Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0465

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/96
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/96 17 juli 2007

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

Flooring Systems Int. B.V., te Raalte, in liquidatie, appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel Regio Zwolle, te Zwolle, verweerster.

1. De procedure

Bij brief van 9 februari 2007, bij het College binnengekomen op 13 februari 2007, heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 4 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen het besluit van verweerster van 12 december 2006, strekkende tot ontbinding van Flooring Systems Int. B.V. op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Bij brief van 19 april 2007 heeft verweerster een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Aldaar waren namens verweerster mr. P.H.R. Huijgens en W.H. Schaap aanwezig. Appellante is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 2:19 en 2:19a van het BW luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2:19

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

(…);

e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19a ;

(…).

3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: (…), in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (…).

(…).

Artikel 2:19a

1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar die rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoen:

a. de rechtspersoon heeft het voor zijn inschrijving in het handelsregister of voor de inschrijving van een aan hem toebehorende onderneming verschuldigde bedrag niet voldaan gedurende ten minste een jaar na de datum waarvoor hij dat bedrag had moeten voldoen;

b. (…);

c. de rechtspersoon is ten minste een jaar in gebreke met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening of de balans en de toelichting overeenkomstig de artikelen 394, 396 of 397;

d. de rechtspersoon heeft ten minste een jaar geen gevolg gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.

(…).

3. Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. De Kamer schrijft deze mededeling in het register. (…).

4. Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de omstandigheden die ingevolge het derde lid zijn vermeld, zich niet of niet meer voordoen.

5. De beschikking wordt bekend gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders.

6. De Kamer doet van de ontbinding een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 20 oktober 2005 heeft de Belastingdienst verweerster bericht dat Flooring Systems Int. B.V. binnen een jaar na aanmaning geen aangifte voor de vennootschapsbelasting heeft ingediend en dat over de jaren 1998 tot en met 2004 geen aangifte voor deze belasting is gedaan. Op 23 oktober 2006 heeft verweerster van de belastingdienst het bericht ontvangen dat de B.V. over de jaren vanaf 2001 geen aangifte heeft ingediend.

- Blijkens een uittreksel uit het handelsregister, gedateerd 12 december 2006, stond laatstelijk in dit register ingeschreven de besloten vennootschap Flooring Systems Int. B.V., statutair gevestigd te Raalte. Als feitelijk adres van de door de vennootschap gedreven onderneming stond het adres B te X genoteerd. Op dit uittreksel staat als bestuurder de heer C, wonende aan B te X, geregistreerd.

- Bij aangetekende brief van 16 oktober 2006, gericht aan (de directie van) Flooring Systems Int. B.V. en verzonden aan het adres B te X, heeft verweerster Flooring Systems Int. B.V. op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van Flooring Systems Int. B.V. over te gaan op drie van de gronden vermeld in het eerste lid van artikel 2:19a BW.

- Op 8 november 2006 heeft TPG Post de brief van 16 oktober 2006 aan verweerster geretourneerd onder de mededeling dat op 17 oktober 2006 geen gehoor werd gegeven en dat de brief niet is afgehaald.

- Bij besluit van 12 december 2006, verzonden aan het adres van appellante en haar bestuurder, heeft verweerster Flooring Systems Int. B.V. op grond van artikel 2:19a, vierde lid, BW ontbonden.

- Bij brief gedateerd 23 december 2006 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen.

"Volgens de gegevens van de kamer van koophandel voldeed Flooring Systems Int. B.V. aan tenminste twee van voornoemde criteria op het moment van het nemen van de ontbindingsbeschikking, te weten:

3. De rechtspersoon heeft als laatste de jaarstukken over het boekjaar 1997 (voorlopige jaarrekening) gedeponeerd. Nadien zijn geen jaarstukken gepubliceerd.

4. Van de belastingdienst hebben wij de mededeling ontvangen dat vanaf 2001 geen aangifte is gedaan en dat de kamer van koophandel een ontbindingprocedure kan starten.

Zoals al eerder met u telefonisch besproken is op 16 oktober 2006 schriftelijk aan het bovengenoemd adres aan de rechtspersoon kenbaar gemaakt, aangetekend met bevestiging van ontvangst, dat de rechtspersoon op een aantal punten in gebreke is gebleven en dat de Kamer van Koophandel daarom heeft besloten over te gaan tot ontbinding en liquidatie van de rechtspersoon.

Bovendien waren er geen overige feiten of omstandigheden bij de Kamer bekend, op grond waarvan de Kamer kon opmaken dat de rechtspersoon (nog) volop activiteiten verrichtte in het maatschappelijk verkeer op het moment van het voornemen tot ontbinding en tijdens de hierop volgende periode van 8 weken.

Tevens stelt u dat er wordt gefactureerd en dat opdrachtgevers de facturen voldoen. In dit kader komt het vreemd over dat uw administrateur pas op 21 december 2006 aan de Belastingdienst meldt dat u gerekend vanaf 1 januari 2006 op de loonlijst van de B.V. staat. In dat schrijven wordt tevens verzocht om een G-rekening te openen opdat de opdrachtgevers een deel van het factuurbedrag op die rekening kunnen overmaken. Indien de rechtspersoon nog activiteiten ontplooide is het vreemd dat nu pas een G-rekening wordt aangevraagd. Overigens heeft uw administrateur tot op heden niet gereageerd op mijn verzoek contact met mij op te nemen. Indien u van mening bent dat er nog activa aanwezig is verzoek ik u mij daarvan overtuigend bewijs te tonen. U kunt telefonisch contact met mij opnemen om een afspraak hierover te maken.

Op grond van de bovengenoemde overwegingen moet ik uw bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaren."

4. Het standpunt van appellante

Appellante zet vraagtekens bij de reden waarom actie is ondernomen. Verweerster heeft haar niets gevraagd en alleen actie ondernomen, terwijl de BV draait. Dit wist de belastingdienst ook. De BV heeft een periode stil gelegen in verband met de arbeidsongeschiktheid van haar bestuurder.

Qua correspondentie is er tussen appellante en verweerster veel mis gegaan. Appellante wil nu een aantal zaken regelen met de belastingdienst, maar deze verschuilt zich achter verweerster.

Appellante verzoekt het College maatregelen te nemen zodat de BV kan blijven bestaan. Er wordt alles aan gedaan de zaak op de rit te krijgen wat betreft de verplichtingen in de richting van de kamer en de belastingdienst.

5. De beoordeling van het geschil

Uit artikel 2:19a, eerste, derde en vierde lid, BW vloeit voort dat verweerster tot ontbinding van de rechtspersoon dient over te gaan, indien na verloop van de termijn van acht weken twee of meer van de in het eerste lid genoemde aan de rechtspersoon in de voornemenbrief medegedeelde omstandigheden zich nog steeds voordoen. Slechts indien voor verweerster volstrekt duidelijk is of behoort te zijn dat sprake is van een rechtspersoon die nog volop activiteiten verricht in het maatschappelijk verkeer brengt een redelijke toepassing van de regeling mee dat verweerster de haar toegekende bevoegdheden niet uitoefent.

Niet in geschil is - en ook voor het College staat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde vast - dat op 12 december 2006, na ommekomst van de termijn van acht weken na dagtekening van de voornemenbrief van 16 oktober 2006, de in artikel 2:19a eerste lid, onder c en d, BW genoemde omstandigheden zich ten aanzien van Flooring Systems Int. B.V. nog steeds voordeden. Indien, zoals in artikel 2:19a BW het geval is, de wetgever het nemen van een besluit oplegt indien geen gebruik wordt gemaakt van een laatste mogelijkheid tot herstel van verzuimen binnen een daartoe gestelde tijdslimiet, kan een eventueel later herstel van die verzuimen niet leiden tot het oordeel dat aan die dwingende termijnbepaling voorbij zou moeten worden gegaan.

Voorts is het College van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het voor verweerster volstrekt duidelijk was of behoorde te zijn dat Flooring Systems Int. B.V. nog volop activiteiten verrichtte in het maatschappelijk verkeer. Verweerster heeft in dit verband terecht aangevoerd dat appellante geen bewijs voor haar stellingen heeft bijgebracht.

Verweerster was derhalve gehouden de rechtspersoon te ontbinden.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.A. Voskamp