Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0918

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2007-07-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/408 13 juli 2007

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht) onder nummer R493, gewezen op 21 maart 2006,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 21 maart 2006, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van bovengenoemde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 24 december 2004 door C Holding N.V. te D (hierna: klaagster) ingediend tegen appellant.

Bij een op 17 mei 2006 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 23 mei 2006 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 28 juni 2006 heeft klaagster een reactie gegeven op het beroep.

Op 17 april 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster is vertegenwoordigd door E en F, bijgestaan door mr. P. Kuipers, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel opgelegd van een schriftelijke berisping.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant bestrijdt in de eerste plaats het oordeel van de raad van tucht dat hij onvoldoende controlemaatregelen heeft genomen ten aanzien van de zogenoemde ACM-order. Volgens appellant gaat de raad van tucht voorbij aan het feit dat terzake van de in- en verkooporder sprake is van directiefraude, en heeft de raad van tucht miskend dat het binnen de vennootschap geenszins ongebruikelijk was dat een order niet schriftelijk werd vastgelegd. Bovendien heeft de raad van commissarissen, anders dan de raad van tucht heeft aangenomen, appellant niet verzocht nader onderzoek te doen.

3.2 Deze grief kan niet slagen. Ook het College is tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende controlemaatregelen heeft genomen. Het College onderschrijft hetgeen de raad van tucht heeft overwogen, dat gelet op de omvang van de transactie, de gepretendeerde ongebruikelijke marge, de wijze van totstandkoming (niet via de gebruikelijke procedures) en de invloed van de transactie op vermogen en resultaat, de controlerend accountant de juistheid van deze (relatief en absoluut grote) order niet slechts had mogen vaststellen op basis van mededelingen van de leiding van de gecontroleerde huishouding. Daarbij komt dat het hier betreft het nemen van de winst in een jaar voordat de transactie zou plaatsvinden. Het bedrag van de opbrengst moet in zo'n geval op betrouwbare wijze kunnen worden bepaald.

Of al dan niet sprake was van directiefraude speelt bij dit oordeel geen rol. Niet gesteld is immers, en evenmin is aannemelijk, dat een dergelijke fraude verhinderde dat met de controlemaatregelen die aangewezen waren aan de order getwijfeld zou moeten gaan worden.

De raad van tucht heeft bovendien niet miskend dat het binnen de vennootschap niet ongebruikelijk was dat een order niet schriftelijk werd vastgelegd, maar heeft juist terecht overwogen dat eerder gezegd kan worden dat ook in het verleden daarmee geen genoegen had mogen worden genomen.

Het College is niet geheel duidelijk geworden of de raad van commissarissen appellant wel of niet heeft verzocht nader onderzoek naar de order te doen. Wel kan worden vastgesteld dat appellant op 12 maart 2003 een verslag aan de directie en raad van commissarissen heeft gestuurd, dat dit op 17 maart 2003 geleid heeft tot een schriftelijke bevestiging van de order van toenmalig directeur G, en dat op 26 maart 2003 de vergadering van de raad van commissarissen heeft plaatsgevonden waar twijfel aan de order werd geuit. Vervolgens werd op diezelfde datum een schriftelijke verklaring van de directie over de juistheid en de volledigheid van alle gegeven informatie afgegeven, waarna appellant zijn verklaring bij de jaarrekening heeft gegeven. Nu ook de bevestigingen van 17 maart 2003 en 26 maart 2003, evenals de eerdere informatie, uitsluitend van de directie zelf afkomstig waren, had appellant hier, gegeven de eerder vermelde omstandigheden alsook de door de raad van commissarissen geuite twijfel, geen genoegen mee mogen nemen.

3.3 In de tweede plaats bestrijdt appellant het oordeel van de raad van tucht dat appellant heeft aangegeven dat hij het bestaan en de waarde van de post 'barriers' nooit werkelijk heeft gecontroleerd (noch intern noch extern). Volgens appellant heeft hij dat niet gezegd en is dat oordeel onjuist. Appellant meent dat de uitgevoerde controlewerkzaamheden op het element waardering een voldoende deugdelijke grondslag bieden en dat de door hem uitgevoerde impairment test slechts een deelaspect van de controle vormde. Bovendien heeft de raad van tucht volgens appellant ten onrechte geen oog gehad voor de zeer geringe materialiteit van de omzet die met de barriers werd gerealiseerd.

3.4 Wat dit laatste betreft oordeelt het College dat een geringe materialiteit van de omzet, wat daar ook van zij, niet wegneemt dat de post, zoals de raad van tucht onbetwist heeft vastgesteld, voor ongeveer 3,5 miljoen euro in de jaarrekening is opgenomen. Voor de vraag of hiervoor een deugdelijke grondslag bestaat is van belang of voldoende vaststaat dat rechten op de barriers kunnen worden uitgeoefend en ze dus ook daadwerkelijk tot de materiële vaste activa van de gecontroleerde huishouding kunnen worden gerekend. Uit de stukken blijkt dat een deel van de barriers afkomstig is van Meissner, en door deze Duitse maatschappij in 2000 aan C D in eigendom is overgedragen. Er is toen een opgave verstrekt waar deze barriers zich in Duitsland bevonden. In zijn verweer voor de raad van tucht heeft appellant gesteld dat het bestaan van de barriers gedurende 2001 en 2002 is vastgesteld door aansluiting met de gerealiseerde huuropbrengsten en ook op basis van directe communicatie met functionarissen binnen de vennootschap omtrent logistiek, verhuur en facturering. Ter zitting van de raad van tucht is duidelijk geworden dat van de kant van de controlerende accountant geen afzonderlijke fysieke voorraadopname heeft plaatsgevonden. Appellant heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te achten dat de administratie voldoende duidelijkheid verschafte over de plaats waar de barriers zich bevonden. Behalve de gedateerde opgave uit 2000 heeft appellant hier geen mededelingen over gedaan. Nu het hier roerende goederen betreft die een behoorlijke waarde vertegenwoordigen, zijn er daarmee te veel twijfels om voor een goedkeurende verklaring een deugdelijke grondslag te bieden.

Mitsdien faalt ook de tweede grief.

3.5 De derde grief is dat de raad van tucht de klacht ten onrechte gegrond heeft verklaard en aan appellant ten onrechte de maatregel van een schriftelijke berisping heeft opgelegd.

3.6 Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, is het College van oordeel dat de raad van tucht de klacht terecht gegrond heeft verklaard. Evenals de raad van tucht acht het College de maatregel van een schriftelijke berisping passend en geboden. Ook de derde grief treft derhalve geen doel.

3.7 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.8 Na te melden beslissing op het beroep rust op titel II van de Wet RA en artikel 11 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp

Zaak R493

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak met nummer R 493 van:

de naamloze vennootschap C HOLDING N.V., gevestigd te D,

K L A A G S T E R,

tegen

A RA,

registeraccountant, wonende te B,

B E T R O K K E N E.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennisgenomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen van 24 december 2004;

- het verweerschrift met bijlagen van 22 april 2005;

- de aanvullende producties van klaagster van 23 mei 2005;

- de ter na te melden zitting overgelegde pleitnotities van de gemachtigde van klaagster;

- de ter na te melden zitting overgelegde pleitnotities van de gemachtigde van betrokkene.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 6 juni 2005. Aldaar zijn verschenen F en E namens klaagster, bijgestaan door mr. P. Kuipers, advocaat te Rotterdam en betrokkene in persoon, vergezeld van H en bijgestaan door mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam. Van de behandeling is een zittingsverslag opgemaakt.

3. De klacht

De klacht houdt, na wijziging ter zitting, in dat betrokkene ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekening 2002 van klaagster. In de jaarrekening is ten onrechte een transactie verwerkt met ACM España en Agrisovgaz in Rusland, die gefingeerd blijkt te zijn. Voorts is in de jaarrekening een voorraad ‘barriers’ opgenomen waarvan niet kan worden vastgesteld of deze wel bestaat en wat hiervan de waarde is. Door de jaarrekening met daarin deze posten ongeclausuleerd goed te keuren heeft betrokkene onder meer gehandeld in strijd met de artikelen 11, 12 en 17 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994. Alles aldus klaagster.

4. De feiten

4.1 Klaagster en haar dochterondernemingen houden zich onder meer bezig met de levering en installatie van tuinbouwkassen en de verkoop en verhuur van wegmeubilair, waaronder zogenaamde ‘barriers’. Klaagster is toegelaten tot de incourante markt en heeft buiten besloten kring effecten uitgegeven.

4.2 Betrokkene was verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening 2002 van klaagster. Hij heeft bij deze jaarrekening op 26 maart 2003 een goedkeurende verklaring afgegeven.

4.3 In de jaarrekening 2002 van klaagster is een post van € 3.552.000,= opgenomen als nettoresultaat uit een transactie met ACM España (hierna: de ACM-order). De transactie hield in dat klaagster aan ACM tuinbouwkassen leverde, die zij eerst had ingekocht bij Agrisovgaz in Rusland. Van de order bestaat geen schriftelijke vastlegging. Er zijn wel een in- en verkoopfactuur geboekt in het administratiesysteem van klaagster. Dit is gebeurd door het hoofd administratie, zonder de gebruikelijke tussenkomst van de afdeling Productgroep Kassenbouw.

4.4 In de jaarrekening 2002 van klaagster is een post ‘barriers’ opgenomen met een waarde van ongeveer € 3,5 miljoen.

4.5 Tijdens een bespreking van de jaarrekening 2002 op 26 maart 2003 heeft de raad van commissarissen van klaagster aan betrokkene gevraagd nader onderzoek te doen naar de ACM-order. Betrokkene heeft daarop aan de toenmalig algemeen directeur van klaagster, G, gevraagd opnieuw te bevestigen dat de order daadwerkelijk was geplaatst, hetgeen G schriftelijk heeft gedaan.

4.6 In de loop van 2003 is gebleken dat de ACM-order niet doorging en in oktober 2003 heeft G te kennen gegeven dat de transactie was gefingeerd.

5. De gronden van de beslissing

5.1 De klacht houdt in essentie in dat betrokkene ten onrechte de jaarrekening 2002 heeft goedgekeurd, nu daarin een resultaat is opgenomen op de gefingeerde ACM-order en daarin onder de materiële vaste activa ‘barriers’ zijn opgenomen waarvan het bestaan en de waarde niet vaststaan.

5.2 Ten aanzien van de ACM-order overweegt de Raad als volgt. Het staat vast dat deze order is gefingeerd, maar dit brengt op zichzelf en zonder meer nog niet mee dat betrokkene in zijn controle van de jaarrekening is tekortgeschoten. De vraag is of betrokkene, op grond van de uitkomsten van de controlemaatregelen die van hem mochten worden verwacht, van de juistheid van de order mocht uitgaan. De Raad is van oordeel dat deze vraag in de omstandigheden van dit geval ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe overweegt de Raad dat het hier gaat om een order waarop een marge zou worden behaald van 65%, waar klaagster op vergelijkbare orders doorgaans een marge van 8 à 9% behaalde. Naar zijn zeggen is deze ongebruikelijk grote marge betrokkene bij zijn controle wel opgevallen. De enige documenten die het bestaan van de order ondersteunden, waren een intern geboekte in- en verkoopfactuur; bevestigingen van ACM en/of Agrisovgaz ontbreken. De interne facturen zijn, met doorbreking van de normaal bij klaagster geldende procedures, rechtstreeks door het hoofd administratie ingevoerd in de administratie, zonder de gebruikelijke tussenkomst van de afdeling Productgroep Kassenbouw. Betrokkene heeft geen bevestigingen van ACM en/of Agrisovgaz opgevraagd, maar heeft zich verlaten op de bevestiging van de algemeen directeur van klaagster, G, dat de order werkelijk rond was. Toen de raad van commissarissen van klaagster twijfels uitte omtrent de order en betrokkene heeft verzocht hiernaar nader onderzoek te doen, heeft betrokkene nog immer geen bevestigingen van ACM en/of Agrisovgaz gevraagd, maar heeft hij volstaan met een hernieuwde bevestiging van G. Naar het oordeel van de Raad was dit, zeker in de gegeven omstandigheden, een volstrekt onvoldoende controlemaatregel. Gelet op de omvang van de transactie, de gepretendeerde ongebruikelijke marge, de wijze van totstandkoming (niet via de gebruikelijke procedures), de invloed van deze transactie op vermogen en resultaat en de door commissarissen geuite twijfels, had de controlerend accountant de juistheid van deze (relatief en absoluut grote) order niet slechts mogen vaststellen op basis van mededelingen van de leiding van de gecontroleerde huishouding. Hieraan doet niet af dat in het verleden grote orders bij klaagster zijn geboekt en verricht zonder dat daarvoor schriftelijke orderbevestigingen bestonden. Eerder kan gezegd worden dat ook in het verleden daarmee geen genoegen had mogen worden genomen.

5.3 Ten aanzien van de post ‘barriers’ overweegt de Raad als volgt. Zoals ook betrokkene heeft aangegeven, zijn het bestaan en de waarde van deze post nooit werkelijk gecontroleerd (noch intern noch extern). Of de in de jaarrekening onder materiële vaste activa verantwoorde post terecht is opgenomen en in overeenstemming met de waarderingsgrondslagen is gewaardeerd kan dus ook niet op basis van dergelijke gegevens worden vastgesteld. De door betrokkene uitgevoerde impairmenttest aan de hand van de huuropbrengsten acht de Raad, afgezien van de negatieve uitkomst zoals blijkt uit het accountantsverslag 2002, in dezen onvoldoende deugdelijke grondslag bieden. Betrokkene heeft niettemin een ongeclausuleerde goedkeurende verklaring bij de jaarrekening, waarin deze post voor ongeveer € 3,5 miljoen is opgenomen, verstrekt. Daar komt bij dat betrokkene heeft aangegeven dat hij slechts op basis van mededelingen van de directie heeft aangenomen dat de levensduur van deze ‘barriers’ 20 jaar in plaats van 7 jaar bedroeg en dat hij op deze grond in de jaarrekening 2002 van klaagster geen afschrijving op deze post heeft doorgevoerd. Naar het oordeel van de Raad is betrokkene ook op dit punt tekortgeschoten in de controle van de jaarrekening.

5.4 Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat betrokkene inderdaad ten onrechte een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2002 van klaagster heeft gegeven, nu de door hem gehanteerde controlemaatregelen daartoe onvoldoende grond boden. De klacht is dus gegrond. Nu de controle van de jaarrekening in wezen de meest belangrijke taak van accountants is en in het maatschappelijk verkeer een grote waarde pleegt te worden toegekend aan de verklaring die de accountant bij de jaarrekening verstrekt, acht de Raad de geconstateerde overtreding door betrokkene van zodanige ernst dat daarvoor in beginsel de maatregel van schorsing aangewezen zou zijn. Nu betrokkene evenwel niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, zal de Raad in dit geval volstaan met oplegging van een berisping.

6. De beslissing

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan betrokkene de maatregel op van een schriftelijke berisping.

Aldus beslist door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. de Vries, adjunct-secretaris, en in het openbaar uitgesproken op _____________________________________