Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB3624

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/150
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/150 7 augustus 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: Veldman & Van Dijk, Administraties en Belastingadviezen, te Leens,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Oosterkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 3 februari 2006, bij het College binnengekomen op 6 februari 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 december 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 14 juli 2005 waarbij verweerder de aanvraag akkerbouwsubsidie 2005 van appellante in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gesteld.

Bij brief van 13 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 21 maart 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellante is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (hierna: de Raadsverordening) luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 22

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

Artikel 40 - Gevallen van onbillijkheid

(…)

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (hierna: de Commissieverordening) luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 11 - Uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag

1. Een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, mag slechte één verzamelaanvraag per jaar indienen. (…)

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum die niet later is dan 15 mei. (…)

Artikel 12 - Inhoud van de verzamelaanvraag

1. De verzamelaanvraag moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a) de identiteit van de landbouwer;

b) de betrokken steunregeling of -regelingen;

c) ten behoeve van de bedrijfstoeslagregeling, de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 bedoelde identificatie- en registratiesysteem, uitgesplitst in braakleggingstoeslagrechten en andere toeslagrechten;

d) de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma, de ligging ervan en, voorzover relevant, het grondgebruik op die percelen en het feit dat het al dan niet om een geïrrigeerd perceel gaat;

e) een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die in verband met de betrokken steunregelingen gelden.

(…)

Artikel 21 - Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1% per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. (…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)

Artikel 72 - Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moeten, samen met de relevante bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit worden gemeld binnen tien werkdagen na de dag vanaf welke dit voor de landbouwer mogelijk is.”

Bij de Regeling was ten tijde in geding onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 105

1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen en de melkpremieaanvraag, maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

Artikel 4:5 van de Awb luidt als volgt:

“1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

(…)

4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 17 mei 2005 heeft verweerder het formulier “Gecombineerde opgave 2005” van appellante ontvangen. Met het toezenden van dit formulier heeft zij een verzamelaanvraag in het kader van de Regeling ingediend.

- Bij brief van 14 juni 2005, met als onderwerp ‘niet acceptatie Gecombineerde opgave 2005’, heeft verweerder appellante onder het kopje ‘foutcode 16’ onder meer meegedeeld dat zij vergeten is een handtekening te zetten en dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. Verweerder heeft appellante verzocht pagina

19 van het Hoofdformulier alsnog van een handtekening te voorzien en alle documenten terug te sturen binnen een termijn van 14 dagen na 14 juni 2005. Verweerder heeft appellante er op gewezen dat, bij gebreke van een reactie binnen die termijn en als essentiële gegevens blijken te ontbreken, er rekening mee dient te worden gehouden dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gelaten.

- Bij besluit van 14 juli 2005 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de aanvraag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb, buiten behandeling is gelaten.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij een op 19 juli 2005 door verweerder ontvangen brief bezwaar gemaakt. Dezelfde dag heeft verweerder een ondertekende aanvraag ontvangen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft hij met een beroep op artikel 7:3 van de Awb ervan afgezien appellante te horen over haar bezwaren.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Bij ontvangst van de verzamelaanvraag op 17 mei 2005 is verweerder gebleken dat de handtekening ontbrak. De noodzaak van ondertekening door de aanvrager vloeit voort uit artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EG) nr. 796/2004. Appellante is verantwoordelijk voor het aanleveren van alle essentiële gegevens. Appellante is bij brief van 14 juni 2005 op de onvolledigheid van de aanvraag geattendeerd en heeft conform artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, 14 dagen de tijd gekregen de aanvraag aan te vullen. Ook is appellante gewezen op de gevolgen van het niet aanvullen van de opgave. Ingevolge artikel 4:5, vierde lid van de Awb, kan een onvolledige aanvraag buiten behandeling worden gelaten, mits dit besluit aan de aanvrager bekend wordt gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Aangezien van appellante binnen de gestelde termijn geen reactie is ontvangen, is de aanvraag buiten behandeling gelaten.

De gevolgen van het niet tijdig indienen van een ondertekende verzamelaanvraag komen in beginsel geheel voor rekening en risico van de aanvrager, tenzij er sprake is van overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 40, vierde lid, van de Raadsverordening. Ondanks het feit dat verweerder begrip heeft voor de persoonlijke omstandigheden die de leden van de maatschap ongetwijfeld in de bedrijfsvoering hebben gehinderd, is verweerder van mening dat deze omstandigheden geen beroep op overmacht rechtvaardigen. Indien één van de maten door ziekte niet in staat is het bedrijf te leiden, dient de andere ervoor zorg te dragen dat er tijdig maatregelen worden getroffen in verband met de continuering van de bedrijfsvoering. Zo had tijdig een derde kunnen worden ingeschakeld die de administratie had kunnen waarnemen. De keuze het bedrijf voort te zetten zonder hulp van een derde, is een keuze waarvan de consequenties voor rekening van appellante dienen te komen.

4. Het standpunt van appellante

Ten onrechte meent verweerder dat het beroep op overmacht, voortkomend uit bijzondere persoonlijke omstandigheden, niet kan worden gehonoreerd. Ten tijde van de indiening van de subsidieaanvraag was één van de maatschapsleden in een rusthuis opgenomen en rustte op het andere lid van de maatschap de volledige zorg voor een dochter, die in afwachting van heropname thuis verbleef na een periode van langdurig ziekenhuisverblijf. Dit alles is ten koste gegaan van de noodzakelijke aandacht voor de administratie van het bedrijf. Het aantrekken van een nieuw personeelslid binnen de gestelde termijn van 14 dagen is een onmogelijke opgave.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat namens appellante een niet ondertekende aanvraag om akkerbouwsubsidie bij verweerder is ingediend en dat de door verweerder gegeven termijn voor herstel van dit verzuim niet is benut, doordat pas gedurende de bezwaartermijn een ondertekende aanvraag is ingediend. Het College ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.

5.2 Ingevolge artikel 12 van de Commissieverordening, omgezet in artikel 105 van de Regeling, is onder meer ondertekening van de steunaanvraag een vereiste om vast te stellen of de landbouwer aanspraak op steun kan maken. Verweerder heeft deze voorwaarde vastgelegd in onderdeel M van het door verweerder verstrekte aanvraagformulier. Blijkens de toelichting heeft de ondertekening tot doel de aanvrager te laten verklaren dat hij kennis heeft genomen van en instemt met de subsidievoorwaarden en verplichtingen zoals vermeld in de Regeling en de Europese regelgeving waarop de Regeling is gebaseerd. Met de ondertekening geeft de aanvrager tevens te kennen dat hij de opgave volledig en naar waarheid heeft ingevuld.

Op grond van deze bepalingen heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de ondertekening van de aanvraag essentieel is om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken en kon hij, nadat appellante de hersteltermijn voor completering van de aanvraag ongebruikt had laten verstrijken, op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, in redelijkheid besluiten tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag.

De omstandigheid dat appellante gedurende de bezwaartermijn alsnog een ondertekende aanvraag heeft overgelegd noopte verweerder niet om terug te komen op dit besluit. Immers, de door appellante aangevoerde omstandigheden, hoe schrijnend ook, zijn naar het oordeel van het College niet van dien aard dat zij overmacht in de zin van artikel 40, vierde lid, van de Raadsverordening opleveren als het gaat om de met de onderhavige situatie op één lijn te stellen vraag of termijnoverschrijding bij de indiening van een genoegzame aanvraag kan worden geëxcuseerd. Dat hier door verweerder een fatale hersteltermijn werd gesteld kon appellante opmaken uit de brief van 14 juni 2005. Een termijn van 14 dagen is niet te kort voor het verkrijgen van een handtekening en een aanvrager die in een dergelijk geval niet tijdig actie onderneemt voldoet niet aan een op hem in het kader van de subsidierelatie rustende verplichting en kan derhalve niet volhouden dat sprake is van abnormale en onvoorziene omstandigheden die vreemd zijn aan degene die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet konden worden vermeden.

5.4 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2007.

w.g. F. Stuurop De griffier bevindt zich in de

onmogelijkheid de uitspraak

te ondertekenen.