Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB3641

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 05/315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/315 8 augustus 2007

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

Mariska Shipping C.V., te Zwijndrecht, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 17 mei 2005, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 april 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 14 oktober 2002, genomen op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.

Bij brief van 16 juni 2005 heeft appellante het beroep van gronden voorzien.

Op 24 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Raadsverordening: Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90);

b. Commissieverordening: Verordening nr. 805/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1999 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van de Raadsverordening (PbEG L 102/64);

c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

(…)

Artikel 4

Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de Commissieverordening, speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Raadsverordening op (…)."

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde Raadsverordening is onder meer het volgende overwogen en bepaald:

"(1) Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 1101/89 een structurele saneringsregeling is vastgesteld in de binnenvaartsector voor de vloten die vervoer verrichten op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk; dat deze verordening de overcapaciteit van de binnenvaartvloten beoogde te verminderen door middel van op Gemeenschapsniveau gecoördineerde sloopacties; dat deze verordening op 28 april 1999 afloopt;

(2) Overwegende dat van de begeleidende maatregelen van dit structurele saneringssysteem, dat wil voorkomen dat de bestaande overcapaciteit nog groter wordt of nieuwe overcapaciteit ontstaat, de "oud voor nieuw"-regeling onmisbaar is gebleken voor een evenwichtige werking van de binnenvaartmarkt; dat deze regeling ook het belangrijkste instrument blijft waarmee bij een ernstige verstoring van genoemde markt, zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 96/75/EG, kan worden ingegrepen; dat voorts dient te worden verhinderd dat de effecten van de sinds 1990 uitgevoerde sloopacties teniet worden gedaan doordat meteen nadat genoemde regeling afloopt, nieuwe scheepsruimte in de vaart wordt gebracht; dat het dus nodig is de "oud voor nieuw"-regeling te handhaven gedurende een overgangsfase van ten hoogste vier jaar, waarin de verhoudingen tot nul worden afgebouwd en de communautaire marktinterventie geleidelijk wordt beëindigd; dat het ook belangrijk is de "oud voor nieuw"-regeling, het instrument voor beheersing van de capaciteit van de EG-vloten, na die vier jaar te handhaven, maar dan op niveau nul en als waakmechanisme, dat alleen bij ernstige verstoring van de markt in de zin van artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG kan worden gereactiveerd;

(…)

(6) Overwegende dat in het kader van een conform het Verdrag gevoerd economisch beleid regulering van de scheepsruimte in de eerste plaats op de weg ligt van de ondernemingen in de sector; dat de kosten van de te treffen maatregelen dus gedragen moeten worden door de in de binnenvaart actieve ondernemingen; dat deze regulering inhoudt dat er voor het in de vaart brengen van bepaalde nieuwe scheepsruimte voorwaarden moeten worden vastgesteld, zonder dat dit tot een totale blokkering van de toegang tot de markt leidt; dat deze voorwaarden in de tijd en qua effect beperkt kunnen zijn en op een soepele wijze naar gelang van de ontwikkelingen van de markt kunnen variëren, maar dat vanaf 29 april 1999 de verhoudingen binnen vier jaar geleidelijk tot nul moeten worden teruggebracht; dat, zodra de verhouding tot nul is teruggebracht, dit reguleringsmechanisme, de zogeheten "oud voor nieuw"-regeling, als waakmechanisme dient te worden gehandhaafd; dat de krachtens de "oud voor nieuw"-regeling betaalde speciale bijdragen dienen te worden ondergebracht in het reservefonds en dienen te kunnen worden gebruikt om slooppremies te verlenen, wanneer interventie op de markt is geboden;

(…)

Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "onderneming" verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.

(…)

Artikel 4

1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de "oud voor nieuw"-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip:

- ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde "verhouding" tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld;

- ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt.

2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: drogeladingschepen, tankschepen en duwboten.

De verhouding wordt geleidelijk verlaagd zodat zij zo spoedig mogelijk in gelijke etappes en uiterlijk op 29 april 2003 tot nul wordt teruggebracht.

Zodra de verhouding nul is geworden, wordt de regeling tot een waakmechanisme, dat alleen kan worden gereactiveerd bij ernstige verstoring van de markt, overeenkomstig artikel 6.

3. De eigenaar van het schip moet zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen:

- op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen twaalf maanden daarna in de vaart wordt genomen, of

- op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht.

Deze keuze van het moment moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd.

Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht.

(…)"

De in artikel 1 van de Wet bedoelde Commissieverordening luidde in januari 2002 onder meer als volgt:

"SPECIALE BIJDRAGEN

Artikel 2

1. De grootte van de speciale bijdragen voor de verschillende typen en categorieën schepen wordt op basis van 70 tot 115 % van onderstaande tarieven bepaald:

- Droge ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 120 EUR/ton,

- vrachtduwbakken: 60 EUR/ton,

- sleepvrachtschepen: 43 EUR/ton,

- Tankschepen:

- motortankschepen: 216 EUR/ton,

- tankduwbakken: 108 EUR/ton,

- sleeptankschepen: 39 EUR/ton.

- Duwboten:

180 EUR/kW, met een lineaire verhoging tot 240 EUR/kW voor een motorvermogen van 1000 kW of meer.

2. - Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de maximumtarieven van de in lid 1 bedoelde speciale bijdragen verlaagd met 30%.

- Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder dan 650 ton bedraagt.

- Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen lineair verhoogd van 100 tot 115%; voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen gehandhaafd op 115 %.

3. (…)

GELIJKWAARDIGE TONNAGE

Artikel 3

1. Indien een eigenaar een in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 718/1999 bedoeld schip in de vaart brengt en tonnage van een ander type binnenvaartuig voor de sloop aanbiedt, wordt de gelijkwaardige tonnage, binnen elk van beide hierna aangegeven scheepscategorieën, bepaald aan de hand van de volgende waarderingscoëfficiënten:

- Droge ladingschepen:

- motorvrachtschepen van meer dan 650 ton: 1,00,

- vrachtduwbakken van meer dan 650 ton: 0,50,

- sleepvrachtschepen van meer dan 650 ton: 0,36.

- Tankschepen:

- motortankschepen van meer dan 650 ton: 1,00,

- tankduwbakken van meer dan 650 ton: 0,50,

- sleeptankschepen van meer dan 650 ton: 0,18.

2. Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de in lid 1 bedoelde coëfficiënten verlaagd met 30 %. Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 450 ton worden deze coëfficiënten verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder bedraagt dan 650 ton. Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1650 ton worden de coëfficiënten lineair verhoogd van 100 tot 115 %.

OUD VOOR NIEUW-VERHOUDINGEN

Artikel 4

Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 718/1999 vermelde voorwaarde:

1. Voor droge ladingschepen wordt de verhouding vastgesteld op 0,60:1 (verhouding tussen de oude en de nieuwe tonnage).

2. Voor tankschepen wordt de verhouding vastgesteld op 0,90:1.

3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op 0,25:1."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is eigenaar van het motortankschip "Mariska" (brandmerk: 15209 B Rott 1978). Blijkens een meetbrief van 6 maart 1996 (kenmerk: HN 5488) bedroeg het laadvermogen (verplaatsing in m3) in tonnen in zoetwater (dichtheid van 1) van de "Mariska" (destijds nog "Martin" geheten) op dat moment 1.260,117 ton. De lengte van het schip bedroeg 89,48 meter en de diepgang bij grootste inzinking 2,74 meter.

- Appellante heeft de "Mariska" laten verbouwen en hierbij is het oorspronkelijke voor en middenschip vervangen door een nieuw voor- en middenschip met een lengte van 69,56 meter.

- Blijkens een meetbrief d.d. 25 januari 2002 (kenmerk: HN 8898) bedraagt het laadvermogen in tonnen zoetwater van de vernieuwde "Mariska" 1.332,109 ton. De lengte van het schip bedraagt 84,94 meter en de diepgang bij grootste inzinking 3,00 meter.

- Bij besluit van 14 oktober 2002 heeft verweerder appellante in verband met het na verbouwing in de vaart brengen van de "Mariska" een speciale bijdrage opgelegd van € 15.772,00. Deze speciale bijdrage is berekend over een met de vernieuwing van het voor- en middenschip van de "Mariska" aan de binnenvaartvloot toegevoegd laadvermogen van, afgerond, 72 ton.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 oktober 2002, aangevuld bij brief van 16 december 2002, bezwaar gemaakt.

- Op 4 april 2003 is appellante over haar bezwaar gehoord. In het naar aanleiding van dit gehoor opgemaakte verslag is onder meer de volgende passage opgenomen:

"De voorzitter stelt voor dat indien er over de afgelopen periode sinds het schip in de vaart is genomen aangetoond kan worden dat het laadvermogen niet overschreden is, dan zal de hoorcommissie dit ook als uitgangspunt nemen. Afgesproken wordt dat door middel van een accountantsverklaring moet worden aangetoond dat het laadvermogen niet is overschreden."

- Bij brief van 9 mei 2003 heeft appellante verweerder een "volledig reizenoverzicht van de "Mariska" sinds de verbouwing" toegezonden, waaruit, volgens appellante, blijkt dat de "Mariska" nimmer meer dan het voor de verbouwing geldende laadvermogen van 1.260 ton heeft vervoerd.

- Bij brief van 23 oktober 2003 heeft de voorzitter van de hoorcommissie appellante medegedeeld dat het "volledig reizenoverzicht van de "Mariska" sinds de verbouwing" niet aan de kwalificatie voldoet voor het aan te leveren document zoals tijdens de hoorzitting is afgesproken.

- Bij brief van 26 november 2003 heeft appellante verweerder een door HB&G Accountants en Belastingadviseurs B.V. te Hendrik Ido Ambacht opgestelde "rapport van bevindingen inzake overzicht van de geladen tonnages bij reizen in de periode 14 februari 2002 tot en met 24 maart 2003" toegezonden.

- In een brief van 29 januari 2004 (kenmerk: SIMC/010/04-AB) van het Hoofd Scheepsmeting aan verweerder is onder meer het volgende vermeld:

"Het motorvrachtschip "Mariska" is, in verband met vernieuwing van het midden- en voorschip, hermeten onder meetbrief nummer HN 8898 datum van afgifte meetbrief 25 januari 2002.

Dit schip is gemeten op een bodemdiepte van 3,00 m hetgeen tevens de maximaal toegestane bodemdiepte is. De tonnage hierbij bedraagt 1332,109 ton, hierbij hoort een vrijboord van 2 cm.

De lengte van het nieuwe midden- en voorschip bedraagt 69,56 meter. Bij een vrijboord van 2 cm draagt het midden- en voorschip 1149,359 m3 bij tot het totale draagvermogen van het schip. Het oude bestaande achterschip draagt bij het vrijboord van 30 cm 182,750 m3. De lengte van het bestaande achterschip is dus 15,38 m.

Het totale laadvermogen van het schip is dus (182,750 + 1149,359) x 1 = 1332,109 ton, zoals hierboven ook al vermeld staat. Draagvermogen x soortelijk gewicht water = laadvermogen"

- Op 14 mei 2004 heeft verweerder aan appellante een bewijs als bedoeld in artikel 3, van de Regeling capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, inhoudende, dat de eigenaar van een binnenschip heeft voldaan aan artikel 4, eerste lid van de Raadsverordening, afgegeven.

- Bij brief van 6 december 2004 heeft verweerder appellante eraan herinnerd dat tijdens de hoorzitting, in verband met de beoogde zekerheid, is afgesproken dat een accountantsverklaring (geen rapport van bevindingen) ter zake zou worden overgelegd. Verweerder heeft appellante tot 31 december 2004 in de gelegenheid gesteld een accountantsverklaring te overleggen.

- Bij brief van 16 december 2004 heeft HB&G Accountants en Belastingadviseurs B.V. verweerder nader geïnformeerd omtrent de strekking van de eerder ingebrachte rapportage en de reden waarom dit kantoor heeft gerapporteerd door middel van de door haar beroepsorganisatie voorgeschreven vorm van een 'rapportage van bevindingen'. Deze brief bevat onder meer de volgende passage:

"Mariska Shipping CV is een kleine organisatie. Een dergelijke kleine organisatie brengt met zich mee dat er een objectieve verhindering aanwezig is tot de invoering van een adequaat stelsel van administratieve organisatie en interne controle. Dit mede doordat een adequate functiescheiding niet mogelijk is. Door het ontbreken van een dergelijk stelsel is het niet mogelijk om een accountantscontrole resulterend in een goedkeurende accountantsverklaring uit te voeren. Conform de Richtlijnen voor de Accountantscontrole hebben wij dan ook een opdracht aanvaard tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie. De uitkomsten van deze opdracht dienen wij te rapporteren in de vorm van een rapportage van bevindingen."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en de daarbij gegeven toelichting

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, met dien verstande dat het in het besluit van 14 oktober 2002 genoemde bedrag van € 15.772,00 wordt gewijzigd in € 15.427,17.

Verweerder heeft overwogen dat het oorspronkelijke voor- en middenschip van de "Mariska" is verwijderd en is vervangen door een nieuw voor- en middenschip, zodat sprake is van segmentsgewijze vernieuwing.

Na de segmentsgewijze vernieuwing bedraagt de lengte van de "Mariska" 84,94 meter. Het bestaande achterschip is voorzien van een nieuw voor en middenschip van 69,56 meter. In het geval van de "Mariska" heeft sloop plaatsgevonden van het vervangen segment.

Aangezien sprake is van segmentsgewijze vernieuwing kan niet worden gesproken van verdieping van het schip als bedoeld in de Notitie uniforme toepassing.

De voor oud voor nieuw verplichtingen in aanmerking komende tonnage moet zijn gerelateerd aan de tonnage van het nieuwe voor- en middenschip minus de compenserende tonnage van het oorspronkelijke voor- en middenschip. Het laadvermogen van het achterschip van de "Mariska" bedraagt 182,750 ton. Dit dient in mindering te worden gebracht op de totale laadvermogen van het schip dat door de vervanging van het voor- en middenschip blijkens de meetbrief van 25 januari 2002 (kenmerk: HN 8898) 1.332,109 ton bedraagt. Na verbouwing is de toegevoegde tonnage van het voor- en middenschip van de "Mariska" 71,992. (1.332,109 ton - 182,750 ton - 1.077,367 (compenserende tonnage)).

De speciale bijdrage is berekend over het toegevoegde tonnage van 71,992. Dit tonnage dient conform artikel 4 van de Commissieverordening met de factor 0,90 te worden vermenigvuldigd. Het overblijvende tonnage dient vervolgens met toepassing van artikel 2 van de Commissieverordening te worden vermenigvuldigd met het verhoogde maximumtarief (100 tot 115% voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1.650 ton) voor motortankschepen, zijnde € 216,00. De speciale bijdrage wordt dan (71,992 x 0,90 x € 238,10 =) € 15.427,17.

De "Mariska" is na de segmentsgewijze vernieuwing 4,54 meter korter geworden. Wel is het bestaande achterschip verdiept van 2.74 meter (in de oorspronkelijke toestand) tot de maximale diepgang bij minimaal vereist vrijboord van 3,00 meter. Appellante had op grond van artikel 5 van het Metingbesluit Binnenvaartuigen 1978 een coulancemaatregel van de mogelijkheid gebruik kunnen maken de "Mariska" onder te ijken, maar van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

Vervolgens is appellante op de hoorzitting in de gelegenheid gesteld om door middel van een accountantsverklaring aan te tonen dat de capaciteitsvergroting niet is benut, omdat in de periode na de hermeting van de "Mariska" (25 januari 2002) tot en met 29 april 2003 het oorspronkelijke laadvermogen van 1.260,117 ton niet werd overschreden. Zij is echter, ondanks dat zij ermee had ingestemd, niet in staat gebleken een accountantsverklaring over te leggen. Zij heeft enkel een door HB&G Accountants en Belastingadviseurs opgemaakt 'rapport van bevindingen' overgelegd en de opsteller van dit stuk heeft aangegeven dat geen accountantsverklaring kan worden overgelegd. Op het 'rapport van bevindingen' is geen accountantscontrole toegepast. Aan het 'rapport van bevindingen' kan dan ook geen zekerheid worden toegekend.

Appellante blijft derhalve betaling van de speciale bijdrage verschuldigd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep, voorzover ter zitting gehandhaafd, het volgende aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder niet van oplegging van (gewijzigde) oud voor nieuw verplichtingen afgezien, nadat appellante door middel van een accountantsrapportage en toelichting daarop had aangetoond dat het oorspronkelijke laadvermogen van de "Mariska" van 1.260 ton na de verbouwing niet door haar is overschreden. Op basis van de bedoeling van de Raadsverordening dient te worden beoordeeld of daadwerkelijk nieuw toegevoegd tonnage in gebruik wordt genomen. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van gebruik van enig extra tonnage, is de heffing is niet gerechtvaardigd.

Dat verweerder vasthoudt aan het overleggen van een accountantsverklaring is in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd. Het overgelegde 'rapport van bevindingen' is te beschouwen als een verklaring van de accountant ten aanzien van het gerapporteerde en daarin wordt aangetoond dat geen extra tonnage in gebruik is genomen.

Ten onrechte heeft verweerder de verklaring van de accountant niet inhoudelijk beoordeeld en het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat het toegevoegde laadvermogen van het nieuwe voor en middenschip 71,992 ton bedraagt. De "Mariska" is ongeveer vijf meter korter geworden en dieper komen te liggen. Het achterschip draagt nu dus meer bij aan het drijfvermogen van het schip.

In het geval van de "Mariska" is sprake van een verkorting van het schip en van sloop van het verwijderde oorspronkelijke voor- en middenschip. De 71,992 ton laadvermogen die dit als vergroting met zich meebrengt (inclusief het extra drijfvermogen van het achterschip) is nimmer gebruikt. De Raadsverordening formuleert oud-voor-nieuw verplichtingen voor het in gebruik nemen van nieuw gebouwde schepen, maar heeft niet de bedoeling om bestaande tonnage met dergelijke verplichtingen te treffen. Nu hier sprake is van een louter theoretische, en niet in de praktijk gebruikte, vergroting van het laadvermogen van minder dan 450 ton, dient op grond van artikel 2, tweede lid, eerste gedachtestreepje, van de Commissieverordening het maximumtarief met 30% te worden verlaagd. Ten onrechte heeft verweerder echter artikel 2, tweede lid, tweede gedachtestreepje, van de Commissieverordening toegepast.

Ten slotte is appellante van mening dat de berekening van het door haar te slopen compenserende tonnage onjuist is.

De duur van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure is meer dan 4,5 jaar. Hiermee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) overschreden. Het besluit waarbij verweerder appellante oud voor nieuw verplichtingen heeft opgelegd, dateert van 14 oktober 2002 en de zitting van het College heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. De zaak is niet complex en appellante heeft telkenmale binnen de geldende korte termijnen gehandeld. Verweerder heeft daarentegen uiterst traag gehandeld, waaronder het langer dan 2,5 jaar doen over het beslissen op appellantes bezwaarschrift.

Primair dient de Staat der Nederlanden in haar vordering op appellante niet ontvankelijk te worden verklaard en subsidiair dienen de appellante opgelegde oud-voor-nieuw verplichtingen verregaand te worden gematigd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil en voor het College staat vast dat de "Mariska" segmentsgewijs is vernieuwd. Het oorspronkelijke voor en middenschip zijn immers gesloopt en vervangen door een nieuw voor en middenschip. Op grond van artikel 4 van de Raadsverordening zijn oud-voor-nieuw verplichtingen verschuldigd voor het in de vaart brengen van een nieuw schip, waaronder volgens vaste jurisprudentie van het College moet worden begrepen een schip waarvan een segment is vervangen door een nieuw gedeelte (zie laatstelijk de uitspraak van het College van 13 december 2006 (AWB 04/931, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AZ5819)).

5.2 Het College verwerpt het betoog van appellante dat verweerder ten onrechte het toegevoegde laadvermogen van het vernieuwde voor en middenschip van de "Mariska" op 71,992 ton heeft vastgesteld, omdat de "Mariska" na de segmentsgewijze vernieuwing ongeveer vijf meter korter is geworden en dieper is komen liggen, waardoor het gehandhaafde achterschip nu dus meer bijdraagt aan het drijfvermogen van het schip.

Het College overweegt hiertoe dat verweerder bij de berekening van de aan appellante op te leggen oud voor-nieuw verplichtingen de toevoeging van tonnage door verdieping van het achterschip terecht niet van oud voor nieuw verplichtingen heeft vrijgesteld. Slechts wanneer een schip uitsluitend wordt verdiept, en dus in het geheel geen segmentsgewijze vernieuwing plaatsvindt, is onder het regime van de Raadsverordening geen oud voor nieuw verplichtingen verschuldigd (zie laatstelijk de uitspraak van het College van 1 maart 2006 (AWB 04/782, <www.rechtspraak.nl> LJN: AV3666)).

Verweerder heeft zich bij de berekening van het compenserende tonnage mogen baseren op de gegevens, zoals deze zijn neergelegd in de tot hem gerichte brief van 29 januari 2004 van het Hoofd Scheepsmeting. Niet is gebleken dat de berekening op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd.

5.3 De grief dat verweerder ten onrechte geen verlaging met 30% heeft toegepast omdat de aan de vloot toegevoegde tonnage minder dan 450 ton bedraagt, faalt. Niet de toegevoegde tonnage is voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Commissieverordening, van belang, maar het laadvermogen van het nieuwe of segmentsgewijze vernieuwde schip. (zie de uitspraak van het College van 15 oktober 2003 (AWB 02/1763, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AN8972)).

5.4 Met betrekking tot de door verweerder van appellante verlangde accountantsverklaring, waarmee zou moeten worden aangetoond dat in de periode na de hermeting van de "Mariska" (25 januari 2002) tot en met 29 april 2003 het oorspronkelijke laadvermogen van 1.260,117 niet door appellante is overschreden, overweegt het College het volgende.

Het College stelt vast dat appellante de door verweerder verlangde accountantsverklaring niet heeft overgelegd. Appellante heeft volstaan met het bij verweerder indienen van een door HB&G Accountants en Belastingadviseurs B.V. opgesteld 'rapport van bevindingen' betreffende een overzicht van geladen tonnages.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder niet in redelijkheid aan het alsnog overleggen van een accountantsverklaring kunnen vasthouden. Gelet op de stukken de brief van 16 december 2004 van HB&G Accountants en Belastingadviseurs B.V. aan verweerder in het bijzonder en het verhandelde ter zitting is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat het voor een bedrijf als dat van appellante feitelijk onmogelijk is om de door verweerder verlangde accountantsverklaring te laten opstellen en over te leggen. Verweerder heeft appellante derhalve met een voor haar onuitvoerbare bewijslevering belast.

Op grond van eerdergenoemde brief van 16 december 2004 van HB&G Accountants en Belastingadviseurs B.V. acht het College voldoende aannemelijk geworden dat een accountantsrapportage in de vorm van een 'rapport van bevindingen' in het geval van een kleine onderneming als die van appellante de aangewezen weg is om te voldoen aan hetgeen verweerder van appellante verlangt. Het lag derhalve op de weg van verweerder om in het bestreden besluit gemotiveerd in te gaan op de inhoud van dit 'rapport van bevindingen' en aan te geven waarom, als verweerder dit vindt, het aangeboden bewijs niet slaagt. Nu verweerder dit heeft nagelaten, gaat het bestreden besluit mank aan een motiveringsgebrek.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellante dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.6 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 276,-- (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener