Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0940

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Wetsverwijzingen
Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 4
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/666 6 maart 2007

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

de Voorzitter van het Productschap Pluimvee en Eieren (hierna ook: productschap), te Zoetermeer, appellant van een tuchtuitspraak met kenmerk TPPE 26/2006 van 23 mei 2006 van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector (hierna: tuchtgerecht).

Gemachtigde: mr. R.B.R. Henke, werkzaam bij de afdeling Juridische- en Bezwaarzaken van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Bij voormelde tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht Maatschap X en de heer Y bij verstek vrijgesproken van de feiten waarvoor de voorzitter van het productschap in zijn schriftelijke verklaring van 24 april 2006 een maatregel had gevraagd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en artikel 10 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

Bij brief van 25 augustus 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, heeft appellant beroep ingesteld tegen die tuchtuitspraak.

Bij brief van 12 september 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan het College.

Op 12 januari 2007 heeft het College een brief ontvangen van de gemachtigde van Z.

Op 23 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van appellant is verschenen.

2. Het wettelijk kader

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet turbo 2004) bepaalde, ten tijde hier van belang, onder meer:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

a. (…);

b. geldboete;

c. (…);

d. (…).

(…)

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

2. Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan

€ 1135,-, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste € 11250,-.

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.”

In de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 (hierna: Verordening) is, ten tijde hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 4

1. Iedere ondernemer is verplicht elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel a., bedoelde schadelijke micro-organismen. Voorts is iedere ondernemer verplicht monsters te nemen van voeders op zijn bedrijf. Het bestuur kan regels stellen omtrent het materiaal dat bemonsterd dient te worden, de wijze van bemonstering, alsmede het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.

2. (…)

3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek geschiedt door middel van het nemen van monsters. De monsters dienen te worden genomen door een erkende instantie, die wordt aangewezen door de voorzitter en werkt volgens een door het bestuur goedgekeurd protocol.

4. (…)

5. In afwijking van het derde lid is het de ondernemer die een vleeskuikenbedrijf, kuikenbroederij of opfokbedrijf uitoefent in de door het bestuur bij besluit aangewezen gevallen toegestaan zelf monsters te nemen of te laten nemen.

6. (…)

7. Het bestuur kan regels stellen omtrent de wijze van bemonstering en het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.

8. De monsters dienen te worden onderzocht door een erkend laboratorium, dat wordt aangewezen door de voorzitter, op basis van door het bestuur vast te stellen erkenningsvoorwaarden.

9. Iedere ondernemer is verplicht de uitslag van het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, twee jaar te bewaren.

Artikel 5

1. Iedere ondernemer is verplicht de informatie, die is verkregen door middel van het onderzoek bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid van artikel 4, door te geven aan de afnemer van het pluimvee, broedeieren of consumptie-eieren. Het bestuur kan bij besluit bepalen dat een ondernemer tevens verplicht is de in de vorige zin bedoelde informatie aan de leverancier van pluimvee of broedeieren en/of aan het productschap door te geven.

2. Het bestuur kan regels stellen omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde informatie moet worden doorgegeven.”

Het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999 (hierna: Besluit) bepaalde, ten tijde hier van belang, onder meer:

“Artikel 3

Bij binnenkomst van een koppel vleeskuikens op het vleeskuikenbedrijf dient dat koppel op de wijze als omschreven in Bijlage I bemonsterd te worden.”

3. Het berechtingsrapport

Bij de in artikel 15 Wet turbo 2004 bedoelde schriftelijke verklaring van de voorzitter van het productschap, gedateerd 24 april 2006, is een tuchtrechtelijke maatregel gevraagd tegen Maatschap X en de heer Z. Voor de omschrijving van het feit waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel werd gevraagd, is daarbij verwezen naar het berechtingsrapport, opgemaakt op 19 augustus 2005 door A. In het berechtingsrapport is bedoeld feit als volgt geformuleerd:

“Het niet laten onderzoeken van elk koppel pluimvee op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen, Salmonella.”

Dit feit levert volgens het berechtingsrapport overtreding op van artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3 Besluit. Deze overtreding is blijkens het rapport op 17 november 2004 begaan. In het rapport heeft de controleur vermeld dat hij zich tijdens de inspectie op 12 april 2005 bevond op een perceel gelegen aan de B te C, alwaar de administratie wordt gevoerd van het vleeskuikenbedrijf van Maatschap X, bij het productschap geregistreerd onder nummer 37681. Aldaar sprak hij met de heer Z, wonende B te C, die verklaarde mede-eigenaar van het bedrijf te zijn en als zodanig medeverantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen dit bedrijf. Mede aan de hand van de hem ter beschikking gestelde gegevens heeft de controleur vastgesteld dat er op het vleeskuikenbedrijf op 17 november 2004, 34.560 vleeskuikens in hok 1 waren opgezet welke vervolgens op 30 december 2004 voor de slacht waren afgeleverd. Desgevraagd kon Z niet aantonen dat deze dieren bij aankomst waren bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella, zijnde een schadelijk micro-organisme als bedoeld in de bijlage, aanhef en onder a, van de Verordening.

4. De bestreden tuchtuitspraak

Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht Maatschap X en de heer Y van dit feit vrijgesproken, omdat terzake van artikel 4, eerste lid, Verordening en artikel 3 Besluit geen overtreding kan worden geconstateerd. Ter motivering van deze vrijspraak is het volgende vermeld:

“`Het tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van de heer Z, ter zitting niet is komen vast te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Productschap Pluimvee en Eieren onder nummer 37681, het volgende strafbare feit heeft plaatsgevonden:

Het niet bemonsteren en onderzoeken op aanwezigheid van Salmonella bij een koppel vleeskuikens bij aankomst op het bedrijf.

Volgens het berechtingsrapport heeft betrokkene wel aan zijn verplichting met betrekking tot monstername, voortvloeiend uit artikel 4, lid 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 (de Verordening), voldaan.

In de schriftelijke verklaring wordt betrokkenen verweten niet aan bovenbedoelde verplichting te hebben voldaan. Die conclusie wordt getrokken uit het feit dat de onderzoeksuitslagen niet bekend zijn. Uit de twee verklaringen van respectievelijk betrokkene zelf en de leverancier, de heer D, opgenomen in het berechtingsrapport, blijkt echter dat het normale protocol wel is gevolgd.

Ter zake van artikel 4, lid 1 van de Verordening en artikel 3 Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999, juncto bijlage I (werkvoorschrift), kan derhalve geen overtreding geconstateerd worden.”

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Ter beantwoording van het College staat de vraag of het tuchtgerecht terecht Maatschap X en de heer Y heeft vrijgesproken van overtreding van artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3 Besluit.

5.2 Het College stelt vast dat de voorzitter van het productschap een tuchtrechtelijke maatregel heeft gevraagd tegen Maatschap X en de heer Z, terwijl het tuchtgerecht bij de bestreden tuchtuitspraak Maatschap X en de heer Y heeft vrijgesproken.

Bij brief van 13 december 2006, aangetekend verzonden naar meergenoemd adres, heeft het College Maatschap X en de heer Y in kennis gesteld van de behandeling van het beroep ter zitting op 23 januari 2007. Naar aanleiding hiervan heeft de heer Z bij brief van 11 januari 2007 het College meegedeeld:

“De tennaamstelling van uw schrijven is onjuist dit had moeten zijn Maatschap W, de adressering is wel juist.

Het productschap gebruikt deze naam ook, zie hiervoor bijlage 1.

Gelet op het voorgaande verzoeken wij u de zaak te seponeren en van verdere rechtsvervolging af te zien.”

Bij deze brief is als bijlage gevoegd een afschrift van een brief van 4 maart 2005 van de Sectorafdeling Pluimvee(vlees) en Eieren gericht aan Maatschap W, B te C, betreffende “terugmelding Koppel Informatiesysteem Pluimvee (KIP)”. Zowel aan het hoofd van de brief als in het kenmerk is het nummer vermeld waaronder de geadresseerde in het informatiesysteem van het productschap is geregistreerd: 37681.

Het College heeft appellant bij brief van 16 januari 2007 een afschrift van bovengenoemd gedingstuk gezonden en appellant verzocht na te gaan wat de feitelijke situatie met betrekking tot de tenaamstelling precies is (geweest) en tot welke gevolgtrekkingen dit naar zijn mening leidt en een en ander ter zitting op 23 januari 2007 aan het College mee te delen.

Ter zitting heeft gemachtigde van appellant aangegeven dat hij van de brief van 16 januari 2007 nog geen kennis heeft genomen, maar in antwoord op de daarin gestelde vraag kan melden dat wordt uitgegaan van de in het Koppel Informatiesysteem Pluimvee omtrent het pluimveebedrijf geregistreerde gegevens. Volgens de gemachtigde rust op de ondernemer de plicht zich met de juiste gegevens bij het productschap te laten registreren. Indien die gegevens niet juist blijken te zijn, is dat aan de ondernemer te wijten. Gemachtigde heeft gesteld dat kennelijk vóór 4 maart 2005 een wijziging met betrekking tot de tenaamstelling aan het productschap is doorgegeven. Het betreft volgens hem in elk geval een en hetzelfde bedrijf, aangezien beide maatschappen hetzelfde registratienummer hebben: 37681.

5.3 Op grond van hetgeen blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het College er niet van overtuigd dat de als verdachte aangemerkte (natuurlijke) personen, Maatschap X en de heer Y, voor de ten laste gelegde feiten kunnen worden aangesproken. De inhoud van die stukken laat ruimte voor de mogelijkheid dat ten tijde van de geconstateerde overtreding niet deze personen, maar één of meer anderen tot de tuchtrechtelijk aansprakelijken moesten worden gerekend.

Daargelaten dat er naar het oordeel van het College niet voldoende gegevens beschikbaar zijn om de aanwijzing door het tuchtgerecht in de bestreden tuchtuitspraak van de heer Y als verdachte – tot dan toe was naast Maatschap X telkens de heer Z als verdachte aangemerkt – zonder meer als een kennelijke verschrijving te kunnen beschouwen, bestaat daartoe des te minder aanleiding, nu op grond van de brief van 11 januari 2007 van Z tevens onduidelijkheid is gerezen ten aanzien van de tenaamstelling van de ten tijde van de geconstateerde overtreding voor de naleving van de Verordening en het Besluit verantwoordelijke maatschap. Niet uitgesloten is dat ten tijde van belang niet Maatschap X, maar Maatschap W dan wel een andere (rechts)persoon of samenwerkingsverband, als verantwoordelijke diende te worden aangemerkt. Ondanks dat hij daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld, heeft appellant in deze kwestie geen klaarheid kunnen brengen. Aan het gegeven dat genoemde maatschappen met hetzelfde KIP-nummer bij het productschap bekend zouden staan – en het volgens appellant derhalve om een en hetzelfde pluimveebedrijf moet gaan – komt geen doorslaggevende betekenis toe. Blijkbaar bestaat de mogelijkheid onder hetzelfde nummer een nieuwe maatschap met één of meer nieuwe maten te laten registreren, zodat het registratienummer weinig zegt over de identiteit van de verantwoordelijke ondernemer. Evenmin volstaat de stelling dat aannemelijk is te achten dat de tenaamstelling van Maatschap X is gewijzigd tussen de datum waarop de overtreding is begaan en de brief van 4 maart 2005 van de Sectorafdeling Pluimvee(vlees) en Eieren. De identiteit van de verdachte(n) moet onomstotelijk vaststaan.

5.4 Nu niet is komen vast te staan dat Maatschap X en de heer Y degenen zijn die voor de geconstateerde overtreding tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden en dienaangaande kunnen worden vervolgd, dienen zij naar het oordeel van het College van de ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Het voorgaande leidt het College tot de slotsom dat de bestreden tuchtuitspraak, waarbij Maatschap X en de heer Y van overtreding van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3 Besluit zijn vrijgesproken, voor bevestiging in aanmerking komt, zij het op andere gronden dan het tuchtgerecht aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het beroep van appellant moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak alsmede op hoofdstuk V van de Wet turbo 2004.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.A. Hagen en mr. S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. C.G.M. van Ede