Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA8643

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/530
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

AWB 06/530 22 juni 2007

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. B.F. de Jong, werkzaam bij Ditmar’s de Jong Belastingadvies, te Liessel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 juli 2006, bij het College per fax binnengekomen op 3 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen twee besluiten van 18 januari 2005, waarbij verweerder zijn eerdere besluiten op de aanvragen akkerbouwsteun van appellante over de jaren 2001 en 2002 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen heeft herzien en reeds betaalde steun heeft teruggevorderd.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 21 augustus 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 15 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 12 maart 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde appellante op haar verzoek in de gelegenheid te stellen ter onderbouwing van haar ter zitting ingenomen standpunt getuigen te doen horen en wellicht ook andere bewijsmiddelen over te leggen.

Op 27 april 2007 heeft het College van appellante nadere stukken ontvangen.

Op 11 mei 2007 heeft het College de zaak wederom ter zitting behandeld, waar namens appellante B en namens verweerder zijn gemachtigde zijn verschenen. Hierna heeft het College het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en “herstructureringsprogramma” de in bijlage I opgenomen definities.”

In bedoelde bijlage staat:

“Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(…)

Artikel 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (…)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 32 Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte warop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Wanneer het verschil groter is dan 50%, wordt het bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. (…)

Artikel 44 Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49 Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

(…)”

De Regeling luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 4

1. Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland:

(…)

3. De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien:

a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektenwet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf;

b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland;

c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen;

d. en voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER.

Een schriftelijke aanvraag voor de hiervoor bedoelde toestemming wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen door LASER ontvangen.

(…)”.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In haar aanvraag akkerbouwsteun 2001 heeft appellante onder meer het maïsperceel 2 van 4.45 ha en het groene braakperceel 11 van 0.3 ha voor akkerbouwsteun opgegeven. Bij besluit van 11 januari 2002 heeft verweerder op de aanvraag beslist en appellante een bedrag van € 6268,37 aan akkerbouwsteun toegekend.

- In haar aanvraag akkerbouwsteun 2002 heeft appellante onder meer de maïspercelen 2 van 1.96 ha en 7 van 1.83 ha en het tarweperceel 3 van 3.00 ha voor akkerbouwsteun opgegeven.

- Appellante heeft in haar aanvraag 2003 dezelfde percelen onder andere volgnummers, opgegeven voor steun. Naar aanleiding van een door GeoRas uitgevoerd teledetectieonderzoek is gebleken dat een gedeelte van genoemde percelen niet voldeed aan de definitie akkerland. Dit was voor verweerder aanleiding bij zijn beslissing van 27 december 2004 op de aanvraag 2003 deze perceelsgedeelten als niet geconstateerd aan te merken. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Tegen de ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft appellante beroep ingesteld bij het College. Bij uitspraak van 7 december 2005, gewezen onder zaaknummer 06/648 heeft het College dit beroep ongegrond verklaard.

- In verband met de bevindingen van GeoRas betreffende de aanvraag 2003 heeft verweerder zijn besluiten met betrekking tot de aanvragen 2001 en 2002 herzien.

- Bij het herzieningsbesluit van 18 januari 2005 betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder van perceel 2 alsnog 3.09 ha als niet geconstateerd aangemerkt. Perceel 11 heeft hij alsnog in zijn geheel als niet geconstateerd aangemerkt. Met toepassing van de artikelen 9 en 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 heeft hij vervolgens van het reeds uitbetaalde bedrag van € 6285,16 een bedrag van € 5080,85 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit van 18 januari 2005 betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder van perceel 2 alsnog 1.61 ha als niet geconstateerd aangemerkt. Van perceel 3 is 1.47 ha alsnog als niet geconstateerd aangemerkt en van perceel 7 is alsnog 1.49 ha als niet geconstateerd aangemerkt. Met toepassing van de artikelen 32 en 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder vervolgens van het reeds uitbetaalde bedrag van € 8318,50 een bedrag van € 6829,26 teruggevorderd.

- Tegen deze besluiten tot terugvordering heeft appellante bij brief van 27 februari 2005 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 19 januari 2006 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

GeoRas heeft vastgesteld dat van de percelen 2, 3 en 4 uit de aanvraag 2003 bepaalde gedeelten gedurende de gehele referentieperiode bedekt zijn geweest met gras. Verweerder heeft GeoRas verzocht aan de hand van het door appellante aangeleverde kaartmateriaal de gedane bevindingen nog eens te controleren. Dit heeft geen nieuwe conclusies opgeleverd.

Dat appellante het merkwaardig vindt dat van de litigieuze percelen stukjes wel en andere stukjes niet zijn goedgekeurd levert geen grond op om aan de conclusies van GeoRas te twijfelen. Evenmin ziet verweerder aanleiding te veronderstellen dat de uitspraak van het College van 7 december 2005 onzorgvuldige conclusies zou bevatten. Voor het heropenen van de discussie over de steunwaardigheid van de niet aanvraagde perceelsgedeelten ziet verweerder geen aanleiding.

Voorzover appellante alsnog een beroep wenst te doen op het feit dat haar bedrijf betrokken was bij de ruilverkaveling “Land van Cuijk” kan dit niet leiden tot een succesvol verzoek om ingevolge artikel 4 van de Regeling te mogen schuiven met de definitie akkerland.

Reeds het gegeven dat appellante daartoe geen toestemming vooraf, zoals vereist in artikel 4, lid 3, sub d, van de Regeling, heeft aangevraagd staat daaraan in de weg.

Ook het beroep dat appellante doet op aan haar vanwege de ruilverkavelingscommissie “Land van Cuijk” gegeven voorlichting, waaruit zou zijn af te leiden dat voor de onder deze ruilverkaveling vallende percelen een generaal pardon voor het schuiven met de definitie zou gelden, kan niet slagen. Dat van bevoegde zijde is aangegeven dat een dergelijk generaal pardon zou gelden is niet gebleken. Het beroep op opgewekt vertrouwen faalt derhalve.

Ten overvloede stelt verweerder vast dat tijdens de hoorzitting van 31 maart 2004 in de bezwaarprocedure van de aanvraag 2003 is gebleken dat de door appellante in het kader van de ruilverkaveling ingeleverde percelen niet steunwaardig zijn, omdat zij niet aan de definitie akkerland voldoen. Daarmee is overdracht van de definitie akkerland naar de verkregen percelen 2, 3 en 4 niet mogelijk.

In het verweerschrift heeft verweerder het volgende aangevoerd.

Niet is gebleken dat verweerder een algemeen pardon heeft gegeven aangaande de definitie akkerland voor de landinrichting “Land van Cuijk”. Anders dan appellante stelt heeft het College in de zaak AWB 04/1054 (beroep van maatschap C) niet vastgesteld dat er een generaal pardon was voor de ruilverkaveling “Land van Cuijk”. Het college heeft slechts vastgesteld dat aannemelijk is dat de appellante in die zaak door de informatie van de landinrichtingscommissie, er vanuit is gegaan dat er een generaal pardon was en naar die informatie heeft gehandeld. Daarom kan deze maatschap, eveneens deelnemer aan de ruilverkaveling “Land van Cuijck”, wel met vrucht een beroep doen op in het kader van die verkaveling verstrekte voorlichting inhoudende dat er sprake zou zijn van een generaal pardon om te mogen schuiven met de definitie akkerland. Appellante meent recht te hebben op dezelfde beslissing en beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel.

Dit beroep kan niet slagen omdat maatschap C, anders dan appellante, wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de landinrichtingscommissie informatie heeft gekregen omtrent een generaal pardon. Daarenboven heeft maatschap C, wederom anders dan appellante, wel steunwaardige grond ingeleverd in het kader van de ruilverkaveling. Van gelijkwaardige gevallen is dus geen sprake.

Niet gebleken is dat appellante er bij haar opgave vanuit is gegaan dat een generaal pardon zou gelden. Tijdens de hoorzitting op 19 januari 2006 heeft verweerder appellante gevraagd waarom de stukken betreffende het generaal pardon (verklaring van D, verklaring van de leden van de ruilverkavelingscommissie, afschriften van verslagen van vergaderingen van deze commissie) niet eerder in het geding zijn gebracht. Het antwoord was dat haar accountant haar daar pas onlangs op had gewezen. Verweerder kan hieraan slechts de conclusie verbinden dat appellante bij de opgave 2001 en 2002 niet heeft gehandeld op basis van in 1996 gewekt vertrouwen dat een generaal pardon zou gelden.

Ten onrechte gaat appellante er vanuit dat “geen schuld” als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aanleiding zou kunnen geven tot het verlenen van steun. Artikel 44 heeft alleen betrekking op het eventueel achterwege laten van het opleggen van kortingen en uitsluitingen.

In het verweerschrift is tot slot aangevoerd dat de in 2001 uitgevoerde uitgebreide controle betrekking had op een overdeclaratie. Appellante en een buurman gaven dezelfde grond op. Bij het onderzoek terzake is geen onderzoek gedaan naar de perceelshistorie dan wel de definitie akkerland.

4. Het standpunt van appellante

Appellante meent dat de goedkeuring van haar aanvraag over het jaar 2001, die plaats vond na een zeer uitgebreide controle, bij haar terecht het vertrouwen heeft gewekt dat voldaan werd aan de definitie akkerland.

In het kader van de ruilverkaveling “Land van Cuijk” is vanwege de Landinrichtingscommissie het vertrouwen gewekt dat voor alle percelen binnen die ruilverkaveling een generaal pardon zou gelden. Dit hield in dat alle percelen binnen dit ruilverkavelingsgebied geacht werden te voldoen aan de definitie akkerland. Appellante heeft dit onderbouwd met een verklaring van het lid van de ruilverkavelingscommissie D van 15 november 2005 en een verklaring van alle leden van deze commissie, waaronder E, die destijds werkzaam was voor de Landinrichtingsdienst van verweerder, van 2 februari 2006. Tevens is appellante in het bezit van notulen van de vergadering van de landinrichtingscommissie van 13 maart en 8 mei 1996. Ten behoeve van appellante heeft de heer D bij brief van 23 april 2007 een extra schriftelijke verklaring afgegeven.

Ten onrechte stelt verweerder dat niet is gebleken dat een generaal pardon door de officiële instanties is afgekondigd. Aan de bij deze ruilverkaveling betrokken ondernemers is wel degelijk van bevoegde zijde meegedeeld dat er sprake was van een generaal pardon. Zonder generaal pardon zou de ruilverkaveling ook niet zo succesvol afgerond zijn.

In verband met dit opgewekt vertrouwen had verweerder niet tot terugvordering mogen overgaan en , nu appellante geen schuld heeft aan de opgave van de in de ogen van verweerder niet steunwaardige perceelsgedeelten, toepassing moeten geven aan artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001.

Dat er bij de ruilverkaveling “Land van Cuijk” wel degelijk sprake is geweest van een generaal pardon blijkt ook uit de uitspraak van het College in de zaak van maatschap C met procedurenummer 04/1054. Blijkens die uitspraak had verweerder in de situatie van deze ruilverkaveling wel degelijk toepassing moeten geven aan genoemd artikel 44. Appellante ziet niet in waarom ten opzichte van haar anders gehandeld zou moeten worden dan ten opzichte van maatschap C. Zij beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat in zijn uitspraak van 7 december 2005 met procedurenummer (AWB 04/648, <www.rechtspraak.nl >, LJN AU7880) is vastgesteld dat de in de aanvraag 2003 door appellante opgegeven percelen 2, 3 en 4 gedeeltelijk niet voldeden aan de definitie van akkerland. Appellante heeft in haar aanvragen 2001 en 2002 dezelfde percelen onder andere volgnummers opgegeven. In onderhavige procedure heeft appellante niet bestreden dat de in de aanvragen 2001 en 2002 opgegeven percelen in de referentiejaren 1987-1991 gedeeltelijk als permanent grasland in gebruik zijn geweest.

Voorts staat vast dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4, derde lid, van de Regeling geboden mogelijkheid om toestemming te vragen om bij een ruilverkaveling ingeleverde percelen die voor steunverlening in aanmerking kwamen door andere percelen te vervangen.

5.2 Appellante is niettemin van mening dat alle door haar opgegeven percelen premiewaardig zijn, omdat zij deze percelen verkregen heeft in het kader van de ruilverkaveling “Land van Cuijk” en voor de betrokken percelen een ‘generaal pardon’ is verleend, als gevolg waarvan die percelen geacht worden aan de definitie akkerland te hebben voldaan.

Met de term ‘generaal pardon’ bedoelt appellante dat toegezegd zou zijn dat alle bij de ruilverkaveling betrokken percelen geacht zouden moeten worden gedurende de referentieperiode voor akkerbouwdoeleinden in gebruik te zijn geweest, zodat zij op grond van de Regeling voor steun in aanmerking gebracht zouden kunnen worden. Het College constateert dat een boodschap van die strekking aan de bij de ruilverkaveling betrokken boeren gegeven is. Het College constateert tegelijkertijd dat de destijds geldende regelgeving verweerder niet de bevoegdheid verleende om een daartoe strekkend besluit te nemen, maar dat er voorts ook geen enkele indicatie is, dat zo’n besluit niettemin genomen zou zijn. Er is zelfs geen indicatie dat door verweerder, dan wel door bij de toepassing van de steunregeling betrokken ambtenaren, de suggestie gewekt zou zijn dat een dergelijk besluit zou bestaan. In het verslag van de 121ste en 122ste vergadering van de landinrichtingscommissie van 13 maart 1996 en 8 mei 1996 wordt uitsluitend vermeld dat een lid van de Commissie in Utrecht zou gaan informeren of een gezamenlijke ontheffing mogelijk was en vervolgens dat hem door Laser geantwoord is dat, voor percelen die binnen een ruilverkaveling vallen, uitzonderingen mogelijk waren. Met een dergelijk antwoord wordt naar het oordeel van het College geen ‘generaal pardon’ verleend. Op basis van deze informatie moet dan ook geconstateerd worden dat de Ruilverkavelingscommissie zonder voldoende grond de betrokkenen bij de ruilverkaveling heeft medegedeeld dat een generaal pardon verleend was. Verweerder is aan een dergelijke mededeling niet gebonden.

Nu appellante stelt dat een ‘generaal pardon’ verleend is ligt het op haar weg voor die stelling bewijs te leveren. Waar verweerder verklaart dat hem van zo’n pardon niets bekend is, gaat appellantes stelling dat hij over de archieven beschikt, waarin zich stukken kunnen bevinden die haar gelijk bewijzen, zodat van hem gevergd mag worden die stukken op tafel te brengen, niet overtuigen. Verweerder kan niet met stukken bewijzen, dat hem nooit een verzoek om een generaal pardon te verlenen, bereikt heeft en dat hij daar dus ook nooit iets over besloten heeft. Bovendien is de stelling van appellante, gelet op het feit dat de figuur van het ‘generaal pardon’ niet in de wetgeving voorzien is, niet aannemelijk. Ter zitting van 12 maart 2007 heeft appellante verklaard alsnog te zullen bewijzen dat daadwerkelijk een generaal pardon is verleend. Zij heeft vervolgens een extra verklaring van de heer D van 23 april 2007 overlegd, waaruit echter niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk door de bevoegde instantie een generaal pardon is verleend.

De conclusie is dat verweerder terecht de in de aanvragen 2001 en 2002 opgegeven percelen geheel of gedeeltelijk niet steunwaardig heeft geacht.

5.3 Verweerder heeft op basis daarvan de in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 vermelde kortingen toegepast en een deel van de reeds aan appellante uitgekeerde steun teruggevorderd.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 zijn de kortingen niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

Appellante stelt zich op het standpunt dat haar geen schuld treft en beroept zich daarbij op de uitspraak van het College van 31 mei 2006 in de zaak Maatschap C (AWB 04/1054,<www.rechtspraak.nl >, LJN AX8377). Het College volgt appellante niet in haar standpunt en oordeelt als volgt. Niet is aannemelijk dat appellante de betreffende aanvragen heeft ingediend op basis van verkregen informatie over een generaal pardon waar zij redelijkerwijs op mocht vertrouwen. Appellante heeft in de bezwaar- en beroepsprocedure over de aanvraag 2003 niet aangevoerd dat haar percelen onder een ‘generaal pardon’ vielen en op grond daarvan aan de zogenaamde ‘definitie akkerland’ voldeden. Uit het verslag van de hoorzitting van 19 januari 2006 komt naar voren dat appellante pas kort daarvoor door haar accountant is gewezen op het ‘generaal pardon’. Anders dan Maatschap C heeft appellante onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat zij reeds ten tijde van de indiening van de aanvragen 2001 en 2002 in de veronderstelling verkeerde dat een ‘generaal pardon’ was verleend en dat alle in het kader van het ruilverkavelingsgebied “Land van Cuijk” verkregen percelen premiewaardig waren. Appellantes beroep op artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan derhalve niet slagen.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz