Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB4147

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/530
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2007/75 met annotatie van Red.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 07/530 3 augustus 2007

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. T.C. Topp en ir. P. Bonnier, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 25 april 2007 heeft verweerder verzoekster tot 20 juni 2007 in de gelegenheid gesteld haar niet gemerkte schapen te merken en haar tevens te kennen gegeven dat indien hieraan vanaf 20 juni 2007 niet is voldaan, verweerder op kosten van verzoekster maatregelen zal treffen om het handelen in strijd met de Regeling identificatie en registratie van dieren (verder te noemen: Regeling I&R) ongedaan te maken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 juni 2007 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 20 juli 2007, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het besluit van 25 april 2007.

Verweerder heeft bij brief van 24 juli 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken en bij brief van 27 juli 2007 een reactie op het verzoek ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 31 juli 2007. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door genoemde gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge de artikelen 4 en 17 van Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautair handelsverkeer in schapen en geiten (hierna: richtlijn 91/68/EEG) rustte op de lidstaten de verplichting uiterlijk op 31 december 1992 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden met betrekking tot de identificatie en registratie van schapen en geiten. In artikel 4, eerste lid, van richtlijn 91/68/EEG is voor de daarbij van toepassing zijnde eisen verwezen naar artikel 3, eerste lid onder c), van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (hierna: richtlijn 90/425/EEG). Ingevolge laatstgenoemd artikelonderdeel zien de lidstaten erop toe dat uitsluitend voor het handelsverkeer mogen worden bestemd dieren en producten, die enerzijds overeenkomstig de vereisten van de communautaire voorschriften zijn geïdentificeerd en anderzijds zijn geregistreerd zodat het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong of tijdelijk verblijf is terug te vinden.

Bij Richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (hierna: richtlijn 92/102/EEG) is - in artikel 5, tweede lid - ten aanzien van runderen de verplichting ingevoerd deze te voorzien van een oormerk met een cijfer- en lettercode waarmee ieder dier afzonderlijk, alsmede het bedrijf waarop het dier geboren is geïdentificeerd kunnen worden. In artikel 5, derde lid, van deze richtlijn is bepaald dat de lidstaten in afwijking van artikel 3, eerste lid en onder c), van richtlijn 90/425/EEG, tweede alinea, en in afwachting van een nader besluit als bedoeld in artikel 10 voor andere dieren dan runderen hun nationale systeem kunnen handhaven voor alle verplaatsingen op hun grondgebied, met welk systeem het mogelijk moet zijn het bedrijf van herkomst te identificeren en het bedrijf waar het dier geboren is op te sporen.

Bij Verordening (EG) nr. 1760/2000 (hierna: verordening 1760/2000) van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 is (onder meer) bepaald dat alle runderen die na 31 december 1997 op een bedrijf worden geboren of na die datum worden bestemd voor het intracommunautair handelsverkeer, geïdentificeerd worden met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor.

In de considerans van verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor onder meer schapen (hierna: verordening 21/2004) is - onder (3) - gesteld dat bij de MKZ-crisis is gebleken dat ten aanzien van schapen en geiten de uitvoering van richtlijn 92/102/EEG niet voldoet en verbeterd moet worden en dat om die reden stringentere en meer specifieke voorschriften moeten worden vastgesteld, zulks naar het voorbeeld van verordening 1760/2000.

Voorts wordt aan de considerans van verordening 21/2004 het volgende ontleend:

" (12) Om alle verplaatsingen van schapen en geiten traceerbaar te maken, moeten de dieren naar behoren geïdentificeerd worden en moet elke verplaatsing van die dieren kunnen worden nagegaan.

(…)

(15) Met het oog op een snelle en accurate tracering van dieren dient elke lidstaat een geautomatiseerd gegevensbestand op te zetten waarin alle bedrijven op het grondgebied van de lidstaat en alle verplaatsingen van de dieren worden opgenomen."

Verordening 21/2004 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1

1. Elke lidstaat stelt overeenkomstig deze verordening een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten vast.

(…)

Artikel 3

1. De identificatie- en registratieregeling voor dieren omvat de volgende elementen:

a) identificatiemiddelen om elk afzonderlijk dier te identificeren;

b) bijgewerkte registers op elk bedrijf;

c) verplaatsingsdocumenten;

d) een centraal register en/of geautomatiseerd gegevensbestand.

(…)

Artikel 4

1. Alle dieren op een bedrijf die na 9 juli 2005 zijn geboren, worden overeenkomstig lid 2 geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn die ingaat bij de geboorte van het dier, en in elk geval vóórdat het dier het geboortebedrijf verlaat. De termijn mag niet meer dan zes maanden bedragen.

(…)

2. De dieren worden geïdentificeerd:

a. door middel van een eerste identificatiemiddel dat voldoet aan de in de bijlage, deel A, punten 1 tot en met 3, vastgestelde voorschriften, en

b) door middel van een tweede identificatiemiddel dat door de bevoegde autoriteit is erkend en dat beantwoordt aan de in de bijlage, deel A, punt 4, genoemde technische kenmerken.

c) tot aan de in artikel 9, lid 3, vermelde datum mag dit tweede identificatiemiddel evenwel worden vervangen door het in de bijlage, deel A, punt 5, beschreven systeem, behalve bij dieren die aan het intracommunautaire handelsverkeer onderworpen zijn.

(…)

7. De identificatiemiddelen worden aan de bedrijven toegekend, gedistribueerd en bij dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze.

(…)

Artikel 12

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. (…)"

In onderdeel A onder 3. van de bijlage bij verordening 21/2004 is bepaald dat het in artikel 4, tweede lid en onder a), genoemde eerste identificatiemiddel een door de bevoegde autoriteit erkend oormerk is, dat aan nader omschreven kenmerken moet voldoen en dat in één oor wordt aangebracht. In onderdeel A onder 4. is onder meer bepaald dat het in

artikel 4, tweede lid en onder b), genoemde tweede identificatiemiddel kan zijn een zelfde oormerk als hiervoor genoemd, een tatoeage (behoudens voor dieren die aan het intracommunautaire handelsverkeer deelnemen) of een electronische transponder.

In onderdeel A onder 6 is nader uitgewerkt aan welke technische kenmerken een electronisch identificatiemiddel moet voldoen.

Bij op 9 juli 2005 in werking getreden wijziging van de Regeling I&R (Stcrt. 2005, nr. 127) is uitvoering gegeven aan het bepaalde in verordening 21/2004. Sinds de inwerkingtreding van bedoelde wijziging luidt de Regeling I&R voor zover hier van belang als volgt:

"Artikel 8

(…)

4. De identificatiemiddelen waarmee schapen en geiten die zijn geboren na 9 juli 2005 ingevolge artikel 4 van verordening 21/2004 worden gemerkt, zijn de identificatiemiddelen die voldoen aan deel A, onderdelen 3 en 4, van de bijlage bij verordening 21/2004 en, voor zover het in Nederland geboren schapen (…) betreft, aan de eisen van bijlage I, deel D (…)

5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op schapen (…) die zijn geboren voor of op 9 juli 2005.

6. Indien een schaap (…) is voorzien van twee merken, is het toegestaan dat één van deze twee merken een van de in bijlage I, deel D, onderdeel 8, afwijkende afmeting heeft. (…)

Artikel 34

1. Alle schapen (…) die op of voor 9 juli 2005 zijn geboren, zijn tenminste met één merk gemerkt.

2. In zoverre in afwijking van het eerste lid, worden schapen (…) die op of voor 9 juli 2005 op een bedrijf zijn geboren gemerkt binnen één maand na de geboorte of zoveel eerder als zij van het bedrijf worden afgevoerd.

3. De termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 21/2004, waarbinnen een schaap (…) moet zijn gemerkt, bedraagt voor het eerste merk één maand na de geboorte en voor het aanbrengen van het tweede merk zes maanden na de geboorte of zoveel eerder als het schaap (…) van het bedrijf wordt afgevoerd (…)

Artikel 39

Het is verboden dieren die niet overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd, te houden (…) "

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Op 8 januari 2007 heeft Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) onderzoek gedaan naar het aanwezig zijn van kadavers op terreinen en percelen achter de locatie X te B, het adres van verzoekster. In het dienaangaande opgemaakte rapport van 11 januari 2007 is het volgende neergelegd:

" Wij zagen op dit terrein en bijbehorende weilanden in totaal 3 rammen en 13 ooien, en derhalve in totaal 16 schapen aanwezig, zonder de vereiste merken als bedoeld in artikel 13, lid 1 onder c en artikel 34 van de Regeling I&R. (…)

15 schapen waren gelet op hun bouw en ontwikkeling kennelijk geboren voor 9 juli 2005 en hadden conform artikel 34 lid 1 voorzien dienen te zijn van tenminste 1 merk.

1 schaap betrof naar wij zagen aan bouw en ontwikkeling een schaap geboren in het voorjaar van 2006 en was derhalve ouder dan 6 maanden en had ingevolge artikel 34 lid 3 van de Regeling I&R voorzien dienen te zijn van 2 vereiste merken.

(…)

A werd in de gelegenheid gesteld als verdachte een verklaring af te leggen waarbij zij verklaarde:

" Ik ben hobby schapenhoudster, alle 16 schapen (…) verzorg ik zelf. Ik heb wel een UBN en ben dus geregistreerd als schapenhoudster. Alle aanwezige nog levende schappen zijn door mij niet voorzien van merken. Ik ben principieel tegen het aanbrengen van merken bij dieren tengevolge van de registratie drang van de mens. Ingevolge daarvan heb ik gekozen niet meer met deze schapen te fokken sinds enkele jaren. Het aanwezige lam geboren in 2006 is een ongelukje. (…)"

- Bij brief van 17 januari 2007 heeft verweerder verzoekster het volgende meegedeeld:

" Op maandag 8 januari 2007, hebben ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (…) een controle ingesteld op X te B en daar 16 ongemerkte schapen aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat u de houder bent van deze 16 schapen.

Alle op het bedrijf aanwezige schapen dienen te zijn voorzien van een merk. Het op een bedrijf aanwezig hebben van ongemerkte schapen is een overtreding van artikel 34, lid 1 en lid 3 van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

(…)

De regeling is ingesteld met het oogmerk van een snelle tracering van dieren in het kader van de bestrijding van besmettelijke dierziekten en zoönosen. Stricte naleving van de Regeling (…) is noodzakelijk teneinde deze besmettelijke dierziekten en zoönosen te voorkomen. (…)

Het bovenstaande is voor mij aanleiding om bij voortduring van deze overtredingen bestuursrechtelijk tegen u op te treden door bestuursdwang toe te passen, indien u niet aan onderstaande lastgeving voldoet.

Ik stel u in de gelegenheid tot donderdag 29 maart 2007 te voldoen aan de eisen van de Regeling. U dient alle voornoemde 16 schapen te voorzien van in de Regeling identificatie en registratie van dieren voorgeschreven merken.

Tot twee weken na verzenddatum van deze brief stel ik u in de gelegenheid om uw zienswijze op deze lastgeving mondeling of schriftelijk kenbaar te maken (…)."

- Vervolgens heeft verzoekster haar schriftelijke zienswijze ingediend, waarin zij haar liefde voor en haar verbondenheid met de schapen uiteen heeft gezet.

- Naar aanleiding van de brief van 17 januari 2007 heeft de AID op 2 april 2007 een controle verricht aan voornoemd adres. Blijkens het op 16 april 2007 opgemaakt rapport waren er ten tijde van deze controle twee rammen en 13 ooien (waarvan één geboren na 9 juli 2005) aanwezig, die geen van alle merken in de oren hadden.

- Verzoekster heeft op 13 april 2007 ten kantore van de AID te Meern onder meer gesteld dat zij het merken van schapen een verminking van de dieren vindt en zich bereid verklaard haar schapen op alternatieve wijze te identificeren en registreren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft samengevat weergegeven het volgende aangevoerd.

Verzoekster houdt thans 15 schapen. Sinds een halve eeuw voelt zij zich met hart en ziel verbonden met de schapen. Ten aanzien van het oormerken van schapen is zij altijd tegenstander en gewetensbezwaarde geweest.

Verzoekster vraagt zich af of het besluit bevoegd is genomen. Haar is niet bekend of de hoofdinspecteur van de AID bevoegd is om het onderhavige besluit te ondertekenen.

Voorts is verzoekster van mening dat verweerder naar een te vergaand middel grijpt.

In dit geval hadden minder vergaande oplossingen overwogen dienen te worden, zoals bijvoorbeeld het opstellen van een gewetensbezwaardenregeling in combinatie met een uitsterfbeleid, zoals dit wel met betrekking tot rundveehouders is gebeurd. In zoverre acht zij het bestreden besluit tevens in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien is gebleken dat de relevante regelgeving in beweging is en dat het inmiddels ook mogelijk is een maagbolus als identificatiemiddel te gebruiken. Verzoekster stelt dat het politieke debat en de ophanden zijnde wijzigingen van de regelgeving moet worden afgewacht alvorens over te gaan tot onomkeerbare handelingen als het oormerken van haar schapen.

Verzoekster wijst er op dat met het systeem van registratie en identificatie dat zij thans hanteert (de schapen dragen een penning waarin het op de oormerken vermelde nummer is geslagen en die nummers staan vermeld op een lijst die ter inzage ligt in de stal) de doelen, waarvoor de oormerken dienen, worden gewaarborgd. Bovendien komt dit systeem overeen met de gewetensbezwaardenregeling van verweerder voor rundveehouders. In geval van controle kunnen de dieren dus direct getraceerd worden.

Op deze manier is de voedselveiligheid niet in gevaar, waarbij van belang is dat het een kleine groep schapen betreft die volledig geïsoleerd leeft. Ter zitting heeft verzoekster in dit verband nog verduidelijkt dat zij sedert de oormerkverplichting niet meer fokt met haar schapen - de ooi die in het voorjaar 2006 is geboren was een ongelukje - en dat zij een persoonlijk uitsterfbeleid voert, in die zin dat zij de schapen tot hun natuurlijke dood wil houden, waarna ze door Rendac zullen worden afgevoerd.

Voorts beroept verzoekster zich op artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekster heeft het recht om met haar schapen om te gaan op een wijze die correspondeert met haar geweten en levensovertuiging; daarin past niet het oormerken van schapen.

Verzoekster kwalificeert het aanbrengen van oormerken als dierenmishandeling, hetgeen in strijd is met artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Bovendien voldoen de huidige oormerken naar haar mening niet aan de eisen zoals die in de bijlagen bij verordening 21/2004 en de Regeling I&R zijn opgenomen. In zoverre is het aanbrengen van deze oormerken dan ook in strijd met de Regeling en die verordening.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich samengevat weergegeven op het volgende standpunt gesteld.

Gelet op de Europese en nationale regelgeving, mede bezien in het licht van de noodzaak tot bestrijding van dierziekten en bij gebrek aan aanvaardbare alternatieven, is verweerder gehouden oormerken te doen aanbrengen bij de schapen van verzoekster.

Verweerder is voorts van mening dat verzoekster niet als gewetensbezwaarde kan worden aangemerkt omdat de regelgeving daartoe geen mogelijkheid biedt.

Weliswaar kan het aanbrengen van het oormerk enigzins belastend voor het dier zijn, maar het mogelijke leed van deze beperkte ingreep is afgewogen tegen de noodzaak van een goed functionerend traceringssysteem. Het publieke belang heeft geprevaleerd. Verweerder is dan ook van mening dat geen sprake is van onevenredige belasting. Bovendien kan thans ook worden gekozen voor identificatie en registratie van schapen door middel van één klein oormerk in combinatie met een maagbolus.

De stellingen van verzoekster dat het oormerken van de schapen door de geïsoleerde ligging van haar perceel niet noodzakelijk is en dat de dieren niet worden afgevoerd zodat contact met andere schapen niet mogelijk is, kunnen haar niet baten. Gelet op het doel van de Regeling I&R, te weten een snelle tracering mogelijk maken, is niet relevant dat de schapen van verzoekster nimmer levend worden afgevoerd en evenmin dat die schapen niet in de voedselketen terechtkomen. Immers, de verspreiding van een besmettelijke dierziekten is niet afhankelijk van de omstandigheid of een schaap al dan niet voor commerciële doeleinden wordt gehouden en het traceren is eveneens van groot belang bij de opsporing van zoönosen en niet-toegestane stoffen in het diervoeder.

Tot slot acht verweerder de alternatieve wijze van registreren van verzoekster (het registreren met een foto met beschrijving en dit deponeren bij een notaris) niet afdoende. Dit zou immers de noodzaak met zich brengen bij bestrijding van een besmettelijke dierziekte eerst navraag bij de notaris te doen, terwijl in een dergelijke situatie snelheid is geboden.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in samenhang gelezen met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het door verzoekster gestelde belang voldoende spoedeisend.

Daargelaten dat de voorzieningenrechter voorshands niet is gebleken dat het bestreden besluit, bezien bij het licht van het bij en krachtens artikel 114 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bepaalde, niet door een daartoe bevoegde zou zijn genomen, kan in een eventueel bevoegdheidsgebrek - dat bij de beslissing op bezwaar kan worden hersteld - op zich geen reden worden gevonden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen omdat het primaire besluit op juiste gronden is genomen.

Dienaangaande wijst de voorzieningenrechter er allereerst op dat, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in § 2.1 is weergegeven, aan de (Europese) verplichtingen met betrekking tot identificatie en registratie van - onder meer - schapen, mede in verband met een eventuele uitbraak van een dierziekte of zoönose, de noodzaak van het traceerbaar maken van (alle verplaatsingen van) die dieren ten grondslag ligt.

Verzoekster stelt dat alle schapen op haar adres geboren zijn en dat zij de dieren niet eerder dan nadat zij een natuurlijke dood zijn gestorven van dat adres zal verplaatsen.

Voorts heeft zij gesteld dat zij niet (meer) fokt met haar schapen en dat zij de rammen en ooien gescheiden houdt teneinde nakomelingen te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om aan de oprechtheid van de intenties van verzoekster te twijfelen.

Dit brengt naar aanvankelijk oordeel mee dat bij een goede registratie van de schapen van verzoekster, gecombineerd met enige vorm van identificatie van die dieren, de noodzaak om de (verblijfplaats van de) schapen op de in de toepasselijke regelgeving voorziene wijze te kunnen traceren niet zonder meer vaststaat.

Hier staat tegenover dat de voorzieningenrechter oog heeft voor het belang dat verweerder hecht aan strikte toepassing van de regelgeving, juist om te voorkomen dat bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte een afwijkend regime aan snel en adequaat optreden ter voorkoming van (verdere) verspreiding van die ziekte in de weg zou kunnen staan.

Voorts staat vast dat in de (communautaire) regelgeving niet is voorzien in een uitzondering op de wijze waarop aan de identificatieplicht moet worden voldaan.

Zoals verzoekster heeft aangevoerd en de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is, heeft verweerder in het kader van de I&R verplichtingen voor runderen in het verleden een beleid ontwikkeld op grond waarvan rundveehouders die gewetensbezwaren hebben tegen het oormerken van hun dieren, onder bepaalde voorwaarden voor een alternatieve vorm van identificatie van hun dieren in aanmerking komen. Terzake van dit beleid is door verweerder op 17 september 2002 een protocol "gewetensbezwaarde identificatie en registratie (I&R) van runderen" opgesteld. Voormeld uitzonderingsbeleid heeft uitsluitend betrekking op rundveehouders die reeds bij verweerder als gewetensbezwaarde bekend waren. Verweerder stelt in dit verband een uitstervingsbeleid te voeren; op dit moment komen nog circa 30 rundveehouders voor dat beleid in aanmerking komt.

Verzoekster stelt dat verweerder haar gelet op de omstandigheden van het geval naar analogie van dit beleid voor een alternatieve I&R in aanmerking zou moeten brengen, terwijl verweerder zich op het standpunt stelt dat voormeld beleid uitsluitend betrekking heeft op rundveehouders en geen uitbreiding van het aantal gewetensbezwaarden toestaat.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet op voorhand in te zien waarom ten aanzien van verzoekster, mits voldoende waarborgen kunnen worden ingebouwd teneinde de naleving van verzoeksters intenties zeker te stellen, niet op vergelijkbare wijze als ten aanzien van gewetensbezwaarde rundveehouders in een alternatieve vorm van identificatie zou kunnen worden voorzien. Zulks te meer, aangezien ook voor runderen in verordening 1760/2000 niet in een alternatieve wijze van identificatie is voorzien en bovendien voor de voorzieningenrechter niet op voorhand vaststaat dat de runderen ten aanzien waarvan verweerder wel een alternatieve identificatie toestaat, (ook) niet om commerciële redenen worden gehouden en uiteindelijk niet in de voedselketen terecht komen.

Hierbij komt dat met betrekking tot de I&R van schapen, met het oog op nadere communautaire regelgeving, in Nederland een 'pilot' is gehouden met electronische identificatie. Verweerder heeft er ter zitting weliswaar op gewezen dat een dergelijke vorm van identificatie gepaard moet gaan met één oormerk, maar voor de voorzieningenrechter staat niet onomstotelijk vast dat dit ook zou gelden ten aanzien van grootst mogelijke meerderheid van de schapen van verzoekster, ten aanzien waarvan met één traditioneel merkteken (oormerk) kan worden volstaan.

Verweerder zal dan ook in het kader van de bezwaarprocedure alsnog onder ogen dienen te zien of in de gegeven omstandigheden, waaronder de hiervoor aangehaalde doelstelling van de I&R-verplichtingen, de ophanden zijnde wijziging van de (Europese) regelgeving en de wijze waarop verzoekster stelt haar schapen te willen aanhouden en te zijnertijd afvoeren, geen aanleiding kan worden gevonden verzoekster in staat te stellen op alternatieve wijze aan de identificatieverplichting te voldoen. Indien verweerder daarvoor ruimte ziet, staat het hem vanzelfsprekend vrij niet uitsluitend af te gaan op de door verzoekster gestelde intenties en garanties te vragen teneinde zeker te stellen dat de identiteit en verblijfplaats van de schapen steeds duidelijk is.

Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat in dit geval in afwachting van de beslissing op bezwaar het belang dat verzoekster heeft bij het thans niet doen uitvoeren van een onomkeerbare maatregel prevaleert boven het belang dat verweerder heeft bij stricte naleving van de Regeling I&R.

Gelet op het vorenoverwogene zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen in voege als na te melden.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoekster, zijnde de kosten van aan haar met betrekking tot de opstelling van haar pleitnota verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 161,--, bestaande uit 1/2 punt

(ter waarde van € 322,--), met bepaling van het gewicht op gemiddeld.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst het besluit van verweerder van 25 april 2007 totdat op het bezwaar van verzoekster zal zijn beslist;

- veroordeelt verweerders in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoekster, vastgesteld op € 161,-- (zegge:

honderd eenenzestig euro), onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- (zegge: honderd drieënveertig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. P.M. Beishuizen