Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0937

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Wetsverwijzingen
Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 4
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/665 6 maart 2007

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

de Voorzitter van het Productschap Pluimvee en Eieren (hierna ook: productschap), te Zoetermeer, appellant van een tuchtuitspraak met kenmerk TPPE 29/2006 van 23 mei 2006 van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector (hierna: tuchtgerecht).

Gemachtigde: mr. R.B.R. Henke, werkzaam bij de afdeling Juridische- en Bezwaarzaken van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Bij voormelde tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht Maatschap A en de heer B bij verstek vrijgesproken van de feiten waarvoor de voorzitter van het productschap in zijn schriftelijke verklaring van 25 april 2006 een maatregel had gevraagd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en artikel 10 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

Bij brief van 25 augustus 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, heeft appellant beroep ingesteld tegen die tuchtuitspraak.

Bij brief van 12 september 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan het College.

Op 23 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van appellant is verschenen. De Maatschap A, noch de heer B, hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn verschenen of hebben zich laten vertegenwoordigen.

2. Het wettelijk kader

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet turbo 2004) bepaalde, ten tijde hier van belang, onder meer:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

a. (…);

b. geldboete;

c. (…);

d. (…).

(…)

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

2. Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan

€ 1135,-, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste € 11250,-.

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.”

In de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 (hierna: Verordening) is, ten tijde hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 4

1. Iedere ondernemer is verplicht elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel a., bedoelde schadelijke micro-organismen. Voorts is iedere ondernemer verplicht monsters te nemen van voeders op zijn bedrijf. Het bestuur kan regels stellen omtrent het materiaal dat bemonsterd dient te worden, de wijze van bemonstering, alsmede het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.

2. (…)

3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek geschiedt door middel van het nemen van monsters. De monsters dienen te worden genomen door een erkende instantie, die wordt aangewezen door de voorzitter en werkt volgens een door het bestuur goedgekeurd protocol.

4. (…)

5. In afwijking van het derde lid is het de ondernemer die een vleeskuikenbedrijf, kuikenbroederij of opfokbedrijf uitoefent in de door het bestuur bij besluit aangewezen gevallen toegestaan zelf monsters te nemen of te laten nemen.

6. (…)

7. Het bestuur kan regels stellen omtrent de wijze van bemonstering en het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.

8. De monsters dienen te worden onderzocht door een erkend laboratorium, dat wordt aangewezen door de voorzitter, op basis van door het bestuur vast te stellen erkenningsvoorwaarden.

9. Iedere ondernemer is verplicht de uitslag van het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, twee jaar te bewaren.

Artikel 5

1. Iedere ondernemer is verplicht de informatie, die is verkregen door middel van het onderzoek bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid van artikel 4, door te geven aan de afnemer van het pluimvee, broedeieren of consumptie-eieren. Het bestuur kan bij besluit bepalen dat een ondernemer tevens verplicht is de in de vorige zin bedoelde informatie aan de leverancier van pluimvee of broedeieren en/of aan het productschap door te geven.

2. Het bestuur kan regels stellen omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde informatie moet worden doorgegeven.”

Het Hygiënebesluit fokbedrijven pluimveevleessector 2003 (hierna: Besluit) bepaalde, ten tijde hier van belang, onder meer:

“Artikel 3

1. Het pluimvee op een fokbedrijf of het pluimvee op een opfokbedrijf bestemd voor een fokbedrijf dienen op de wijze als omschreven in het in Bijlage I opgenomen programma onderzocht te worden.

2. In het geval dat het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella wordt aangetoond dan dient de betreffende ondernemer de maatregelen te nemen als omschreven in bijlage I.

Artikel 4

De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer.”

In Bijlage I bij het Besluit is onder meer het volgende bepaald:

“A.1. Monstername en analyse

Monsters op opfokbedrijven waarvan het pluimvee bestemd is voor fokbedrijven dienen genomen en onderzocht te worden op alle types Salmonella volgens onderstaande tabel:

(…)

De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het bemonsteren van inlegvellen. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer, die het opfokbedrijf uitoefent volgens het protocol uit onderdeel C. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

(…)

A.3. Doorgifte resultaten onderzoek

Indien uit de analyse van de inlegvellen blijkt dat het koppel pluimvee verdacht wordt van een Salmonella, dan dient de ondernemer de GD hierover onmiddellijk te informeren, waarna het verificatie-onderzoek uitgevoerd zal worden.

De GD geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen 1 maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD. De monstername geschiedt binnen 24 uur na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD.

Als het vermoeden rijst dat er sprake kan zijn van een besmetting met S.e./S/t danwel Salmonella paratyphi B var. Java dan geeft de GD de (mogelijke) besmetting, waarbij een identificatienummer van de pluimveehouder is vermeld (KIP-nummer), binnen 48 uur aan het Productschap door. De pluimveehouder is ervoor verantwoordelijk dat de uitslag onverwijld wordt doorgegeven aan het Productschap. Hij kan dit laten uitvoeren door de GD.

Als uit de resultaten van het verificatie-onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e./ S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het Productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslag van het onderzoek op Salmonella dat maximaal 21 dagen voor overplaatsing plaatsvindt dient door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.”

3. Het berechtingsrapport

Bij de in artikel 15 Wet turbo 2004 bedoelde schriftelijke verklaring van de voorzitter van het productschap, gedateerd 25 april 2006, is voor de omschrijving van het feit waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel werd gevraagd verwezen naar het berechtingsrapport, opgemaakt op 26 september 2005 door C. In het berechtingsrapport is bedoeld feit als volgt geformuleerd:

“Het niet laten onderzoeken van elk koppel pluimvee op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen, Salmonella.”

Dit feit levert volgens het berechtingsrapport overtreding op van artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3, eerste lid, Besluit. Deze overtreding is blijkens het rapport op 22 september 2004 begaan. In het rapport is vermeld dat de controleur tijdens de inspectie op 4 juli 2005 desgevraagd en mede aan de hand van de hem ter beschikking gestelde gegevens heeft vastgesteld dat er in de hokken 1 tot en met 7 op 22 september 2004 eendagskuikens, te weten 43.300 hennen en 5.270 hanen, waren opgezet en dat betrokkene, B, desgevraagd niet kon aantonen dat deze dieren bij aankomst waren bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella, zijnde een schadelijk micro-organisme als bedoeld in de bijlage, aanhef en onder a, van de Verordening.

4. De bestreden tuchtuitspraak

Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht B van bovengenoemd feit vrijgesproken, omdat naar zijn oordeel niet verwijtbaar is gehandeld terzake van artikel 4, eerste lid, Verordening. Ter motivering van deze vrijspraak is, voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

“Het betreft hier voorschriften terzake van monstername en onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen. Betrokkene heeft in zijn verklaring (…) gemotiveerd uiteengezet welke handelwijze hij gevolgd heeft. Daarbij heeft hij de genomen monsters aan de chaufeur van de kuikenleverancier meegegeven. De juiste afhandeling blijft hiermee primair de verantwoordelijkheid van betrokkene. Het Tuchtgerecht erkent evenwel dat het meegeven van onderzoeksmonsters aan de chauffeur van de leverancier in veel gevallen bestendig gebruik is. Betrokkene heeft in casu gedaan wat van hem verlangd mocht worden, toen de uitslagen van het desbetreffende onderzoek niet toegestuurd bleken te zijn, door contact op te nemen met de broederij, die zorg zou dragen voor het onderzoek.”

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Ter beantwoording van het College staat de vraag of het tuchtgerecht B terecht heeft vrijgesproken terzake van overtreding van artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3, eerste lid, Besluit.

5.2 Naar het oordeel van het College heeft het tuchtgerecht terecht voorop gesteld dat de juiste afhandeling van de voorschriften op het gebied van monsterneming en onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen (Salmonella) de verantwoordelijkheid van de ondernemer blijft. De Verordening legt deze verplichtingen op aan de ondernemer, dat wil zeggen een natuurlijk persoon of rechtspersoon, die een pluimveebedrijf of kuikenbedrijf uitoefent, ongeacht of de ondernemer zelf deze verplichtingen nakomt dan wel een derde hiermee belast. Met andere woorden, ondernemers die met de uitvoering van het plan van aanpak ter voorkoming en bestrijding van besmetting door schadelijke micro-organismen als Salmonella zijn belast, dragen daarvoor in beginsel de volle verantwoordelijkheid, ook voor de gevolgen van onzorgvuldig handelen door derden.

5.3 In het in veel gevallen bestendige gebruik om onderzoeksmonsters aan de chauffeur van de leverancier mee te geven en in de omstandigheid dat B, nadat hij geen uitslag van het onderzoek bleek te hebben ontvangen, contact heeft opgenomen met de broederij die voor het onderzoek zorg zou dragen, ziet het College echter, anders dan het tuchtgerecht, geen grond voor het oordeel dat B terzake van artikel 4, eerste lid, Verordening niet verwijtbaar heeft gehandeld.

5.4 Het gegeven dat als staande praktijk wordt aanvaard dat ondernemers monsters niet rechtstreeks, maar via (de chauffeur van) de leverancier ter onderzoek aan het laboratorium aanbieden, betekent niet dat deze ondernemers niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het niet nakomen van de verplichting om overeenkomstig de voorschriften van het productschap onderzoek naar de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen te laten doen. Met de overdracht van monsters aan (de chauffeur van) de leverancier draagt de ondernemer niet tevens zijn verantwoordelijkheid voor nakoming van deze verplichting over. Met appellant is het College van oordeel dat die verplichting niet als een inspanningsverplichting, maar als een resultaatsverplichting moet worden aangemerkt. Op grond van de toepasselijke regelgeving dient de ondernemer, onder meer, het onderzoek te laten plaatsvinden, de uit het onderzoek verkregen informatie over te dragen en de uitslag van het onderzoek gedurende twee jaar te bewaren. Indien in verband met het laten verrichten van het onderzoek gebruik wordt gemaakt van de diensten van een derde, zoals (de chauffeur van) de leverancier, is het aan de ondernemer duidelijke afspraken te maken teneinde zeker te stellen dat aan deze verplichtingen wordt voldaan. In het geval door feiten of omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de ondernemer liggen desondanks niet aan die verplichtingen wordt voldaan, kan er aanleiding bestaan de overtreding niet of slechts gedeeltelijk aan de ondernemer toe te rekenen.

5.5 In het onderhavige geval ontving B, blijkens de weergave van de door hem afgelegde verklaring in het berechtingsrapport, op 22 september 2004 voor het eerst een levering kuikens via leverancier D. Volgens B deelde de chauffeur van deze leverancier mee dat de monsters door D ter onderzoek zouden worden opgestuurd. Enkele weken later bleek B tijdens het nakijken van zijn administratie dat hij geen uitslag van het onderzoek had ontvangen. Navraag bij D wees uit dat deze leverancier de monsters nimmer ter onderzoek naar het laboratorium opstuurt. Alleen contramonsters worden, voor het geval zich problemen voordoen, door D ongeveer zes weken bewaard, maar deze waren inmiddels weggedaan.

5.6 Juist indien de ondernemer zaken doet met een nieuwe leverancier brengen de op hem rustende verplichtingen met zich dat hij door middel van het maken van duidelijke afspraken zeker stelt dat overeenkomstig de voorschriften van het productschap onderzoek naar de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen wordt gedaan. Uit de beschikbare gegevens maakt het College op dat B terzake niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Immers, indien B voorafgaand aan de levering van de kuikens contact met leverancier D had opgenomen teneinde afspraken omtrent het ter onderzoek opsturen van de inlegvellen te maken, had hij kunnen weten dat het bij deze leverancier geen bestendig gebruik is om ten behoeve van de afnemende ondernemer monsters op te sturen. Dat B zich heeft verlaten op, naar achteraf is gebleken, onjuiste mededelingen van de chauffeur van de leverancier verontschuldigt hem niet. Gezien het belang van juiste naleving van de hier aan de orde zijnde voorschriften mag van B worden verlangd dat hij omtrent het ter onderzoek opsturen van monsters afspraken maakt met de leverancier, althans met degene die bevoegd is daaromtrent afspraken met de afnemende ondernemer te maken. Duidelijk is dat dit niet de chauffeur was. Het verzuim van B om van tevoren duidelijke afspraken met de leverancier te maken, dient hem naar het oordeel van het College volledig te worden aangerekend. Dat B, in een poging de gang van zaken te achterhalen en het onderzoek alsnog te doen plaatsvinden, achteraf contact met de leverancier heeft opgenomen, doet hier niet aan af.

5.7 Naar het oordeel van het College heeft het tuchtgerecht ten onrechte anders geoordeeld. De bestreden tuchtuitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep moet gegrond worden verklaard.

5.8 Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het College bewezen acht dat B de verplichtingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Verordening in verbinding met artikel 3, eerste lid, Besluit heeft overtreden. Het College zal B alsnog een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Rekening houdend met de ernst van de overtreding, daarbij in aanmerking nemend dat het belang van de volksgezondheid in het geding is, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, de omvang van de onderneming, de als gevolg van het uitblijven van het onderzoek bespaarde kosten en het gegeven dat niet gebleken is dat B terzake eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, acht het College een geldboete ter hoogte van € 225,- (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro), waarvan € 100,- (zegge: honderd euro) voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak alsmede op hoofdstuk V van de Wet turbo 2004.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;

- verklaart bewezen overtreding door Maatschap A en de heer B van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Verordening

hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 in verbinding met artikel 3, eerste lid, van het Hygiënebesluit fokbedrijven

pluimveevleessector 2003;

- veroordeelt Maatschap A en de heer B tezamen tot een geldboete van € 225,- (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro),

waarvan € 100,- (zegge: honderd euro) op de voorwaarde dat Maatschap A en B binnen de proeftijd van één jaar ingaande

de dag na het wijzen van deze beslissing niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het bepaalde in de

Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 dan wel enige verordening houdende bepalingen omtrent

hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zullen overtreden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.A. Hagen en mr. S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. C.G.M. van Ede