houden. Appellante komt derhalve, anders dan in een haar reeds (op 23 december 1998) toegezonden overzicht bedrijfssituatie met volgnummer 4 was vermeld, op grond van het Bhv niet in aanmerking voor (voorwaardelijke) extra varkensrechten en zal binnenkort een gewijzigd bedrijfsoverzicht ontvangen, aldus dit besluit. In het besluit is voorts meegedeeld dat het feit dat appellantes bedrijf niet in aanmerking komt voor een hardheidscategorie rechtstreeks uit het Bhv voortvloeit, zodat tegen het besluit geen bezwaar (en beroep) mogelijk is.

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar van appellante, gedateerd 21 april 2006, niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet is ingediend binnen de termijn als bedoeld in de artikelen 6:6 en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is (artikel 6:11 Awb).

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 maart 2007, bij het College op die datum binnengekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft appellante het beroep aangevuld met gronden en een tweetal stukken overgelegd.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 13 september 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen zijn aldaar, overeenkomstig hun mededelingen van onderscheidenlijk 12 en 13 september 2007, niet verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Vaststaat dat het primaire besluit is genomen op 21 juli 2000 en dat appellante daartegen bij brief van 21 april 2006 bezwaar heeft gemaakt, derhalve - ruimschoots - buiten de termijn als bedoeld in artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:8 van de Awb.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2 Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij pas op 10 april 2006 - in het kader van een tegen haar ingestelde strafrechtelijke vervolging - kennis heeft genomen van het besluit van 21 juli 2000, dat appellante op die datum is toegezonden.

Bovendien stelt verweerder dat hij appellante na het nemen en verzenden van het primaire besluit diverse malen overzichten van haar bedrijfssituatie heeft gezonden, waaruit telkens bleek over hoeveel varkensrechten zij beschikte, en dat appellante (ook) uit die overzichten had kunnen afleiden dat zij niet in aanmerking was gekomen voor extra (voorwaardelijke) varkensrechten op grond van het Bhv. Verweerder wijst er tevens op dat appellante zich op 31 oktober 2000 heeft aangemeld voor een ander hardheidsgeval, hetgeen waarschijnlijk niet zou zijn gebeurd als zij er destijds (nog) vanuit ging dat zij in aanmerking kwam voor extra varkensrechten op grond van hardheidsgeval 3, alsmede op een brief van appellante van 29 maart 2004 aan verweerder waaruit blijkt dat zij er op dat moment van op de hoogte was dat zij niet in aanmerking kwam voor een hardheidsgeval en slechts over 860 - onvoorwaardelijke - varkensrechten beschikte.

Verweerder concludeert dat de termijnoverschrijding derhalve niet verschoonbaar is en het bezwaar dan ook terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk is verklaard.

2.3 Appellante betoogt dat de overschrijding van de bezwaartermijn wel verschoonbaar is en stelt in dit verband allereerst dat verweerder zich ten tijde van het (nemen van het) primaire besluit nog op het standpunt stelde dat geen sprake was van een besluit. Reeds om die reden kan appellante naar haar opvatting niet worden verweten dat zij in 2000 geen bezwaar heeft gemaakt, nog daargelaten dat appellante het besluit van 21 juli 2000

destijds niet heeft ontvangen. De uitspraak van het College van 19 juni 2001 in de zaak D (AWB 00/581, LJN AB2221), waarin is geoordeeld dat mededelingen van verweerder in verband met toepassing van het Bhv wel een besluit behelsden, wierp een ander licht op de zaak.

Naar de opvatting van appellante heeft zij zo spoedig mogelijk, namelijk binnen 14 dagen nadat zij - op de strafzitting van 10 april 2006 - op de hoogte kwam van het primaire besluit, bezwaar gemaakt. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de arresten van de Hoge Raad van 16 mei 1986 (E/F, NJ 1986, 723) en 11 november 1988 (Ekro/Staat, NJ 1990, 563).

2.4 Naar het oordeel van het College faalt het betoog van appellante, waartoe als volgt wordt overwogen.

Weliswaar kan appellante gelet op de ten tijde van het primaire besluit door verweerder gehuldigde opvatting dat een reactie op een Bhv-melding geen besluit is, welke opvatting ook in dat besluit is neergelegd, niet worden verweten dat zij daartegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar dit kan niet leiden tot de slotsom dat het pas bij brief van 21 april 2006 gemaakte bezwaar verschoonbaar te laat is.

Kernvraag van het onderhavige geschil is of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante met het aldus ingediende bezwaar niet in verzuim is geweest. Daarvoor is beslissend of appellante - zoals zij stelt - niet eerder dan op 10 april 2006 op de hoogte was en kon zijn van het feit dat de aanvankelijk op grond van het Bhv aan haar toegekende en voor haar geregistreerde voorwaardelijke varkensrechten ongedaan zijn gemaakt.

Naar het oordeel van het College heeft appellante de juistheid van die stelling niet aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt.

Hiertoe is allereerst van belang dat verweerder aan de hand van de door hem bij het verweerschrift gevoegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan appellante na de uitspraak van het College in de zaak Georgius, waardoor duidelijk was dat een mededeling met betrekking tot de toepassing van het Bhv een besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt, (nog) vier overzichten van haar bedrijfssituatie zijn gezonden.

In deze overzichten was - uitsluitend - sprake van 860 verhandelbare varkensrechten en niet langer van (343) voorwaardelijke rechten. Uit elk van die bedrijfsoverzichten had het appellante duidelijk kunnen en moeten zijn dat de aanvankelijk wel voor haar berekende en geregistreerde voorwaardelijke varkensrechten ongedaan waren gemaakt. Niet aannemelijk is dat niet één van de bedrijfsoverzichten appellante zou hebben bereikt.

Hierbij komt dat appellante zich bij brief van 29 maart 2004 rechtstreeks tot verweerder heeft gewend en daarbij - onder meer - heeft gewezen op het feit dat aan haar 866 (waarvoor het College leest 860) varkensrechten zijn toegewezen en dat haar (na jaren van bezwaar maken) "vorig jaar" (derhalve in 2003, opm. CBb) door Bureau Heffingen (thans Dienst Regelingen) duidelijk is gemaakt dat zij niet in aanmerking komt voor extra varkensrechten, omdat het aantal dieren niet is uitgebreid in de nieuwe vergunning.

Reeds door niet bij verweerder te informeren naar de reden van het niet (langer) vermelden van de voorwaardelijke fokzeugenrechten in (één van) de na 19 juni 2001 verzonden bedrijfsoverzichten en vervolgens daartegen te ageren, heeft appellante niet zo spoedig als redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht bezwaar gemaakt.

Voorts staat gelet op de brief van 29 maart 2004 vast dat aan appellante op enig moment in 2003 door het toenmalige Bureau Heffingen is meegedeeld dat en op welke grond zij niet voor extra voorwaardelijke varkensrechten op grond van hardheidsgeval 3 in aanmerking komt en eveneens dat zij ook niet zo spoedig mogelijk nadien daartegen een rechtsmiddel heeft aangewend.

De conclusie van het vorenstaande is dat appellante niet zo spoedig als van haar mocht worden verwacht bezwaar heeft gemaakt en dat derhalve niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

2.5 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 september 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining