Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA8593

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/776
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 06/776 23 mei 2007

16080 Meststoffenwet

Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellant heeft zich bij brief van 15 september 2006 tot verweerder gewend naar aanleiding van een besluit van verweerder van 18 augustus 2006.

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van diens aanvraag voor een ontheffing productierechten, ongegrond verklaard.

Bij brief van 12 oktober 2006 heeft verweerder voormelde brief van appellant naar het College doorgezonden teneinde deze als beroepschrift in behandeling te nemen.

Bij brief van 16 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 7 december 2006 heeft verweerder het College naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek nadere stukken doen toekomen.

Op 12 april 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon, vergezeld van zijn adviseur, ing. H.H.H. Hoeben, en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen en hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, zoals die bepaling na de tekstplaatsing bij beschikking van de Minister van Justititie van 14 februari 2006 (Stb. 2006, 64) met ingang van 1 januari 2006 luidt, is het verboden op een bedrijf gemiddeld in een kalenderjaar een groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht.

Op grond van het bepaalde in artikel 38, tweede lid, Meststoffenwet kan bij ministeriële regeling ontheffing worden verleend van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Aan (onder meer) deze bepaling is uitvoering gegeven bij de eveneens met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet van 15 december 2005 (Stcrt. 2005, nr. 254, blz. 17). De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: uitvoeringsregeling) luidt, met inbegrip van de daarbij behorende bijlage, sedertdien voor zover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Meststoffenwet;

(…)

g. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

(…)

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

(…)

§ 5. Uitbreiding buiten rechten

Artikel 112

1. De minister kan indien naar zijn oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de artikelen (..) en 20, eerste lid, van de wet.

(…)

Artikel 113

(…)

2. Het totale aantal diereenheden, waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing kan worden verleend bedraagt ten hoogste 270.270. (…)

Artikel 114

1. Aanvragen voor een ontheffing kunnen (…) vanaf 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006 bij de Dienst Regelingen worden ingediend (…)

Artikel 116

1. De minister beslist in volgorde van de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.

2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in artikel 113, tweede lid, bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij een daartoe strekkend formulier, door hem ingevuld en gedagtekend 28 februari 2006, een aanvraag gedaan voor ontheffing productierechten. Deze aanvraag heeft betrekking op 50.000 pluimveerechten.

- Bij besluit van 16 juni 2006 heeft verweerder appellant meegedeeld dat zijn aanvraag is afgewezen. Als reden voor deze afwijzing stelt verweerder dat het totaal aantal ontheffingen het landelijk plafond van 270.270 diereenheden niet mag overschrijden en dat dit plafond reeds op 1 maart 2006 was bereikt, terwijl de aanvraag van appellant op 3 maart 2006 is ontvangen door verweerders Dienst Regelingen.

- Tegen voormeld besluit heeft appellant bij op 10 juli 2006 ontvangen schrijven bezwaar gemaakt.

- In telefoongesprekken met Dienst Regelingen van 2 en 14 augustus 2006 hebben onderscheidenlijk appellant en diens adviseur het bezwaar toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Blijkens het ook aan appellant toegezonden informatiepakket (inclusief het aanvraag-formulier) moesten aanvragen worden ingediend in de periode 1 maart tot en met 30 april 2006. De aanvragen zijn na ontvangst door Dienst Regelingen voorzien van een stempel met ontvangstdatum. Uit het stempel op de van appellant ontvangen aanvraag blijkt dat deze op 3 maart 2006 is ontvangen.

Appellant is als aanvrager verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de aanvraag en de tussenpersonen die hij daarvoor inschakelt. Door het niet aangetekend verzenden van zijn aanvraag, heeft hij het risico aanvaard dat het poststuk niet, dan wel niet tijdig zou worden ontvangen. Met de op 1 maart 2006 ingediende aanvragen was het plafond van 270.270 diereenheden al bereikt, zodat de op 3 maart 2006 ontvangen aanvraag van appellant niet meer kon worden ingewilligd.

Naar aanleiding van hetgeen door appellant ter zitting naar voren is gebracht, is namens verweerder meegedeeld dat juist is dat sommige aanvraagformulieren (al dan niet omdat deze waren gedownload van internet) reeds voor 1 maart 2006 waren ontvangen.

Deze formulieren zijn echter voorzien van het datumstempel van ontvangst 1 maart 2006.

Op basis van een door een notaris uitgevoerde loting hebben alle aanvraagformulieren met de ontvangstdatum 1 maart 2006 een rangorde gekregen, die uiteindelijk de behandelvolgorde van de aanvragen heeft bepaald. Gelet op het op de aanvraag van appellant aangebrachte datumstempel, is diens aanvraag niet in de rangorde betrokken.

4. Het standpunt van appellant

Appellant stelt dat het door hem ingevulde aanvraagformulier op 28 februari 2006 door zijn adviseur persoonlijk bij het postkantoor is afgegeven - hetgeen door deze ter zitting is bevestigd -, zodat het bevreemding wekt dat dit pas op 3 maart 2006 bij Dienst Regelingen zou zijn ontvangen. Hij wijst voorts op het grote belang bij inwilliging van zijn aanvraag en vraagt of het eventueel mogelijk is om, indien aanvragen die wel zijn ingeloot niet tot definitieve ontheffing leiden, alsnog voor ontheffing in aanmerking te komen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat reeds met de aanvragen, die door verweerders Dienst Regelingen van de datum van 1 maart 2006 als ontvangstdatum zijn voorzien, het in artikel 113, tweede lid, uitvoeringsregeling bepaalde plafond was bereikt.

Eveneens is onbetwist dat ten aanzien van die aanvragen met toepassing van artikel 116, tweede lid, uitvoeringsregeling door middel van loting een rangschikking is bepaald, die uiteindelijk bepalend is geweest voor de inwilliging van die aanvragen.

5.2 Vatstaat dat de aanvraag van appellant is voorzien van de datum van binnenkomst van (vrijdag) 3 maart 2006. De stelling van appellant dat zijn aanvraag reeds op (dinsdag) 28 februari 2006 ter post is bezorgd, kan daar niet aan afdoen. Dit geldt temeer nu bij de bepaling van de rangorde gelet op artikel 116 van de uitvoeringsregeling niet de verzend-, maar de ontvangsttheorie bepalend is.

Ook het ter zitting gehouden betoog van appellant dat andere aanvragers in de gelegenheid zijn geweest hun aanvragen reeds voor de officiële aanvraagperiode bij verweerder te bezorgen, kan hem gelet op hetgeen door verweerder dienaangaande ter zitting is meegedeeld niet baten. Dergelijke aanvragen zijn immers niet anders behandeld dan de aanvragen die op 1 maart 2006 bij Dienst Regelingen zijn ontvangen.

5.3 Gezien de relevante bepalingen van de uitvoeringsregeling in verbinding met het vorenstaande, heeft verweerder bij het bestreden besluit zijn standpunt dat de aanvraag van appellant niet voor inwilliging in aanmerking kon komen, terecht gehandhaafd.

5.4 Ten overvloede wijst het College er op dat, zoals ook door appellant naar voren is gebracht, niet valt uit te sluiten dat aanvragen die wel zijn ingewilligd in verband met daarvoor geldende voorwaarden, uiteindelijk niet tot (definitieve) ontheffing leiden.

In verband daarmee wordt verweerder in overweging gegeven aanvragen, die aanvankelijk niet zijn ingeloot danwel in verband met de datum van binnenkomst niet in de loting zijn betrokken, (alsnog) van een rangorde te voorzien. Naar het oordeel van het College staat echter gelet op de ontvangstdatum van de aanvraag van appellant geenszins vast, dat dit appellant - op termijn - zou kunnen baten.

5.5 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ingevolge

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining