Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0464

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/633
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 06/633 20 juli 2007

22010 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. H.E.M. Molenaar, advocaat te Alkmaar,

tegen

de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad, te ’s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: H.M. Ebbink en mr. E.A. van Bonzel, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 8 augustus 2006, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen een ten aanzien van hem op grond van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb) genomen besluit, ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007, waarbij appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, bij gemachtigden, zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wabb, zoals deze luidde tot het moment waarop zij werd ingetrokken, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

1. Het is verboden als tussenpersoon op te treden zonder te zijn ingeschreven in het register van tussenpersonen dat door de Raad wordt gehouden.

(…)

Artikel 4

1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

a. (…)

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

(…).

8. In de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt, onverminderd het bepaalde in het negende lid, bepaald op welke wijze van het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen kan blijken. Voorts is de Raad bevoegd te verklaren dat de aanvrager voldoet aan deze eisen. De Raad stelt regels krachtens welke de afgifte van zodanige verklaring zal plaatsvinden en stelt het bedrag vast, dat verschuldigd is voor het verkrijgen van deze verklaring.

(…).”

In de Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 2000 (Stcrt. 2001, 4; hierna: Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

De raad geeft een verklaring slechts af indien de aanvrager, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest een hetzij krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin,

van de wet, hetzij krachtens artikel 5, derde lid, eerste volzin, van de Wet Assurantiebemiddeling 1952 aangewezen examendiploma te verwerven, en voorts van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich alsnog onderwerpt aan het examen ter verkrijging van zulk een diploma aangewezen krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet.

(…)

Artikel 5

1. De verklaring dat de aanvrager voldoet aan de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt afgegeven aan degene die

a. (…)

b. ten minste tien jaren werkzaam is geweest in het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf, (…).

2. De verklaring bedoeld in het voorgaande lid kan in bijzondere gevallen eveneens worden afgegeven aan degene, die weliswaar niet volledig voldoet aan de vereisten van dat lid onder b. aangaande de duur en de aard der verrichte werkzaamheden maar wiens kennis van het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf, mede gelet op zijn opleiding of vakstudie, desalniettemin is aan te merken als gelijkwaardig aan die, voortvloeiende uit het voldoen aan de bedoelde vereisten.”

In de Wet financiële dienstverlening (hierna: Wfd), in werking getreden op 1 januari 2006 en ingetrokken op 1 januari 2007, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover niet anders is bepaald - verstaan onder:

(…)

e. bemiddelen: alle werkzaamheden gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van overeenkomsten inzake financiële producten tussen consumenten en aanbieders, of, voor zover het overeenkomsten ten aanzien van verzekeringen of krediet betreft, bestaande uit het assisteren bij het beheer en de uitvoering van dergelijke overeenkomsten;

(…)

l. financiële dienst:

(…);

3°. bemiddelen;

(…);

cc. toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

(…).

(…)

Artikel 10

Het is verboden in of vanuit Nederland een financiële dienst te verlenen zonder daartoe van de toezichthouder een vergunning te hebben verkregen.

Artikel 11

1. De toezichthouder verleent een vergunning indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan hetgeen bij en krachtens paragraaf 1 van hoofdstuk 3 van deze wet is bepaald.

(…).

(…)

Artikel 102

1. Het is een financiële dienstverlener die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:

(…)

b. is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 of artikel 20 van de Wabb;

(…)

toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te zetten, onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden.

2. De financiële dienstverlener vraagt binnen een maand na inwerkingtreding van deze wet een vergunning of ontheffing aan bij de toezichthouder en legt binnen drie maanden na deze aanvraag de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 17, aan de toezichthouder over.

3. Het eerste lid is van toepassing op de financiële dienstverlener totdat de toezichthouder op zijn vergunningaanvraag heeft beslist. Indien een vergunningaanvraag door de toezichthouder is afgewezen, is op deze financiële dienstverlener artikel 22 van overeenkomstige toepassing.

4. De toezichthouder beslist binnen 12 maanden na inwerkingtreding van deze wet op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.

5. De financiële dienstverlener die op grond van het tweede lid een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23. De toezichthouder haalt de inschrijving door zodra hij op de aanvraag heeft beslist.”

In de Wet op het financieel toezicht (hierna:Wft) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1:1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:

(…);

bemiddelen:

(…)

c. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een verzekering tussen een cliënt en een verzekeraar of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een verzekering;

(…)

financiëledienstverlener: degene die een ander financieel product dan een financieel instrument aanbiedt, of die adviseert, bemiddelt, herverzekeringsbemiddelt, optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent;

(…).

(…)

Artikel 2:80

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning te bemiddelen.

(…)

(…)

Artikel 2:83

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

(…).

In de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 23

(…)

4. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor bemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:83, eerste lid, van laatstgenoemde wet.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 7 oktober 1996 is Administratiekantoor A te X ingeschreven in het register van tussenpersonen als bedoeld in artikel 3 van de Wabb.

- Op 23 december 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend bij verweerder om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb voor niveau B. Bij besluit van 12 februari 2003 heeft verweerder die aanvraag afgewezen op grond van artikel 3 van de Verordening. Daarbij heeft verweerder aangetekend dat ook niet wordt voldaan aan de in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening neergelegde eis van tien jaren praktijkervaring.

Bij beslissing van 26 juni 2003 op het tegen dat besluit door appellant ingediende bezwaarschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant wel voldoet aan artikel 3 van de Verordening maar dat de verklaring wordt geweigerd omdat appellant niet voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening neergelegde ervaringseis. Het tegen deze beslissing door appellant ingestelde beroep is door het College bij uitspraak van 10 augustus 2004 (AWB 03/915;

< www.rechtspraak.nl >, LJN AQ9871) ongegrond verklaard.

- Op 21 januari 2005 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend bij verweerder om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb voor niveau B. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft verweerder die aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

- Bij brief van 25 november 2005 heeft verweerder appellant geïnformeerd over de intrekking van de Wabb en de inwerkingtreding van de Wfd.

- Op 30 november 2005 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend bij verweerder om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb voor niveau B.

- Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar zijn besluiten van 26 juni 2003 en 17 februari 2005. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

- Bij brief van 16 januari 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

- Op 9 mei 2006 is appellant door de Commissie Bezwaarschriften (hierna: Commissie) gehoord.

- Op 28 juni 2006 heeft de Commissie aan verweerder advies uitgebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder overneming van het advies van de Commissie - het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de verklaring van vakbekwaamheid gehandhaafd.

In het advies van de Commissie is onder meer het volgende vermeld:

“De Commissie is van oordeel dat de Bestuurskamer terecht heeft besloten tot - hernieuwde - afwijzing van de aanvraag. Belanghebbende heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb aangetoond die behandeling van de aanvraag zouden rechtvaardigen. De afwijzing van de eerdere aanvraag, bij besluit van 26 juni 2003, is inhoudelijk op de juiste gronden genomen, belanghebbende voldeed immers niet aan de wettelijk vereiste ervaringstermijn van 10 jaar. Ook ten tijde van de hernieuwde aanvraag d.d. 21 januari 2005 voldoet belanghebbende niet aan de vereiste termijn. Ten overvloede wordt opgemerkt dat belanghebbende op het moment van intrekking van de Wabb op 31 december 2005 ook niet aan de termijn voldoet, van de 10 jaar ontbreekt op dat moment nog 9 maanden en 7 dagen.”

Ter toelichting op de inhoud en strekking van zijn in bezwaar gehandhaafde beslissing is namens verweerder ter zitting verklaard dat in het verleden een strikt beleid is gevoerd ten aanzien van de in artikel 5, tweede lid van de Verordening neergelegde bevoegdheid op grond waarvan in bijzondere gevallen de verklaring, bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb kan worden afgegeven indien niet volledig wordt voldaan aan de vereisten van artikel 5, eerste lid, onder b van Verordening. Volgens verweerder is nooit een verklaring afgegeven indien niet aan de in artikel 5, eerste lid, onder b van Verordening opgenomen ervaringseis van tien jaren was voldaan.

4. Het standpunt van appellant

Appellant stelt dat de situatie wezenlijk verschilt van die ten tijde van de vorige procedure. Hij voldoet inmiddels nagenoeg aan de ervaringseis van artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening en wegens het intrekken van de Wabb per 1 januari 2006 kan hij het tekort niet meer repareren. Appellant voert aan dat verweerder tijdens de hoorzitting heeft gesteld dat bij een tekort van enkele dagen, op basis van redelijkheid en billijkheid wellicht wel een verklaring zou zijn afgegeven. Hij stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan hem geen verklaring wordt afgegeven, in aanmerking nemende dat hij op 31 december 2005 op negen maanden en zeven dagen na heeft voldaan aan de termijn van tien jaren, hij veel langere - zij het contra-legem - ervaring heeft en hij het tekort niet kan repareren. Volgens appellant ontbeert het besluit een zorgvuldige belangenafweging.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 4, achtste lid, van de Wabb, voor zover van belang, is verweerder bevoegd te verklaren dat een aanvrager voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wabb gestelde vakbekwaamheidseisen, waardoor inschrijving in het register van tussenpersonen bedoeld in artikel 3 van de Wabb kan plaatsvinden. Met de Verordening heeft verweerder de regels vastgesteld krachtens welke de afgifte van zodanige verklaring plaatsvindt.

Appellant heeft - na twee eerdere aanvragen - opnieuw een aanvraag ingediend voor afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb.

5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer dergelijke feiten of omstandigheden niet worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking.

Bij het besluit van 6 december 2005 heeft verweerder gebruik gemaakt van deze hem in artikel 4:6, tweede lid van de Awb geboden mogelijkheid.

5.3 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn standpunt heeft gehandhaafd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Met de eerder aangehaalde uitspraak van het College van 10 augustus 2004 is komen vast te staan dat de in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening bedoelde termijn van tien jaren voor appellant is aangevangen op 7 oktober 1996. Appellant bestrijdt niet dat hij ten tijde van het indienen van de aanvraag om afgifte van de verklaring van vakbekwaamheid

- op 30 november 2005 - niet voldeed aan deze termijn. In zoverre verschilt de situatie derhalve niet van de situatie ten tijde van de beide voorgaande aanvragen.

Het gegeven dat de Wabb per 1 januari 2006 is komen te vervallen en appellant daardoor niet meer aan de in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening neergelegde ervaringseis kan voldoen, maakt dit niet anders. Wat er zij van de opmerking van de vertegenwoordiger van verweerder tijdens de hoorzitting van de Commissie, dat bij een tekort van enkele dagen op basis van redelijkheid en billijkheid wellicht anders zou zijn besloten, in dit geval mocht verweerder naar het oordeel van het College, gelet op het terzake door hem gevoerde stringente beleid, vasthouden aan de in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Verordening neergelegde ervaringseis, ook als dat zou betekenen dat appellant niet meer voor het afgeven van een verklaring in aanmerking zou komen.

Het College overweegt in dit verband dat zich bij iedere overgang van het ene wettelijke systeem naar het andere fricties kunnen voordoen die voor belanghebbende burgers of bedrijven nadelig zijn. Dat is in dit geval bij de overgang van de Wabb naar de Wfd en vervolgens de Wft niet anders. Een ondernemer als appellant verloor weliswaar geen rechten, aangezien hij per 1 januari 2006 nog niet aan de ervaringseis voldeed, maar hij verloor wel het vooruitzicht om in oktober 2006, wanneer hij aan die eis zou voldoen, in aanmerking te kunnen komen voor een verklaring van verweerder. Het College acht het echter niet onjuist dat verweerder als bestuursorgaan dat is belast met de uitvoering van de oude regelgeving zijn bestuurspraktijk onverkort handhaaft tot aan de intrekking van die regelgeving. Met name behoeft een stringent gevoerd beleid niet te worden versoepeld teneinde dergelijke fricties te voorkomen. Het is aan het bestuursorgaan dat is belast met de uitvoering van de nieuwe regelgeving (in dit geval: de Stichting Autoriteit Financiële Markten) om te bezien of, en zo ja, welke oplossingen voor de - al dan niet voorziene - fricties geraden zijn.

5.4 Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag voor afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb op goede gronden heeft geweigerd. Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.A. Voskamp