Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0093

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/298
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet tarieven gezondheidszorg

Huisartsen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2007, 148
ABkort 2007/441

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/298 12 juli 2007

13755 Wet tarieven gezondheidszorg

Huisartsen

Uitspraak in de zaken van:

1) Stichting Huisartsendienstenstructuur A, te A;

2) B, te A;

3) C, te A;

4) D, te A,

appellanten,

gemachtigde: mr. G.H. Morsink, te A, tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. C. Velink, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Het College tarieven gezondheidszorg vormt met ingang van 1 oktober 2006 (de datum van inwerkingtreding van de Wet marktordening gezondheidszorg) met het College van toezicht op de zorgverzekeringen één rechtspersoon, te weten de Nederlandse Zorgautoriteit. Vanaf deze datum is derhalve de Nederlandse Zorgautoriteit verweerster in de onderhavige zaak. Waar het in het onderstaande gaat om vóór deze datum - door het College tarieven gezondheidszorg - verrichte handelingen en genomen besluiten, wordt dat College tevens als verweerster aangeduid.

Bij brief van 4 mei 2005, bij het College op dezelfde datum binnengekomen, hebben appellanten beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift van 27 januari 2005 gericht tegen de op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg) gegeven tariefbeschikkingen van 16 december 2004 (5000-1000-05-1,

5000-1500-05-1 en 5000-1900-05-1; hierna: tariefbeschikkingen).

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft verweerster het bezwaar van appellante sub 1 niet-ontvankelijk en het bezwaar van appellanten sub 2, 3 en 4 ongegrond verklaard.

Nadat appellanten het beroep bij brief van 19 september 2005 hebben voorzien van aanvullende gronden, heeft verweester bij brief van 3 november 2005 een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft verweerster bericht dat zij het besluit op bezwaar zelf heeft genomen en dat dit besluit derhalve niet in mandaat is genomen.

Appellanten hebben bij brief van 28 augustus 2006 verzocht de behandeling van het beroep voor onbeperkte termijn op te schorten en vervolgens, in reactie op een griffiersbrief van 25 oktober 2006, bij brief van 1 november 2006 om aanhouding van de behandeling van het beroep met een half jaar.

Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 27 april 2007, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het bestreden besluit is tot stand gekomen voor de inwerkingtreding van de Wet marktordening gezondheidszorg, zodat voor de beoordeling van het geschil de met ingang van genoemde datum ingetrokken Wtg en daarop gebaseerde regelgeving van toepassing is.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante sub 1 is een huisartsendienstenstructuur en als zodanig een orgaan voor gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder A, sub 29c, van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992.

- Appellanten sub 2, 3 en 4 zijn huisartsen en derhalve organen voor gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder B, sub 1 van het Besluit werkingssfeer Wtg 1992. Zij zijn (tevens) als huisartsen aangesloten bij de dienstenstructuur van appellante sub 1.

- Bij brief van 13 december 2004 hebben de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) verweerster verzocht de tarieven voor huisartsenhulp per 1 januari 2005 aan te passen aan de met ingang van die datum geldende beleidsregels.

- Bij de tariefbeschikkingen heeft verweerster de maximumtarieven voor huisartsenhulp ten behoeve van ziekenfondsverzekerden en niet-ziekenfondsverzekerden en de tarieven voor informatieverstrekking door huisartsen met ingang van 1 januari 2005 vastgesteld.

- Bij brief van 27 januari 2005 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 24 maart 2005 heeft verweerster (-) appellante sub 1 bericht dat zij niet-ontvankelijk in haar bezwaar moet worden verklaard omdat de tariefbeschikkingen gelden voor huisartsen en niet voor huisartsendienstenstructuren en heeft zij haar verzocht aan te geven of zij het bezwaar wenst te handhaven en (-) appellanten sub 2, 3 en 4 verzocht een toelichting op het bezwaar te geven.

- Bij brief van 14 april 2005 hebben appellanten hierop gereageerd.

- Bij besluit van 21 juni 2005 heeft verweerster het bezwaar van appellante sub 1 (kennelijk) niet-ontvankelijk en het bezwaar van appellanten sub 2, 3 en 4 (kennelijk) ongegrond verklaard. Verweerster heeft hiertoe het volgende overwogen:

"De tariefbeschikkingen bevatten maximumtarieven voor huisartsenhulp ten behoeve van ziekenfondsverzekerden en niet-ziekenfondsverzekerden en de maximumtarieven voor informatieverstrekking door huisartsen.

Deze tariefbeschikkingen zijn vastgesteld overeenkomstig het verzoek van de LHV en ZN/KPZ. Het betreffen landelijk uniforme tarieven voor huisartsen. Bovengenoemde tarieven gelden niet voor huisartsendienstenstructuren (hierna HDS'en). Een HDS heeft een vast tarief dat is gebaseerd op de beleidsregels:

1. de tariefopbouw voor de huisartsendienstenstructuur;

2. de vaststelling van het budget van de huisartsendienstenstructuur;

3. de niet-aanvaardbare kosten voor een huisartsendienstenstructuur;

4. de nacalculatiesystematiek voor de huisartsendienstenstructuur.

Op grond van deze beleidsregels wordt een budget (en tarief) voor de HDS vastgesteld. Alleen dit tarief kan rechtsgeldig in rekening worden gebracht door de HDS (als zodanig).

De Stichting Huisartsendienstenstructuur A als zodanig heeft dan ook geen belang bij indiening van onderhavig bezwaarschrift gericht tegen de tariefbeschikkingen inzake maximumtarieven voor huisartsenhulp.

Ook namens de drie huisartsen wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de bijzondere positie van reeds bestaande of kleinere HDS'en en de daarin participerende huisartsen.

Hierover merken wij op dat in de tariefbeschikking maximumtarieven voor huisartsenhulp geen vergoeding is verwerkt voor wat betreft de (kleinschaligheid van) HDS'en. De enige doorwerking van de tariefbeschikking inzake de maximumtarieven voor huisartsenhulp is gelegen in het honorariumtarief voor al dan niet participerende huisartsen. Nu de bestreden tariefbeschikkingen geen beslissing omtrent de positie van HDS'en bevat, moet het bezwaar in dat opzicht kennelijk ongegrond verklaard worden.

Volledigheidshalve merken wij nog op dat, indien u van mening bent dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijzondere positie van een kleine HDS bij de kostenvergoeding voor de HDS'en, hiertegen bezwaar openstaat op het moment dat een individuele tariefbeschikking aan de HDS terzake is afgegeven.

Gezien het voorgaande verklaart de algemeen directeur namens CTG/ZAio het bezwaar van de HDS als zodanig (kennelijk) niet-ontvankelijk. Het bezwaar ingediend door de drie huisartsen afzonderlijk wordt door CTG/ZAio (kennelijk) ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt beoordeeld.

Artikel 7:3, aanhef en onder a en b bepaald dat van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk (a) of kennelijk ongegrond (b) is. Gelet hierop zijn belanghebbenden niet uitgenodigd voor een hoorzitting voorafgaand aan deze beslissing op bezwaar."

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het College stelt voorop dat het beroep oorspronkelijk is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van appellanten tegen de tariefbeschikkingen.

Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de alsnog genomen beslissing op dit bezwaar.

In tegenstelling tot hetgeen appellanten betogen is het College van oordeel dat zij geen belang hebben bij een beslissing op hun beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar. Hoewel appellanten stellen ten gevolge van het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift schade te hebben geleden en mitsdien een belang te hebben, hebben zij deze stelling op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Het College zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

3.2 Met betrekking tot het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen de reële beslissing op bezwaar is het College van oordeel dat, anders dan verweerster betoogt, geen grond bestaat voor de conclusie dat appellanten bij de beoordeling van dat beroep geen belang hebben. Het betoog van verweerster dat appellanten sub 2, 3 en 4 geen belang hebben bij een vernietiging van de tariefbeschikkingen per 1 januari 2005, omdat deze appellanten dan zouden terugvallen op de voorafgaande tariefbeschikkingen die gelijk zijn aan of lager zijn dan het tarief per 1 januari 2005, miskent immers dat het beroep is gericht tegen het besluit op bezwaar en niet tegen de tariefbeschikkingen, terwijl appellanten, zo begrijpt het College hen, juist betogen dat de vastgestelde tarieven te laag zijn.

Aangezien van andere beletselen voor de ontvankelijkheid van het beroep voorzover gericht tegen de reële beslissing op bezwaar niet is gebleken, zijn appellanten in zoverre ontvankelijk in hun beroep.

Het College zal eerst ingaan op het beroep van appellante sub 1 gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar (3.3) en vervolgens op het beroep van appellanten sub 2, 3 en 4 tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar (3.4).

3.3 Ingevolge artikel 35 Wtg, voorzover hier van belang, kan tegen een op grond van deze wet genomen besluit door het orgaan voor gezondheidszorg dat daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, bij het College beroep worden ingesteld.

Naar het oordeel van het College heeft verweerster zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante sub 1 niet-ontvankelijk is in haar bezwaar tegen de tariefbeschikkingen, omdat zij door de tariefbeschikkingen niet rechtstreeks in haar belang is getroffen. Het College overweegt hiertoe dat in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk is kunnen worden dat sprake is van een direct en onlosmakelijk verband tussen het belang waarin appellante sub 1 zich getroffen acht en de tariefbeschikkingen. Appellante sub 1 ontleent haar belang bij het in rekening brengen van de tarieven op basis van de tariefbeschikkingen immers aan het belang van haar huisartsen (appellanten sub 2, 3 en 4). Voor appellante sub 1 heeft verweerster een andere tariefbeschikking vastgesteld - gebaseerd op andere beleidsregels - op grond waarvan appellante sub 1 rechtsgeldig een tarief in rekening kan brengen.

Het College is gelet op het voorgaande voorts van oordeel dat verweerster terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar van appellante sub 1 kennelijk niet-ontvankelijk is en dus terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, Awb ervan heeft afgezien appellante sub 1 naar aanleiding van haar bezwaar te horen.

3.4 Met betrekking tot hetgeen appellanten sub 2, 3 en 4 naar voren hebben gebracht is het College van oordeel dat daarin geen aanknopingspunten zijn gelegen voor de conclusie dat de aan de tariefbeschikkingen ten grondslag liggende beleidsregels onrechtmatig zijn. Aangezien de tariefbeschikkingen overeenkomstig die beleidsregels zijn vastgesteld en van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb niet is gebleken, bestaat evenmin grond voor de conclusie dat de tariefbeschikkingen onrechtmatig zijn.

Meer in het bijzonder overweegt het College dat het enkele betoog dat de tariefbeschikkingen onvoldoende recht doen aan de bijzondere positie van reeds bestaande kleinere huisartsendienstenstructuren en de daarin participerende huisartsen, geen inzicht geeft met welke door verweerster gehanteerde uitgangspunten en op welke gronden appellanten sub 2, 3 en 4 het niet eens zijn.

Voorzover appellanten sub 2, 3 en 4 betogen dat opheffing van de huisartsendiensten-structuur A met zich brengt dat zij terugvallen op de - lagere - maximumtarieven voor huisartsen die niet participeren in een huisartsendienstenstructuur (klassieke waarneming) en zij daardoor verlies zouden lijden, moet allereerst worden opgemerkt dat die situatie zich, naar de gemachtigde van appellanten ter zitting van het College heeft verklaard, thans niet voordoet. Met betrekking tot het verschil in hoogte van tarieven voor avond, nacht en weekendzorg (ANW-zorg) verleend door huisartsen die participeren in een huisartsendienstenstructuur enerzijds en huisartsen die daar niet in participeren anderzijds - waarvoor ook verschillende beleidsregels gelden - heeft verweerster er bovendien terecht op gewezen dat een klassieke waarneming niet is te vergelijken met ANW-zorg die via een huisartsendienstenstructuur wordt verleend. Verweerster heeft in dit verband onweersproken gesteld dat een huisartsendienstenstructuur zo is georganiseerd dat een aantal huisartsen gedurende de avond, nacht en weekend huisartsgeneeskundige zorg verleent voor een groot gebied, waarbij zij worden bijgestaan door doktersassistenten en chauffeurs. Een aantal doktersassistenten of verpleegkundigen bedient de telefoon en verricht triage. Eén of meer huisartsen is/zijn ingeroosterd om spreekuur te doen op de post terwijl anderen worden ingeschakeld om visites te rijden. Een huisartsendienstenstructuur is derhalve een aparte organisatie, met eigen infrastructuur en daarbij behorende kosten, terwijl bij klassieke waarneming de huisartsgeneeskundige zorg gedurende de avond, nacht en weekend plaatsvindt vanuit het eigen praktijkadres op een wijze die vergelijkbaar is met de zorgverlening overdag.

Voorts is het College, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerster terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar van appellanten sub 2, 3 en 4 kennelijk ongegrond is en dus terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb ervan heeft afgezien appellanten sub 2, 3 en 4 naar aanleiding van hun bezwaar te horen.

3.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellanten voorzover gericht tegen de reële beslissing op bezwaar ongegrond is.

Het College acht geen termen aanwezig verweerster te veroordelen in de proceskosten.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellanten voorzover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van appellanten voorzover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 21 juni 2005 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Venekamp