Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0115

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/158 3 juli 2007

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

gemachtigde: P.G. Polstra, werkzaam bij Alfa accountants en adviseurs te Zwolle,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Oomen en mr. R. Scholten, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 februari 2005, bij het College binnengekomen op 24 februari 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 januari 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen twee besluiten van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: Regeling).

Bij brief van 1 april 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Op 25 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op 27 april 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 27 maart 2006 heeft appellante aanvullende informatie overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Hierbij was appellante vertegenwoordigd door J. Pot, als vervanger van appellantes gemachtigde, en A. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

Bij beschikking van 14 december 2006 heeft het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld zijn standpunt, dat in het onderhavige geval geen sprake is van een kennelijke fout, schriftelijk nader te onderbouwen.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft verweerder het College de gevraagde schriftelijke onderbouwing doen toekomen.

Bij brief van 26 maart 2007 heeft appellante op verweerders uiteenzetting gereageerd.

Op 20 april 2007 respectievelijk 16 mei 2007 hebben appellant en verweerder het College desgevraagd toestemming gegeven voor het met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, Awb achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting.

Hierop heeft het College bij brief van 22 mei 2007 het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor 2002 en 2003 moet het aantal vaarzen dat moet worden gehouden ten minste 15% uitmaken van het totale aantal dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd.

(…)

Een veehouder die voor minder dan 14 zoogkoeien premies aanvraagt, is vrijgesteld van de voorwaarde inzake het minimumaantal vaarzen.

(…)"

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 188/2004, luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 12 - Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 37 - Vervanging

1. Op het bedrijf aanwezige runderen worden alleen als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag zijn geïdentificeerd. Een zoogkoe of een vaars waarvoor een premie op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, of een melkkoe waarvoor steun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening wordt aangevraagd, mag in de aanhoudperiode binnen de in de genoemde artikelen vastgestelde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verbeurd wordt.

2. De in lid 1 bedoelde vervangingen moeten plaatsvinden binnen 20 dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register aangetekend. De bevoegde instantie waarbij de steunaanvraag is ingediend, wordt hiervan binnen tien werkdagen na de vervanging in kennis gesteld.

Artikel 44 - Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 47 - Cumulatie van sancties

1. Kortingen en uitsluitingen op grond van deze verordening worden los van elkaar en afzonderlijk toegepast.

2. Onder voorbehoud van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2988/95 van de Raad (…) gelden de in deze verordening bepaalde kortingen en uitsluitingen onverminderd andere in gemeenschaps- of nationaalrechtelijke voorschriften bepaalde sancties."

Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, luidt als volgt:

"Artikel 23 - Gebruik van de premierechten

(...)

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- (…)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

(…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)"

De Regeling luidde voorzover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 6.1

Voor een premie komen slechts zoogkoeienproducenten in aanmerking die:

(…)

c. gedurende tenminste zes maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op die van ontvangst door LASER van de aanvraag, op het bedrijf een aantal zoogkoeien houden dat tenminste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen houden dat tenminste gelijk is aan 15% van het aantal zoogkoeien waarvoor de premie is aangevraagd.

(…)

Artikel 6.2a

(…)

2. Indien gedurende de aanhoudperiode de in de aanvraag vermelde zoogkoeien en vaarzen worden vervangen, wordt de vervanging:

a. binnen drie dagen na de dag van de vervanging aangetekend op een daartoe door LASER vastgesteld formulier; en

b. binnen tien werkdagen na de dag van vervanging gemeld aan LASER middels een daartoe door LASER vastgesteld formulier.

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90."

2.2 In de "Interpretatienota nr. 51" is opgenomen een brief van 30 april 1996 van de

directeur-generaal Landbouw van de Europese Commissie in antwoord op de vraag van het Britse ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening of er in de drie door dit ministerie genoemde voorbeelden sprake is van "naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen" als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van Verordening (EG)

nr. 3886/92, nadien artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

Het eerste voorbeeld betreft een producent die honderd premierechten voor zoogkoeien heeft, slechts vijftig koeien houdt en daardoor minder dan 70% van zijn rechten heeft gebruikt.

Het tweede voorbeeld betreft een producent die premies aanvraagt op grond van meer dan een veehouderijregeling en een deel van zijn premierechten voor zoogkoeien niet (meer) kan gebruiken omdat hij als gevolg van de toekenning van premie voor de andere veehouderijregeling(en) onvoldoende GVE's over heeft.

Het derde voorbeeld betreft een producent die de dieren op zijn bedrijf heeft, maar te laat een premieaanvraag indient.

Het antwoord van de directeur-generaal luidt als volgt:

"Laten wij beginnen met het eerste voorbeeld. (…) Mijn diensten stellen voor dat in een dergelijke situatie, om te voorkomen dat voor dezelfde onjuiste aanvraag een dubbele sanctie wordt opgelegd, het gebruikte percentage van het quotum wordt vastgesteld aan de hand van de in Interpretatienota nr. 26 uiteengezette methode voor de berekening van individuele maxima. Hierin is bepaald dat, "wanneer door de toepassing van strafmaatregelen geen of een lagere premie voor het betrokken verkoopseizoen [kalenderjaar] uitbetaald wordt, voor de bepaling van het individuele maximumaantal dieren wordt uitgegaan van het aantal dat is geconstateerd bij de controle op grond waarvan deze strafmaatregelen zijn toegepast". Dit betekent dat met ingang van 1996 in het als voorbeeld genomen geval niet 100% maar 50% van de rechten aan de producent moet worden ontnomen overeenkomstig het bij de inspectie geconstateerde gebruik van het quotum, aangezien dit gebruik minder dan 70% bedraagt.

Wat het tweede voorbeeld betreft is de Commissie van mening dat in principe de nieuwe 70%-regel voor quotumgebruik met ingang van het verkoopseizoen/kalenderjaar 1996 integraal van toepassing is en dat, mede gelet op de aangebrachte wijzigingen, de voorschriften voor overdracht/tijdelijke overdracht van rechten de producenten nog steeds voldoende gelegenheid bieden om hun quotum aan te passen aan hun premie-aanvragen. (…)

Wat het derde voorbeeld betreft (…). Ook hier verwijst de Commissie naar Interpretatienota nr. 26, waarin is bepaald dat, "wanneer niet kan worden aangetoond dat de betrokken producent geen dieren heeft gehouden, een zo strenge strafmaatregel als het niet toewijzen van een individueel maximumaantal rechten bezwaarlijk kan worden toegepast", en zij preciseert dat zij dezelfde aanpak zou volgen wanneer de mogelijke sanctie wegens het niet tijdig indienen van een aanvraag zou bestaan in totale intrekking van het quotum. Mijn diensten stellen dan ook voor dat de autoriteiten van de Lid-Staat in dergelijke gevallen bijvoorbeeld de producent van tevoren in kennis stellen van hun voornemen de rechten wegens het niet ontvangen van een aanvraag in te trekken, waarbij zij de producent voldoende tijd geven om te reageren. De bevoegde autoriteiten zouden dan kunnen besluiten de nodige controles uit te voeren om na te gaan of een producent die heeft nagelaten een aanvraag in te dienen, op het moment waarop hij dat had kunnen doen wel voor premies in aanmerking kwam, en om het aantal aangehouden dieren dat in aanmerking zou zijn gekomen, te verifiëren. Dit aantal zou dan worden gebruikt voor de berekening van het gebruikte deel van het quotum. (…)"

2.3 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 26 juni 2003 heeft appellante bij verweerder op grond van de Regeling een premieaanvraag ingediend voor het aanhouden van 27 zoogkoeien, waaronder vijf vaarzen.

- Bij brief van 8 augustus 2003 heeft verweerder appellante de ontvangst van deze aanvraag bevestigd en appellante medegedeeld dat er voor het seizoen 2003 26,40 premierechten op haar naam geregistreerd staan.

- Bij besluit van 16 juni 2004 heeft verweerder appellante voor 2003 voor dertien zoogkoeien premie toegekend. Hierbij heeft verweerder overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan de eis ten minste 15% vaarzen aan te houden en dat deswege veertien dieren uit de aanvraag zijn verwijderd, zodat appellante weer voldoet aan de minimaal vereiste verhouding zoogkoe/vaars.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 juli 2004 bezwaar gemaakt. In deze brief staat onder meer vermeld dat er per abuis een aantal vaarzen voor premie in aanmerking zijn gebracht die binnen de aanhoudperiode hebben gekalfd en waarvan de vervangende dieren per abuis niet zijn gemeld aan verweerder.

- Bij besluit van 9 juli 2004 heeft verweerder op grond van onderbenutting in 2003 13,4 op naam van appellante geregistreerde premierechten overgedragen aan de nationale reserve. Appellante beschikt per 1 januari 2004 over dertien premierechten zoogkoeien.

- Tegen dit besluit heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en heeft hiertoe onder meer, samengevat, het volgende overwogen.

Appellante heeft een premieaanvraag ingediend voor 22 zoogkoeien en vijf vaarzen. Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 diende appellante ten minste vier vaarzen aan te houden. Uit het I&R-systeem rund is gebleken dat vier van de als vaars aangevraagde runderen nog vóór aanvang van de aanhoudperiode hebben gekalfd en dat het vijfde als vaars aangevraagde rund binnen de aanhoudperiode heeft gekalfd. Gesteld noch gebleken is dat appellante voor deze runderen vervangende dieren aan verweerder heeft gemeld. Het aantal vaarzen dat appellante heeft aangehouden, bedraagt derhalve niet ten minste 15 % van het totale aantal aangevraagde dieren. Nu de minimaal vereiste verhouding zoogkoe/vaars niet in acht is genomen, zijn er veertien zoogkoeien verwijderd uit de aanvraag, zodat alsnog wordt voldaan aan deze verhouding. Nu veertien runderen uit de aanvraag zijn verwijderd, kan voor de betreffende runderen geen premie worden uitgekeerd.

Bij aanvang van het seizoen 2003 had appellante 26,40 premierechten op haar naam geregistreerd staan. In het seizoen 2003 heeft appellante dertien, en dus minder dan 90%, van haar premierechten benut. Gesteld, noch gebleken is van feiten en of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat één van de in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999, genoemde uitzonderingsgevallen op appellante van toepassing is, zodat verweerder het niet-benutte deel van de premierechten terecht heeft overgedragen aan de nationale reserve. Voor het seizoen 2004 staan er terecht dertien premierechten op naam van appellante geregistreerd.

3.2 In zijn nadere uiteenzetting van 21 februari 2007 heeft verweerder - samengevat - het volgende aangevoerd.

Van een kennelijke fout is slechts sprake indien objectief kan worden vastgesteld dat de aanvankelijk gedane opgave kennelijk fout was. Dit is het geval, wanneer uit de aanvraag zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Door de Europese Commissie zijn verweerder in het werkdocument AGR 49533/2002 richtlijnen aangereikt bij de beoordeling van de vraag of bij een aanvraag sprake is van een kennelijke fout. Verweerder hanteert het werkdocument als richtsnoer, maar heeft van zijn eigen beoordelingsbevoegdheid gebruik gemaakt om te toetsen of bij de aanvraag van appellante sprake is van een kennelijke fout.

In het geval van appellante is verweerder, na alle feiten en omstandigheden in beschouwing te hebben genomen, zelfstandig tot het oordeel gekomen dat van een kennelijke fout geen sprake is.

Appellante heeft bij haar aanvraag een bedrijfskalflijst toegevoegd, waarop zij met een kruisje bij de betreffende ID codes van de dieren heeft aangegeven voor welke 22 zoogkoeien en vijf vaarzen zij subsidie aanvraagt. Uit de aanvraag zelf blijkt niet dat de gedane opgave niet juist is. De aanvraag is ook niet onlogisch ingevuld of onsamenhangend. Bij de zoogkoeienpremieregeling maken de gegevens uit het I&R systeem rund geen onderdeel uit van de aanvraag. De gegevens uit het I&R systeem rund worden niet gebruikt voor het aanvullen van de aanvraag, maar voor de beoordeling of aan de subsidievoorwaarden is voldaan. Dit betekent dat verweerder pas bij de toets of aan de subsidievoorwaarden is voldaan met het I&R-register consulteert. Ook als deze toets is of een aangevraagd dier al dan niet heeft afgekalfd.

Dat verweerder deze beoordeling eventueel kan verrichten bij de ontvangst van de aanvraag, maakt op zichzelf niet dat daarom sprake is van een kennelijke fout, indien uit de toets blijkt dat de aangevraagde vaarzen reeds vóór aanvang van de aanhoudtermijn hebben afgekalfd. Een fout kan niet louter op grond van het feit dat een lidstaat een doeltreffend systeem voor het opsporen van onregelmatigheden heeft opgezet, als kennelijke fout worden erkend.

Dat appellante andere dieren bij haar aanvraag heeft kunnen opgeven, die bij honorering ervan tot meer premie zou hebben geleid, is niet bepalend om bij de huidige aanvraag een kennelijke fout aan te nemen. Het is immers niet de taak van verweerder zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager, of om te beoordelen of een aanvrager, door de opgave anders in te vullen, wellicht een gunstiger resultaat zou hebben gekregen.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

In 2003 heeft appellante voor 22 zoogkoeien en vijf vaarzen premie aangevraagd. In 2003 waren op het bedrijf van appellante 39 zoogkoeien, elf vaarzen van twee jaar en ouder en negentien vaarzen jonger dan twee jaar aanwezig. De zoogkoeienstapel van appellante bestond dat jaar uit 69 dieren.

Per abuis heeft appellante op het aanvraagformulier vijf vaarzen voor premie in aanmerking gebracht die op het punt stonden te kalven. Dat appellante deze dieren voor premie in aanmerking heeft gebracht, valt aan te merken als een kennelijke fout. Het was voor appellante immers niet logisch de aanvraag zo in te vullen, omdat zij nu verplicht zou zijn om vervangende dieren aan verweerder door te geven hetgeen extra administratieve lasten met zich meebrengt. Indien verweerder naar voorgaande jaren en naar het aantal vaarzen dat wel voldeed aan de voorwaarden had gekeken, blijkt duidelijk dat sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag.

Omdat in de periode hier van belang op het bedrijf feitelijk bezien meer dan voldoende vervangende (en in principe premiewaardige) dieren aanwezig waren, heeft appellante voldaan aan de verplichting ten minste 15% vaarzen aan te houden.

Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte dieren uit de premieaanvraag verwijderd, en de premie voor deze dieren geweigerd, en bestaat evenmin aanleiding tot de overdracht van 13,4 op naam van appellante geregistreerde premierechten aan de nationale reserve. Omdat de overdracht van de op naam van appellante geregistreerde premierechten bovendien doorwerkt in de toekomst, staat de door appellante gemaakte fout in geen verhouding tot de gevolgen daarvan.

4.2 In de brief van 28 maart 2007 heeft appellante, in reactie op verweerders uiteenzetting van 21 februari 2007, er nogmaals op gewezen dat sprake is van een kennelijke fout. Doordat verweerder de beschikking heeft over de in het I&R-systeem rund opgenomen gegevens, had hij op het moment van de aanvraag kunnen concluderen dat sprake is van een kennelijke fout in die aanvraag. Het niet controleren van de aanvraag met het I&R-systeem rund houdt niet in dat hierdoor geen sprake is van een kennelijke fout.

Het feit dat appellante bij de aanvraag vaarzen heeft aangekruist die boven in de lijst staan, had door verweerder moeten worden gesignaleerd, omdat het niet gebruikelijk is. Gebruikelijk is om in de aanvraag gebruik te maken van jonge vaarzen die nog niet drachtig zijn, zodat de mogelijkheid van afkalven wordt uitgesloten. Daarom worden vaak vaarzen onderaan de lijst aangekruist.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 6, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, in samenhang gelezen met de artikelen 2, onder p en s, 10, eerste lid, aanhef en onder c, 37 en 38, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dienen de voor zoogkoeienpremie in de aanvraag opgegeven en geïdentificeerde dieren voor minimaal 15% uit vaarzen te bestaan. Indien een voor premie opgegeven vaars niet (meer) premiewaardig is, kan deze vaars ingevolge artikel 37, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 worden vervangen, zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun wordt verbeurd. Ingevolge artikel 37, tweede lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt de bevoegde instantie binnen tien werkdagen na de vervanging van de vervanging in kennis gesteld. Overeenkomstig dit communautairrechtelijk vereiste is in artikel 6.2a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaald dat de vervanging binnen tien werkdagen na de dag van vervanging wordt gemeld aan LASER (thans Dienst Regelingen).

5.2 Vaststaat dat alle vijf vaarzen waarvoor appellante in 2003 zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, binnen de aanhoudperiode van zes maanden hebben gekalfd. Aangezien deze vaarzen als gevolg van het kalven zoogkoe waren geworden, dienden minimaal vier van de vijf dieren door andere vaarzen op de voorgeschreven wijze te worden vervangen teneinde nog te kunnen voldoen aan het vereiste dat 15% van de voor premie in aanmerking gebrachte dieren uit vaarzen bestaat. Nu vaststaat dat appellante ten aanzien van geen van de vijf opgegeven vaarzen een melding van vervanging aan LASER heeft gedaan, is door appellante niet aan dit vereiste voldaan. Als gevolg hiervan kon, gelet op de laatste volzin van artikel 6, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, in beginsel voor slechts dertien zoogkoeien zoogkoeienpremie worden verleend. Dat op het bedrijf van appellante feitelijk meer dan voldoende vervangende (en in principe premiewaardige) dieren aanwezig waren, doet hieraan niet af.

5.3 Appellante heeft betoogd dat het aanvraagformulier voor zoogkoeienpremie 2003 ten aanzien van de aanduiding van de vaarzen een kennelijke fout bevat. Hierom is zij van mening dat verweerder haar zou moeten toestaan haar premieaanvraag alsnog te wijzigen, zodat zij voor meer dan dertien zoogkoeien premie kan ontvangen.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich in het onderhavige geval evenwel terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kennelijke fout. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument AGR 49533/2002 (hierna: Werkdocument) van de Europese Commissie. Het College heeft in vaste jurisprudentie geoordeeld dit aanvaardbaar te achten. Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Van een zodanige situatie is hier geen sprake. Uit appellantes premieaanvraag en de bijbehorende bedrijfskalflijst zelf blijkt niet dat vier van de als vaars opgegeven dieren op dat moment reeds hadden gekalfd. De premieaanvraag bevatte in zoverre geen voor verweerder kenbare ongerijmdheden of tegenstrijdigheden en viel evenmin als onlogisch of onvolledig aan te merken.

Dat verweerder door middel van het I&R-systeem rund op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de vier als vaars opgeven dieren al reeds ten tijde van de aanvraag hadden gekalfd, maakt dit niet anders. Blijkens het Werkdocument kan een fout immers niet louter op grond van het feit dat een lidstaat een doeltreffend systeem voor het opsporen van onregelmatigheden heeft opgezet, als kennelijke fout worden erkend.

Appellantes stelling dat het gebruikelijk is om in de aanvraag jonge vaarzen die nog niet drachtig zijn op te geven, kan er evenmin toe leiden dat een "kennelijke fout" moet worden aangenomen. De toepasselijke regelgeving staat er niet aan in de weg dat bij een premieaanvraag drachtige vaarzen voor premie in aanmerking worden gebracht, zoals appellante ten aanzien van één dier heeft gedaan. Dat dit meebrengt dat de betrokken producent deze runderen dan binnen de aanhoudperiode dient te vervangen en deze vervanging dient te melden aan verweerder, maakt niet dat de aanvraag als fout, laat staan als kennelijk fout, moet worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande kan verweerder, gelet op artikel 6, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, voor slechts dertien zoogkoeien premie verlenen.

5.4 Het College oordeelt vervolgens over het besluit van verweerder om 13,4 van de 26,4 premierechten van appellante aan de nationale reserve toe te voegen.

Verweerder laat zich bij de beantwoording van de vraag of sprake is van "uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen" als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 hoofdzakelijk leiden door de Interpretatienota's 26 en 51 van de directeur-generaal Landbouw van de Europese Commissie. Hoewel aanvaardbaar is dat deze interpretatienota's ter zake als richtsnoer worden gehanteerd, heeft verweerder, zoals het College reeds eerder heeft geoordeeld (onder meer in zijn uitspraak van 30 november 2006, AWB 05/160, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AZ3571), een eigen verantwoordelijkheid om aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van een "uitzonderlijk, naar behoren gemotiveerd geval". Bedoelde interpretatienota's behelzen naar hun aard geen bindende regels doch hebben betrekking op enkele voorgelegde voorbeeldsituaties.

Het College is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten om alle 13,4 niet gebruikte premierechten aan de nationale reserve toe te voegen en overweegt hiertoe als volgt.

Appellante heeft zoogkoeienpremie aangevraagd voor 22 zoogkoeien en vijf vaarzen. Zij beschikte in 2002 over 26,40 premierechten. Gelet op het eerdergenoemde 15%-vereiste en het feit dat zij voor maximaal 26,40 dieren zoogkoeienpremie kan ontvangen, had appellante gedurende de gehele aanhoudperiode van zes maanden vier vaarzen moeten aanhouden, waarvoor in de aanvraag dan wel door middel van het insturen van een vervangingskaart zoogkoeienpremie was gevraagd. Nu dit ten aanzien van de vier aan te houden vaarzen niet is gebeurd, zijn voor deze dieren terecht vier premierechten aan de nationale reserve toegevoegd.

Ten aanzien van de 23 overige opgegeven zoogkoeien en de vaars die tijdens de aanhoudperiode zoogkoe is geworden, zijn, blijkens het besluit van 16 juni 2004, geen afwijkingen geconstateerd. Aangezien aldus moet worden aangenomen dat appellante deze dieren conform de geldende voorwaarden heeft aangehouden, is, mede gelet op het eerste en derde genoemde voorbeeld in interpretatienota nr. 51, het enkele niet voldoen aan het 15%-vereiste onvoldoende grond voor toevoeging van de overige 9,4 (13,4 - 4) niet gebruikte premierechten aan de nationale reserve. Verweerder had in zoverre dan ook moeten vaststellen dat sprake is van een uitzonderlijk, naar behoren gemotiveerd geval als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het besluit van 9 juli 2004 tot toevoeging van 13,4 premierechten aan de nationale reserve is gehandhaafd.

5.6 Het College acht ten slotte termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar tegen het

besluit van 9 juli 2004 te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden; en

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,-- (zegge:

tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener