Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0925

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/14 19 juli 2007

20120 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A AA en B AA, kantoorhoudend te C, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 7 november 2005, kenmerk 1019/03.10

gemachtigde: mr. T.L. Cieremans, advocaat te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 8 november 2005, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 4 maart 2003 door D B.V., E B.V. en F B.V., ingediend tegen appellanten. Bij brieven van 13 maart 2003 en 7 april 2003 hebben G B.V., H en I zich bij de klacht aangesloten (hierna gezamenlijk: klagers).

Bij een op 6 januari 2006 ingediend beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. De raad van tucht heeft bij brief van 7 februari 2006 op de stukken als bedoeld in artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 15 maart 2006 hebben de klagers gereageerd op het beroepschrift en tevens melding gemaakt van de wijziging van de naam D B.V. in J B.V.

Op 12 juni 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten en hun gemachtigde zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door mr. drs. L.J. Wortel RA.

Van de zijde van klagers zijn verschenen K, directeur van J B.V. en H. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klachtonderdelen 4 en 5 gegrond verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond. Ter zake van de gegrondverklaring van klachtonderdeel 5 heeft de raad van tucht de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellanten komen op tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel 5. De raad van tucht heeft daarbij geoordeeld dat appellanten het resultaat van L B.V. weliswaar terecht hebben verantwoord in de jaarrekening van VOF M te C, maar dat zij zich ervan hadden moeten vergewissen of alle vennoten van M ook gerechtigd waren in de winst van L.

Appellanten voeren ter ondersteuning van hun beroep in hun eerste grief aan dat de klacht in eerste aanleg nimmer zo verstrekkend geformuleerd is, noch tijdens de twee mondelinge behandelingen bij de raad van tucht zo besproken is, als de raad van tucht in zijn uitspraak heeft aangegeven. Appellanten stellen dat het verwijt met betrekking tot de consolidatie is gemaakt, maar dat het verwijt dat zij hebben nagelaten te controleren of de vennoten op gelijke wijze als voor de andere onderdelen van M winstgerechtigd waren, nimmer door klagers is gemaakt. Appellanten hebben in eerste aanleg niet de gelegenheid gehad zich op dit punt uit te laten.

3.2 Het College stelt vast dat in de klacht het volgende is opgenomen:

“[Appellanten] hebben bij het opstellen van de jaarrekeningen 2000/2001 de bepalingen van het firmacontract van M betreffende het winstrecht en de winstbestemming genegeerd.”

Tijdens de eerste zitting bij de raad van tucht op 8 november 2004 hebben klagers een pleitnota voorgedragen waarin is vermeld:

“Significante overtredingen (…) zijn:

(…)

2) Het ongeoorloofd wegboeken van een vordering van L B.V. op de VOF M groot NLG 684.750 (…)”.

Dit punt is in de pleitnota verder niet toegelicht, evenmin blijkt uit het door de raad van tucht opgestelde verslag van die zitting dat het is besproken tijdens de verdere mondelinge behandeling. De raad van tucht heeft vervolgens partijen de gelegenheid gegeven schriftelijk te reageren naar aanleiding van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest.

In hun brief van 15 november 2004 aan de raad van tucht merken klagers het volgende op:

“PRODUCTIE 5

(…)

- Uit de jaarrekening blijkt een vordering groot NLG 724.750 op M VOF en een resultaat voor belastingen van NLG 684.750

- (…)

- In de jaarrekening 2000 blz. 18 wordt het resultaat van L NLG 660.000,- verantwoord bij de M VOF.

Voor deze overboeking is geen toestemming gevraagd en/of verleend door de statutaire directie van L B.V. Er bestaat tussen de M VOF en de B.V. geen fiscale eenheid en het betreft ook geen 100% deelneming van de M VOF.

In het jaar 2001 wordt de voorziening onverdiende winst verkoop portefeuille (de winst van L B.V.) weggeboekt.”

In hun nadere conclusie van 27 januari 2005 merken appellanten op dat klagers hun kennelijk verwijten dat het resultaat van L wordt verantwoord in de jaarrekening van M. Zij stellen dat de consolidatie terecht is toegepast.

Tijdens de tweede mondelinge behandeling op 25 april 2005 hebben klagers wederom een pleitnota voorgedragen. Daarin is vermeld:

”Klagers verwijten betrokkenen, dat de winstrechten van L B.V. zijn geconsolideerd in de jaarrekening van de V.O.F. M.

(…)

Klagers merken het volgende op

(…)

- De samenstelling van de V.O.F. is niet identiek aan de samenstelling van de V.O.F. hetgeen betekent dat door het consolideren winstrechten van aandeelhouders van L B.V. terecht zijn gekomen bij niet aandeelhouders.”

Laatstgenoemd aspect is blijkens het proces-verbaal van de zitting verder niet besproken.

3.3 Gelet op deze vaststellingen komt het College tot het oordeel dat het verwijt dat appellanten hebben nagelaten te controleren of de vennoten op gelijke wijze als voor de andere onderdelen van M winstgerechtigd waren met betrekking tot L (hierna: het verwijt) geen uitmaakt van de klacht zoals die in het klaagschrift aan de raad van tucht is voorgelegd, noch van de klacht zoals die door de raad van tucht in de tuchtbeslissing is samengevat.

Hoewel de raad van tucht tijdens de behandeling van een tuchtklacht andere of nader gerezen bezwaren jegens een accountant in aanmerking kan nemen, is dit naar vaste rechtspraak van het College slechts toelaatbaar onder de voorwaarde dat de beginselen van een behoorlijke procesorde in acht worden genomen. Daarbij komt het verdedigingsbeginsel een bijzondere aandacht toe. Dit brengt onder meer met zich dat het voor de betrokken accountant kenbaar moet zijn dat een nader opgekomen verwijt dat niet was opgenomen in het klaagschrift door de raad van tucht in behandeling wordt genomen, en voorts dat hij in de gelegenheid wordt gesteld daartegen verweer te voeren. Naar het oordeel van het College is aan deze voorwaarden in het onderhavige geval met betrekking tot het verwijt, dat in feite is behandeld als een uitbreiding van klachtonderdeel 5, niet voldaan. Het College overweegt daartoe als volgt.

3.4 Zoals het College hiervoor heeft vastgesteld is het verwijt voor de eerste maal aan de orde gesteld in de toelichting van klagers tijdens de tweede mondelinge behandeling van de raad van tucht en door de raad van tucht tijdens deze mondelinge behandeling niet besproken. Naar het oordeel van het College is het verwijt in een dusdanig laat stadium en op een zodanig ondergeschikte wijze in het geheel van stellingen en argumenten van klagers naar voren gebracht, dat het voor appellanten niet van een zodanig kenbaar gewicht was had dat zij hadden moeten begrijpen dat zij zich daartegen moesten verweren. Reeds dit gebrek aan kenbaarheid voor appellanten, dat de raad van tucht het verwijt uitdrukkelijk als een zelfstandig te beoordelen klachtonderdeel heeft aangemerkt, staat in de weg aan het betrekken van het verwijt bij de beoordeling door de raad van tucht. Het College is van oordeel dat het onder deze omstandigheden in strijd is met een goede procesorde het verwijt in de beoordeling te betrekken.

3.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beslissing van de raad van tucht moet worden vernietigd, voor zover klachtonderdeel 5 gegrond is verklaard. Het voorgaande brengt eveneens mee dat de raad van tucht het verwijt niet in behandeling had mogen nemen, en dat klachtonderdeel 5, zoals dat door de raad van tucht had behoren te worden opgevat, in zijn geheel ongegrond dient te worden verklaard, aangezien hetgeen door klagers is aangevoerd met betrekking tot de verantwoording van het resultaat van L in de jaarrekening van M geen aanleiding geeft tot een ander vakinhoudelijk oordeel. Aangezien de maatregel uitsluitend is opgelegd in verband met het gegrond verklaren van voornoemd klachtonderdeel, dient deze eveneens te worden vernietigd.

3.6 Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven, die betrekking hebben op het inhoudelijk oordeel van de raad van tucht terzake van het verwijt, geen bespreking meer.

3.7 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel IV van de Wet AA.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing voor zover daarin is gegrond verklaard klachtonderdeel 5;

- verklaart klachtonderdeel 5 ongegrond;

- vernietigt voorts de bestreden tuchtbeslissing voor zover daarin de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. A..C. de Moor-van Vugt in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M. van Ede