Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB3667

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/18
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 07/18 2 augustus 2007

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, in liquidatie, appellante,

gemachtigde: mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, te Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij een op 11 januari 2007 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 6 december 2006.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante tegen het op artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gebaseerde besluit van verweerster van 18 juli 2006, strekkende tot ontbinding van appellante.

Bij brieven van 19 januari 2007 en 6 april 2007 heeft verweerster op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 juni 2007 heeft verweerster desgevraagd nog een op de zaak betrekking hebbend stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007, waar de gemachtigden van partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 2:19 en 2:19a van het BW luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2:19

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

(…);

e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19a;

(…).

3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: (…), in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (…).

4. Indien de rechtspersoon op het moment van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel en Fabrieken, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.

(…).

Artikel 2:19a

1. (…)

2. Een in het handelsregister ingeschreven (…) stichting, die niet een onderneming drijft die in het handelsregister staat ingeschreven, wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar de rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat de omstandigheid, genoemd in het lid 1 onder b, zich voordoet en zij ten minste een jaar in gebreke is het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen.

3. Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. De Kamer schrijft deze mededeling in het register. Als de omstandigheid, bedoeld in lid 1, onder b zich voordoet, doet de Kamer van het voornemen tot ontbinding tevens een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).

4. Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de omstandigheden die ingevolge het derde lid zijn vermeld, zich niet of niet meer voordoen.

5. De beschikking wordt bekend gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders.

6. De Kamer doet van de ontbinding een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).

(…).

8. Indien tegen een beschikking als bedoeld in lid 4, beroep wordt ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven schrijft de Kamer dat in het register in. (…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het handelsregister stond ingeschreven A (hierna: Stichting), statutair gevestigd te B. Als bestuurders van

de Stichting stonden vermeld D - voorzitter/penningmeester - als alleen/zelfstandig bevoegd, alsmede de gezamenlijk met andere bestuursleden bevoegde E, F, G en H. Alle bestuurders zijn vermeld met een eigen adres in Saudi-Arabië.

- Bij brief van 27 september 2004 hebben voormelde D als voorzitter en G als lid van het bestuur aan verweerster meegedeeld dat de directie heeft besloten tot beëindiging ("to discontinue") van de Stichting.

- In reactie hierop heeft verweerster naar het bij haar bekende en ook in voormelde brief vermelde adres van de Stichting – I te B - bij brief van 6 oktober 2004 een beëindigingsformulier en een folder met betrekking tot opheffing van rechtspersonen, een en ander in de Engelse taal en voorzien van een in die brief gegeven uitleg, gezonden.

- De enveloppe met de brief van 6 oktober 2004 (met bijlagen) is op 19 oktober 2004 door verweerster retour ontvangen. Op de enveloppe is handgeschreven vermeld dat de Stichting is uitgeschreven van voormeld adres en is verzocht voor de Stichting bestemde post niet langer naar dit adres te zenden.

- Verweerster heeft de retour ontvangen post vervolgens op 19 oktober 2004 per gewone post naar de bestuursvoorzitter van de Stichting verzonden, maar hierop geen reactie ontvangen.

- Bij aangetekende brieven van 12 april 2006, gericht aan de bestuurders van appellante op hun onderscheiden adressen in Saudi-Arabië, heeft verweerster hen op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van appellante over te gaan op gronden vermeld in het tweede lid van artikel 2:19a BW.

- Drie van de aan de vijf bestuursleden van de Stichting aangetekend verzonden brieven van 12 april 2006 zijn retour gezonden aan verweerster.

- Bij besluit van 18 juli 2006 heeft verweerster de Stichting met toepassing van artikel 2:19a, vierde lid, BW ontbonden. Dit besluit is op de zelfde datum bij aan de bestuursleden afzonderlijk aan hun laatst bekende adres verzonden brieven bekend gemaakt. Tevens is van dit besluit mededeling gedaan in de Staatscourant van 20 juli 2006.

- Bij brief van 10 oktober 2006 heeft de gemachtigde van de Stichting verweerster als volgt bericht:

"Heden bereikte mij het verzoek om [Stichting] A (…) in navolgende kwestie als raadsman bij te staan.

Cliënte heeft via derden vernomen dat de Stichting door uw Kamer is ontbonden c.q. is opgehouden te bestaan door uitschrijving uit het handelsregister. Een besluit van uw Kamer (…) heeft cliënte nimmer ontvangen. In verband hiermee verzoek ik u mij een afschrift van dit besluit toe te zenden"

- Bij brief van 22 november 2006, door verweerster ontvangen 23 november 2006, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de ontbindingsbeschikking. In het bezwaar wordt namens appellante verklaard dat zij op of omstreeks 18 oktober 2006 kennis heeft genomen van het besluit van 18 juli 2006.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard en daartoe - onder meer - het volgende overwogen:

"Op grond van artikel 6:7 juncto 6:8 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaaktr (i.e. 19 juli 2006) en eindigt in casu derhalve op 30 augustus 2006. Aangezien uw bezwaarschrift pas op 23 november 2006 door de Kamer is ontvangen, is deze termijn ruimschoots overschreden.

De Kamer acht u derhalve niet ontvankelijk in uw bezwaar. Dit betekent dat wij uw bezwaarschrift niet in behandeling nemen."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep aangevoerd dat zij ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, aangezien het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon appellante geheel onbekend was en het ontbindingsbesluit haar pas op of omstreeks 18 oktober 2006 bekend is geworden.

5. De beoordeling van het geschil

Ter beoordeling staat of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van appellante te laat is ingediend. Te dien aanzien wordt als volgt overwogen.

Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen.

Vaststaat in dit geval dat verweerster naar aanleiding van het op 6 oktober 2004 ontvangen ontbindingsverzoek van onder meer de voorzitter/penningmeester van appellante, de aan het in dat verzoek vermelde adres van appellante verzonden post retour heeft ontvangen. Eveneens staat vast dat op het vervolgens per gewone post aan het adres van deze voorzitter/penningmeester verzonden ontbindingsformulier - met bijlagen - geen reactie is ontvangen.

Onder deze omstandigheden heeft verweerster, die nimmer van appellante of haar bestuursleden een adreswijziging heeft ontvangen, het voornemen tot ontbinding op goede gronden en zonder schending van artikel 2:19a, derde lid, BW door middel van aangetekende brieven aan de bekende adressen van de bestuursleden van appellante aan zowel die bestuursleden als appellante bekend gemaakt.

Voorts heeft verweerster op dezelfde gronden met inachtneming van artikel 3:41 Awb haar beschikking tot ontbinding van appellante van 18 juli 2006 eveneens terecht per gewone post aan de onderscheiden bestuurders bekend gemaakt.

Vaststaat dat tegen het op juiste wijze bekend gemaakte besluit van 18 juli 2006 bij brief van 22 november 2006, die op 23 november 2006 door verweerster is ontvangen, bezwaar is gemaakt. Dit bezwaar is derhalve niet gemaakt binnen de termijn als bedoeld in de artikelen 6:7 en 6:8 Awb.

Blijkens de in deze zaak vaststaande feiten was appellante voorts voor 10 oktober 2006 - de datum waarop haar gemachtigde verweerster heeft verzocht om een afschrift van het ontbindingsbesluit - van de strekking van het primaire besluit op de hoogte en heeft haar gemachtigde op of omstreeks 18 oktober 2006 een afschrift daarvan ontvangen.

Zelfs indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat appellante(s gemachtigde) niet eerder dan op 18 oktober 2006 kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 18 juli 2006, is naar het oordeel van het College geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Het lag immers op de weg van appellante om na kennisname van het primaire besluit zo spoedig als redelijkerwijs van haar verlangd kan worden tegen het primaire besluit bezwaar te maken. Een termijn van ruim vier weken na die kennisname kan niet als zodanig worden aangemerkt.

De omstandigheid dat de gemachtigde, naar hij ter zitting heeft gesteld, niet eerder opdracht tot het indienen van een bezwaarschrift van (de) bestuursleden van appellante heeft ontvangen, kan hier niet aan af doen. Gelet op de inhoud van de brief van 10 oktober 2006 aan verweerster staat immers vast dat appellante(s bestuursleden) haar gemachtigde reeds na kennisneming van de strekking van het primaire besluit heeft (hebben) benaderd, zodat niet valt in te zien dat niet eerder - zo nodig pro forma – tot het maken van bezwaar kon worden overgegaan.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerster appellante derhalve terecht wegens overschrijding van de termijn in haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is dan ook ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. S. van Noordt