Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB3637

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 05/214
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/214 8 augustus 2007

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

Scheepvaartbedrijf A V.O.F. , te B, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 maart 2005, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 februari 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 3 augustus 2001, genomen op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.

Bij brief van 7 juni 2005 heeft appellante het beroep van gronden voorzien.

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft verweerder zijn eerdere besluit van 16 februari 2005 herzien.

Op 24 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 maart 2006 heeft appellante naar aanleiding van verweerders herziene besluit van 20 februari 2006 de gronden van het beroep aangevuld.

Op 3 april 2006 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Raadsverordening: Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90);

b. Commissieverordening: Verordening nr. 805/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1999 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van de Raadsverordening (PbEG L 102/64);

c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

(…)

Artikel 4

Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de Commissieverordening, speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Raadsverordening op (…)."

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde Raadsverordening is onder meer het volgende overwogen en bepaald:

"(1) Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 1101/89 een structurele saneringsregeling is vastgesteld in de binnenvaartsector voor de vloten die vervoer verrichten op het net van de met elkaar in verbinding staande waterwegen van België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk; dat deze verordening de overcapaciteit van de binnenvaartvloten beoogde te verminderen door middel van op Gemeenschapsniveau gecoördineerde sloopacties; dat deze verordening op 28 april 1999 afloopt;

(2) Overwegende dat van de begeleidende maatregelen van dit structurele saneringssysteem, dat wil voorkomen dat de bestaande overcapaciteit nog groter wordt of nieuwe overcapaciteit ontstaat, de "oud voor nieuw"-regeling onmisbaar is gebleken voor een evenwichtige werking van de binnenvaartmarkt; dat deze regeling ook het belangrijkste instrument blijft waarmee bij een ernstige verstoring van genoemde markt, zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 96/75/EG, kan worden ingegrepen; dat voorts dient te worden verhinderd dat de effecten van de sinds 1990 uitgevoerde sloopacties teniet worden gedaan doordat meteen nadat genoemde regeling afloopt, nieuwe scheepsruimte in de vaart wordt gebracht; dat het dus nodig is de "oud voor nieuw"-regeling te handhaven gedurende een overgangsfase van ten hoogste vier jaar, waarin de verhoudingen tot nul worden afgebouwd en de communautaire marktinterventie geleidelijk wordt beëindigd; dat het ook belangrijk is de "oud voor nieuw"-regeling, het instrument voor beheersing van de capaciteit van de EG-vloten, na die vier jaar te handhaven, maar dan op niveau nul en als waakmechanisme, dat alleen bij ernstige verstoring van de markt in de zin van artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG kan worden gereactiveerd;

(…)

(6) Overwegende dat in het kader van een conform het Verdrag gevoerd economisch beleid regulering van de scheepsruimte in de eerste plaats op de weg ligt van de ondernemingen in de sector; dat de kosten van de te treffen maatregelen dus gedragen moeten worden door de in de binnenvaart actieve ondernemingen; dat deze regulering inhoudt dat er voor het in de vaart brengen van bepaalde nieuwe scheepsruimte voorwaarden moeten worden vastgesteld, zonder dat dit tot een totale blokkering van de toegang tot de markt leidt; dat deze voorwaarden in de tijd en qua effect beperkt kunnen zijn en op een soepele wijze naar gelang van de ontwikkelingen van de markt kunnen variëren, maar dat vanaf 29 april 1999 de verhoudingen binnen vier jaar geleidelijk tot nul moeten worden teruggebracht; dat, zodra de verhouding tot nul is teruggebracht, dit reguleringsmechanisme, de zogeheten "oud voor nieuw"-regeling, als waakmechanisme dient te worden gehandhaafd; dat de krachtens de "oud voor nieuw"-regeling betaalde speciale bijdragen dienen te worden ondergebracht in het reservefonds en dienen te kunnen worden gebruikt om slooppremies te verlenen, wanneer interventie op de markt is geboden;

(…)

Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "onderneming" verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.

(…)

Artikel 4

1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de "oud voor nieuw"-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip:

- ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde "verhouding" tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld;

- ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt.

2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: drogeladingschepen, tankschepen en duwboten.

De verhouding wordt geleidelijk verlaagd zodat zij zo spoedig mogelijk in gelijke etappes en uiterlijk op 29 april 2003 tot nul wordt teruggebracht.

Zodra de verhouding nul is geworden, wordt de regeling tot een waakmechanisme, dat alleen kan worden gereactiveerd bij ernstige verstoring van de markt, overeenkomstig artikel 6.

3. De eigenaar van het schip moet zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen:

- op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen twaalf maanden daarna in de vaart wordt genomen, of

- op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht.

Deze keuze van het moment moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd.

Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht.

(…)"

De in artikel 1 van de Wet bedoelde Commissieverordening luidde op 1 juni 2001 onder meer als volgt:

"SPECIALE BIJDRAGEN

Artikel 2

1. De grootte van de speciale bijdragen voor de verschillende typen en categorieën schepen wordt op basis van 70 tot 115 % van onderstaande tarieven bepaald:

- Droge ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 120 EUR/ton,

- vrachtduwbakken: 60 EUR/ton,

- sleepvrachtschepen: 43 EUR/ton,

- Tankschepen:

- motortankschepen: 216 EUR/ton,

- tankduwbakken: 108 EUR/ton,

- sleeptankschepen: 39 EUR/ton.

- Duwboten:

180 EUR/kW, met een lineaire verhoging tot 240 EUR/kW voor een motorvermogen van 1000 kW of meer.

2. - Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de maximumtarieven van de in lid 1 bedoelde speciale bijdragen verlaagd met 30%.

- Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen verlaagd met 0,15 % voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder dan 650 ton bedraagt.

- Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen lineair verhoogd van 100 tot 115%; voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen gehandhaafd op 115 %.

3. (…)

"OUD VOOR NIEUW"-VERHOUDINGEN

Artikel 4

Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 718/1999 vermelde voorwaarde:

1. Voor droge ladingschepen wordt de verhouding vastgesteld op 0,80:1 (verhouding tussen de oude en de nieuwe tonnage).

2. Voor tankschepen wordt de verhouding vastgesteld op 1,15:1.

3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op 0,50:1."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In 1999 is het motorvrachtschip "Amistade" (brandmerk: 23931 BR 1998) in de vaart gebracht. Blijkens de toepasselijke meetbrief met kenmerk HN 7223 was de "Amistade" ondergeijkt op een laadvermogen (verplaatsing in m3) in tonnen zoetwater (dichtheid van 1) van 4.510,072 ton.

- Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder Scheepvaartbedrijf C en Zonen B.V. te B voor het met de ondergeijkte "Amistade" in de vaart brengen van 4.510,072 ton laadvermogen oud voor-nieuw verplichtingen opgelegd. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.

In dit besluit is de navolgende clausule opgenomen:

"Teneinde u reeds nu volstrekte duidelijkheid te verschaffen omtrent uw uit artikel 4, lid 1, van de Raadsverordening voortvloeiende verplichtingen ingeval van een toekomstige hermeting van het binnenschip genaamd "Amistade" (…) deel ik u mede, dat u bij een toekomstige hermeting van het onderhavige schip, in de periode waarin de Verordening nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 (…) van kracht is, die ertoe leidt dat het in de meetbrief te vermelden laadvermogen wordt vastgesteld op een hoger niveau, dan het thans (…) vermelde laadvermogen van 4510,072 ton (…), (Scheepvaartbedrijf C en Zonen B.V.) alsnog voor dit extra laadvermogen een speciale bijdrage als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Raadsverordening zal dienen te voldoen, die tenminste - bij gelijkwaardig laadvermogen gelijk zal zijn aan het produkt van het meerdere laadvermogen ten opzichte van 4510,072 ton en de krachtens artikel 2 van de Commissieverordening voor dat laadvermogen geldende speciale bijdrage per ton.

Immers op dat moment wordt bij het na hermeting ingebruiknemen van het onderhavige vaartuig de in eerste instantie voor het berekenen van de in artikel 4, eerste lid, van de Raadsverordening te betalen speciale bijdrage buiten beschouwing gelaten deel van het laadvermogen geheel of gedeeltelijk alsnog aan de markt waarop de Verordening van toepassing is toegevoegd.

Indien het binnenschip "Amistade" wordt verkocht en na de eigendomsoverdracht wordt hermeten door de nieuwe eigenaar van het vaartuig geldt het vorenstaande onverkort. Ik wijs u er in dit verband op dat ingevolge het Burgerlijk Wetboek de verkoper verplicht is de verkochte zaak vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard, in eigendom over te dragen."

- Blijkens een meetbrief d.d. 1 juni 2001 (kenmerk: HN 8374) bedraagt het laadvermogen in tonnen zoetwater van de "Amistade" na hermeting 5.164,549 ton. Hiermee is de onderijking van de "Amistade" ongedaan gemaakt.

- Bij besluit van 3 augustus 2001 heeft verweerder appellante in verband met de ongedaanmaking van de onderijking van de "Amistade" en het daarmee aan de binnenvaartvloot toevoegen van 654,447 ton laadvermogen in zoetwater een speciale bijdrage opgelegd van ƒ 159.112,00 (€ 72.201,90).

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 september 2001, aangevuld bij brief van 8 november 2001, bezwaar gemaakt.

- Op 8 juli 2002 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder de oud-voor-nieuw verplichting nader berekend in verband met de aftrek van extra slooptonnen naar aanleiding van de sloop van de schepen "Vesta" (50%) en "Bakkertje"(16,8356998%). Verweerder heeft aldus een nog tegoed aan compensatiewaarde droge lading vastgesteld ten bedrage van € 194,62.

- Eveneens op 18 februari 2003 heeft verweerder aan appellante een bewijs als bedoeld in artikel 3, van de Regeling capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, inhoudende, dat de eigenaar van een binnenschip heeft voldaan aan artikel 4, eerste lid van de Raadsverordening afgegeven.

- Bij brief van 27 februari 2003 heeft appellante verweerder om een schadevergoeding ten bedrage van € 24.700,00 verzocht ter zake van ten onrechte opgelegde en afgedwongen oud voor nieuw verplichtingen.

- Bij besluit van 20 december 2004 heeft verweerder de op appellante rustende verplichtingen ten aanzien van het in de vaart brengen van de "Amistade" na hermeting nader berekend. Daarbij heeft verweerder overwogen dat appellante na de hermeting 654,477 ton laadvermogen aan de binnenvaartvloot had toegevoegd, hetgeen vermenigvuldigd met een factor 0,8 523,582 ton oplevert. Na aftrek van slooptonnen naar aanleiding van de sloop van de schepen "Vesta" (50%) en "Bakkertje" (16,8356998%) resteert dan een tegoed aan compenserend tonnage van 38,083.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 januari 2005, aangevuld bij brief van 15 februari 2005, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder op 16 februari 2005 het bestreden besluit genomen en de bezwaren van appellante niet ontvankelijk verklaard.

3. Het bestreden besluit en het herziene besluit van 20 februari 2006

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet ontvankelijk verklaard.

Bij het herziene besluit van 20 februari 2006 heeft verweerder appellante alsnog in haar bezwaren ontvangen en inhoudelijk daarop beslist. Verweerder heeft bij deze beslissing zijn besluit van 3 augustus 2001, zoals gewijzigd bij besluiten van 18 februari 2003 en 20 december 2004, gehandhaafd en de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft nog een tegoed aan compenserende tonnage van 38.083 ton.

Bovendien heeft verweerder bij dit besluit appellantes verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep, voorzover ter zitting gehandhaafd, het navolgende aangevoerd.

In 1999 zijn ter zake van de "Amistade" oud-voor-nieuw verplichtingen opgelegd, welke zijn gebaseerd op een laadvermogen van 5.187 ton. Deze zijn voldaan. Het besluit van 13 juli 1999, waarbij dit is gebeurd, heeft, ook voor verweerder, formele rechtskracht verkregen. Blijkens de meetbrief van 1 juni 2001 (HN 8374) bedraagt het laadvermogen van de "Amistade" na hermeting slechts 5.164,549 ton. Er bestaat dan ook geen grond voor het opleggen van oud voor nieuw verplichtingen in verband met de hermeting van het schip.

Appellante was ten tijde van het in de vaart brengen van de "Amistade" in 1999 geen eigenaar van het schip. De eigendom van het schip behoorde toe aan Scheepvaartbedrijf C en Zonen B.V. en aan dit bedrijf heeft verweerder destijds ook oud voor nieuw verplichtingen opgelegd. Verweerders in het verweerschrift van 30 maart 2006 geponeerde stelling dat in 1999 ten onrechte compenserend tonnage op de op te leggen oud-voor-nieuw verplichtingen in mindering zou zijn gebracht, is niet te plaatsen en volstrekt onjuist. De hermeting van de "Amistade" op 1 juni 2001 heeft plaatsgevonden in opdracht van appellante als opvolgend eigenaar van het schip. Er is geen sprake van dat de Raads- en/of de Commissieverordening aan een opvolgend eigenaar van een met oud-voor-nieuw verplichtingen belast schip enige verplichtingen opleggen bij hermeting van dat schip.

Ten onrechte heeft verweerder appellantes verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze afwijzing steunt op een onjuiste grondslag. Volgens verweerder zou appellante gedurende de periode van 3 augustus 2001 tot 18 februari 2003 in verzuim zijn geweest aan de opgelegde oud voor nieuw verplichtingen te voldoen, maar aangezien ter zake in het geheel geen verplichtingen op appellante rusten, is geen sprake van enig verzuim en evenmin van een door appellante genoten rentevoordeel. Overigens betwist appellante uitdrukkelijk het door verweerder genoemde genoten rentevoordeel ten bedrage van € 8.318,69.

De duur van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure is bijna zes jaar. Hiermee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) overschreden. Het besluit waarbij verweerder appellante oud voor nieuw verplichtingen heeft opgelegd, dateert van 3 augustus 2001 en de zitting van het College heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. De zaak is niet complex en appellante heeft telkenmale binnen de geldende korte termijnen gehandeld. Verweerder heeft daarentegen uiterst traag gehandeld, waaronder het langer dan 3,5 jaar doen over het beslissen op appellantes bezwaarschrift. Appellante heeft een groot belang, omdat te hoge oud-voor-nieuw verplichtingen zijn opgelegd.

Primair dient de Staat der Nederlanden in haar vordering op appellante niet ontvankelijk te worden verklaard en subsidiair dienen de appellante opgelegde oud-voor-nieuw verplichtingen verregaand te worden gematigd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Nu appellantes bezwaar bij besluit van 20 februari 2006 alsnog ontvankelijk is verklaard en enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het oorspronkelijk bestreden besluit van 16 februari 2005 gesteld noch gebleken is, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot het beroep, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede is gericht tegen de herziene beslissing op bezwaar van 20 februari 2006, overweegt het College als volgt.

5.2 In de uitspraak van 21 november 2006 inzake AWB 05/316 (<www.rechtspraak.nl>, LJN: AZ3841) heeft het College geoordeeld dat de Raadsverordening ruimte laat voor oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen als tijdens de looptijd ervan met hetzelfde schip nog weer extra laadvermogen aan de binnenvaartvloot wordt toegevoegd. Een andere uitleg zou in het licht van de doelstelling en strekking van de Raadsverordening aan de nuttige werking van deze verordening ernstig afbreuk doen en de saneringsregeling aan effectiviteit doen inboeten. Dat de Raadsverordening op dit punt geen specifieke bepalingen bevat, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder op de naleving van de verplichtingen van de Raadsverordening toe te zien.

Het College wijst er in dit verband op dat verweerder in zijn besluit van 13 juli 1999 inzake de oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen wegens het in de vaart brengen van de ondergeijkte "Amistade", de toenmalige eigenaar van het schip, Scheepvaartbedrijf C en Zonen B.V., reeds in het vooruitzicht heeft gesteld dat bij de opheffing van de onderijking van de "Amistade" alsnog voor het extra laadvermogen oud voor nieuw verplichtingen zullen moeten worden voldaan. Dat ten tijde van de hermeting van de "Amistade" in 2001 het schip niet langer aan Scheepvaartbedrijf C en Zonen B.V. in eigendom toebehoorde, maar aan appellante als opvolgend eigenaar, leidt er niet toe dat appellante voor het aan de markt toevoegen van het extra laadvermogen van oplegging van oud voor nieuw verplichtingen verschoond zou moeten blijven. Ingevolge artikel 4 van de Raadsverordening rust immers op de eigenaar van een schip waarmee laadvermogen aan de binnenvaartvloot wordt toegevoegd de plicht om de verschuldigde oud-voor-nieuw verplichtingen te voldoen.

5.3 Het College verwerpt het betoog van appellante dat haar in verband met de hermeting van de "Amistade" geen oud voor nieuw verplichtingen kunnen worden opgelegd, omdat met betrekking tot dit schip in 1999 al dergelijke verplichtingen zijn opgelegd voor het in de vaart brengen van 5.187 ton laadvermogen, terwijl het laadvermogen van de "Amistade" thans na hermeting, blijkens de meetbrief van 1 juni 2001 (HN 8374), nog slechts 5.164,549 ton bedraagt.

Vast staat immers dat de "Amistade" aanvankelijk is ondergeijkt op een, blijkens de meetbrief met kenmerk HN 7223, laadvermogen van 4.510,072 ton. Nu het laadvermogen van de "Amistade" na opheffing van de onderijking dus 5.164,549 ton bedraagt, heeft verweerder over het na deze hermeting van het schip in de vaart gebrachte extra laadvermogen van 654,447 ton terecht oud voor nieuw verplichtingen berekend en deze aan appellante opgelegd. Verweerder is terecht uitgegaan van de in de verschillende meetbrieven genoemde tonnages. Het motief van appellante om tot opheffing van de onderijking van het schip over te gaan, is niet van belang.

5.4 Ten aanzien van verweerders afwijzing van de door appellante gevorderde schadevergoeding overweegt het College als volgt.

Appellante heeft om aan de door verweerder aanvankelijk te hoog opgelegde oud voor nieuw verplichtingen te voldoen geen speciale bijdrage betaald, maar wel een hoeveelheid van 38,083 ton teveel gesloopt. Hierdoor heeft zij ten hoogste een schade geleden van (38,083 ton x € 120,00 per ton =) € 4.569,96, exclusief wettelijke rente. Echter, eveneens staat vast dat appellante gedurende de periode van 3 augustus 2001 tot 18 februari 2003 het bedrag dat zij per 3 augustus 2001 aan speciale bijdrage verschuldigd was, welk bedrag door verweerder op € 72.254,26 is bepaald, verzuimd heeft tijdig aan de Staat te betalen. De renteschade die de Staat daardoor heeft geleden (€ 8.318,69), is groter dan de door appellante geleden schade, ook indien ten faveure van appellante rekening wordt gehouden met wettelijke rente. Appellante heeft door te laat te betalen een rentevoordeel gehad. Bij deze stand van zaken zijn voor verweerder geen gronden aanwezig om appellantes verzoek om schadevergoeding te honoreren, zodat het verzoek van appellante daartoe terecht is afgewezen.

5.5 Het College kan het betoog van appellante niet onderschrijven dat in het onderhavige geval is gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM, omdat niet binnen een redelijke termijn op het bezwaar en het beroep van appellante is beslist.

Het College overweegt hiertoe dat het tijdsverloop tussen het moment van hermeting van de "Amistade" (1 juni 2001) en verweerders primaire besluit (3 augustus 2001) niet als onredelijk lang kan worden aangemerkt. Ditzelfde geldt voor de verstreken tijdsduur tussen het primaire besluit (3 augustus 2001) en het bestreden besluit (16 februari 2005), waarbij het College rekening houdt met het feit dat appellante pas op 18 februari 2003 aan de haar bij het primaire besluit opgelegde oud voor nieuw verplichtingen heeft voldaan en zij door haar handelwijze tussen 3 augustus 2001 en 18 februari 2003 dus alleen maar (rente)voordeel heeft gehad. Ten slotte kan ook de duur van de procedure bij het College, welke met de ontvangst van appellantes beroepschrift op 24 maart 2005 is aangevangen, mede gelet op de procesincidenten daarna, niet als onredelijk lang worden beschouwd.

5.6 Het vorenstaande brengt mee dat de grieven van appellante tegen de oplegging van oud voor-nieuw verplichtingen niet slagen. Het herziene besluit van 20 februari 2006 kan in stand blijven en het daartegen gerichte beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

5.7 Verweerder heeft pas na het instellen van het beroep inhoudelijk op het bezwaar van appellante beslist. Het College ziet hierin aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 met een gemiddeld gewicht, ad € 322, per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 16 februari 2005 niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het herziene besluit van 20 februari 2006 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644, (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 276, (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener