Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB0075

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/602
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Registratie

ambtshalve

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

AWB 06/602 27 juni 2007

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

A v.o.f., te X, appellante,

tegen

Hoofdbedrijfschap Ambachten, verweerder,

gemachtigden: mr. P.J.M. Grimmon en mr. R.J. Vixseboxse, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 27 juli 2006, bij het College binnengekomen op 28 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 1 maart 2006, waarbij appellantes bedrijf is geregistreerd op grond van de Registratieverordening Hoofdbedrijfschap Ambachten 2004 (hierna: Registratieverordening).

Bij brief van 12 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 mei 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellante is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Registratieverordening is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 3, van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Ambachten genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 4

Van de ondernemingen die onder de werkingssfeer van het HBA vallen, worden in een bestand gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens.

(…).”

Het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Ambachten (hierna: Instellingsbesluit) luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 2

Onder ambachtsbedrijf wordt verstaan een onderneming waarin plaatsvindt:

a. het vervaardigen of bewerken van zaken en het verkopen daarvan;

b. het herstellen en onderhouden van zaken of

c. het verlenen van diensten.

Artikel 3

1. Er is een Hoofdbedrijfschap Ambachten.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de volgende ambachtsbedrijven:

(…)

d. productieambacht

(…)

6°. het natuursteenbedrijf;

(…)

3. In bijlage A bij dit artikel wordt een nadere omschrijving gegeven van de in het eerste en tweede lid genoemde bedrijven.

(…)”

In bijlage A behorende bij artikel 3 van het Instellingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“ Het natuursteenbedrijf

Onder het natuursteenbedrijf wordt verstaan het bedrijf waarin het bewerken van natuursteen, al dan niet gepaard gaande met het plaatsen daarvan, of de handel in onbewerkt en bewerkt natuursteen wordt uitgeoefend.”

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“ In artikel 3 zijn de ambachtsbedrijven opgesomd waarvoor het Hoofdbedrijfschap is ingesteld. Ook als in die bedrijven naast een in artikel 3 genoemd ambacht, andere werkzaamheden worden uitgeoefend, ressorteren ze onder het Hoofdbedrijfschap.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 1 maart 2006 is appellantes bedrijf door verweerder geregistreerd op grond van de Registratieverordening.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 maart 2006 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 11 mei 2006 heeft appellante haar bezwaar nader toegelicht. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de registratie van appellantes bedrijf gehandhaafd. Daartoe is onder meer in aanmerking genomen dat uit het Handelsregister en de website van appellante blijkt dat haar bedrijf zich toelegt op het leggen en bewerken van natuursteenvloeren, waaronder begrepen het slijpen, polijsten en kristalliseren. Derhalve staat vast dat appellante natuursteen verkoopt, plaatst en bewerkt. Hierdoor valt zij van rechtswege onder de werkingssfeer van verweerder.

Ook indien de activiteiten op het gebied van natuursteen als nevenactiviteit van de andere bedrijfsuitoefeningen binnen de onderneming worden uitgeoefend, valt de onderneming onder de werkingssfeer van verweerder.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd dat zij niet onder de werkingssfeer van verweerder valt. Daartoe moet – aldus appellante – sprake zijn van het volledig uitoefenen van het natuursteenbedrijf conform de wettelijke definitie. Daarvan is slechts sprake indien het bedrijf zich bezighoudt met het bewerken van natuursteen of de handel in (on)bewerkt natuursteen. Het plaatsen van natuursteentegels als zodanig is geen criterium om te kunnen worden beschouwd als natuursteenbedrijf. Tegelzettersbedrijven die naast keramische- ook natuursteentegels op vloeren en wanden aanbrengen, kunnen niet gerekend worden tot het natuursteenbedrijf als bedoeld in het Instellingsbesluit. Het bedrijf van appellante betreft qua hoofdactiviteit duidelijk een tegelzettersbedrijf. In dit verband voert appellante (onderhouds)werkzaamheden uit, zoals slijpen, schuren en kristalliseren van natuursteen dat reeds bewerkt is in de vorm van tegels. Naast natuursteentegels brengt appellante ook keramische tegels aan. Het bevreemdt appellante dat, wanneer een bedrijf reeds bewerkt en verwerkt natuursteen in de vorm van tegels van natuursteen gaat slijpen of kristalliseren, ineens weer sprake zou zijn van een natuursteenbedrijf.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 4 juncto artikel 2 van de Registratieverordening is een onderneming registratieplichtig, indien deze onderneming onder de werkingssfeer van verweerder valt. Blijkens artikel 3 van het Instellingsbesluit is verweerder onder meer ingesteld voor het productieambacht, waartoe het natuursteenbedrijf behoord. In Bijlage A, behorend bij artikel 3, wordt onder natuursteenbedrijf verstaan: het bedrijf waarin het bewerken van natuursteen, al dan niet gepaard gaande met het plaatsen daarvan, of de handel in onbewerkt en bewerkt natuursteen wordt uitgeoefend.

5.2 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil, dat appellante aan particulieren en bedrijven natuursteentegels levert en plaatst en hiermee gepaard gaande bewerkingshandelingen verricht met betrekking tot de natuursteentegels, zoals het slijpen, polijsten of kristalliseren. Kortom appellante bewerkt, plaatst en verkoopt natuursteentegels. Het verrichten van voornoemde activiteiten brengt, gelet op de in Bijlage A van artikel 3 vermelde omschrijving van het natuursteenbedrijf, mee dat appellantes bedrijf registratieplichtig is.

Dat appellante slechts bewerkingshandelingen verricht ten aanzien van al bewerkt natuursteen (in de vorm van natuursteentegels) maakt het voorgaande niet anders. Voldoende is dat er bewerkingshandelingen ten aanzien van natuursteen worden verricht. Uit het Instellingsbesluit en de bijbehorende toelichting is niet af te leiden, zoals appellant stelt, dat het dient te gaan om bewerkingshandelingen ten aanzien van onbewerkt natuursteen. Ook het bewerken van natuursteen dat al in een eerder stadium is bewerkt, is naar het oordeel van het College een activiteit welke behoort tot het natuursteenbedrijf in de zin van het Instellingsbesluit.

Dat appellante ook werkzaamheden verricht ten aanzien van keramische tegels doet aan het voorgaande niet af.

5.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.H. Vazquez Muñoz