Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB3681

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/139 9 augustus 2007

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Deurne,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 4 maart 2007, bij het College binnengekomen op

5 maart 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten, gericht tegen de aan hen op 25 juli 2005 meegedeelde correctie van de registratie van overdracht van varkensrechten.

Bij brief van 19 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 juli 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen en hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten exploiteren een varkensbedrijf te C, waarvoor bij het voormalige Bureau Heffingen (thans: Dienst Regelingen) aanvankelijk twee mestnummers waren geregistreerd.

- Na de inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) op 1 september 1998 zijn voor het bedrijf van appellanten 40 varkensrechten geregistreerd op het mestnummer D en 673 varkensrechten op het mestnummer E.

- In de periode van juli tot en met december 2003 hebben appellanten op laatstgenoemd mestnummer in totaal 845,5 varkensrechten verworven.

- Na registratie van de daarop betrekking hebbende kennisgevingen van overdracht, waren 1.518,5 varkensrechten op mestnummer E geregistreerd. Daarmee kwam het totaal aantal varkensrechten van het bedrijf op [1.518,5 (mestnummer E) plus 40 (mestnummer D) =] 1558,5.

- Bij op 30 augustus 2004 ingediend formulier, hebben appellanten de verplaatsing van de 40 op mestnummer D resterende varkensrechten naar hun andere mestnummer gemeld.

- Op 29 oktober 2004 heeft verweerder aan appellante kennis gegeven van de verwerking van die verplaatsing. Hierbij zijn abusievelijk aan mestnummer E tachtig in plaats van veertig varkensrechten toegevoegd. Bij deze kennisgeving heeft tevens abusievelijk op mestnummer D een bijtelling (in plaats van vermindering) met 40 varkensrechten plaatsgevonden.

- Op 4 december 2004 is aan appellante een nieuw bedrijfsoverzicht voor het mestnummer E toegezonden, waarbij een correctie in neerwaartse zin heeft plaatsgevonden met 40 varkensrechten.

- Met ingang van 2005 is Dienst Regelingen gaan werken met relatienummers in plaats van mestnummers, waarbij per bedrijf slechts één nummer werd gevoerd. Voor appellante geldt sedertdien het relatienummer F.

- Bij bedrijfsoverzicht van 3 maart 2005 is onder vermelding van voornoemd relatienummer aan appellanten meegedeeld dat voor hun bedrijf in totaal 1.638,5 varkensrechten waren geregistreerd.

- In verband met het bijboeken van 600 kg fosfaat mestproductierechten is aan appellanten op 4 mei 2005 wederom een bedrijfsoverzicht gezonden. Ook hierop is een totaal aantal van 1.638,5 varkensrechten vermeld.

- Op 25 juli 2005 heeft Dienst Regelingen aan appellanten een overzicht gezonden, waarbij het aantal voor hun bedrijf geregistreerde varkensrechten met 80 is verminderd, teneinde de onjuiste verwerking van de hiervoor genoemde verplaatsing van 40 varkensrechten (alsnog volledig) te corrigeren.

- Op 8 augustus 2005 hebben appellanten daartegen bezwaar gemaakt. In hun bezwaarschrift stellen appellanten zich op het standpunt dat er gezien het tijdsverloop tussen de mededeling dat zij over 1.638,5 varkensrechten beschikken en het besluit van 25 juli 2005 vanuit mochten gaan dat geen correctie (meer) zou plaatsvinden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten (kennelijk) ongegrond verklaard.

Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat het appellanten op grond van diverse - voor de kennisgeving van verplaatsing van 40 varkensrechten - toegezonden bedrijfsoverzichten duidelijk was of in ieder geval heeft moeten zijn, dat hun bedrijf op beide mestnummers gezamenlijk over 1.558,5 varkensrechten beschikte. Daarmee was het hen tevens bekend of behoorde hen bekend te zijn dat de bedrijfsoverzichten van 3 maart 2005 en 4 mei 2005 - waarin melding werd gemaakt van 1.638,5 varkensrechten - kennelijk onjuist waren.

Verweerder stelt dat appellanten aan het enkele tijdsverloop tussen de bedrijfsoverzichten van 3 maart en 4 mei 2005 enerzijds, en de bij het overzicht van 25 juli 2005 alsnog doorgevoerde correctie anderzijds, niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat zij niettemin over 1.638,5 varkensrechten beschikten.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten stellen dat verweerder(s Dienst Regelingen) hen bij de overzichten van hun bedrijfssituatie van 3 maart 2005 en 4 mei 2005 heeft meegedeeld dat hun bedrijf over 1.638,5 varkensrechten beschikt en dat in een bijlage bij laatstgenoemd overzicht uitdrukkelijk is gewezen op het feit dat dit een besluit is, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Naar hun opvatting heeft te gelden dat dit besluit, waartegen door hen geen bezwaar is gemaakt, formele rechtskracht heeft gekregen, zodat zij recht hebben op het daarin genoemde aantal varkensrechten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder het bezwaar van appellanten terecht ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van appellanten voorafgaand aan de kennisgeving van de verplaatsing van de 40 destijds nog op mestnummer D geregistreerde varkensrechten, totaal over 1.558,5 varkensrechten beschikte.

Naar het oordeel van het College spreekt het voor zich dat een verplaatsing van varkensrechten binnen een en hetzelfde bedrijf, ook al beschikt dat bedrijf over meerdere mestnummers, op zich zelf niet kan leiden tot een wijziging van het totaal aantal varkensrechten van dat bedrijf. Dit moet ook appellanten zonder meer duidelijk zijn.

Daarmee staat voor het College tevens vast dat voor appellanten duidelijk kon en moest zijn dat de aanvankelijk - onjuiste - verwerking van die verplaatsing op een kennelijke misslag berustte.

Het vorenstaande brengt het College tot de slotsom dat appellanten aan de bedrijfsoverzichten van 3 maart en 4 mei 2005, waarin abusievelijk melding is gemaakt van een totaal van 1.638,5 varkensrechten, niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat dit aantal juist was.

Hierbij komt dat appellanten voorafgaand aan het primaire besluit van 25 juli 2005 weliswaar mestproductierechten, doch geen varkensrechten hebben verworven.

Dit brengt ook om die reden mee dat zij aan het aan hen op 4 mei 2005 toegezonden bedrijfsoverzicht niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat zij over 1.638,5 in plaats van 1.558,5 varkensrechten zouden beschikken.

Aangezien van gerechtvaardigde verwachtingen aan de zijde van appellanten niet is gebleken, was verweerder zonder schending van het recht bevoegd de kennelijk onjuiste verwerking van de interne overdracht van 40 varkensrechten te herstellen.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit dan ook terecht zijn standpunt dat op het bedrijf van appellanten niet meer dan 1.558,5 varkensrechte rusten, zodat dat aantal ook in de registratie van het aantal rechten voor dit bedrijf moet worden vermeld, gehandhaafd.

5.3 Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining