Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA8570

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/666 26 juni 2007

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: ing. P.J. Houtsma, werkzaam bij Houtsma Bedrijfsadvies v.o.f. te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 augustus 2005, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juli 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op een bezwaar van appellant tegen een besluit op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Op 28 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht. Deze zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep van B, dat is geregistreerd onder nummer AWB 05/665.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover ten tijde hier van belang:

"Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a) producent: een individuele landbouwer, natuurlijke persoon of rechtspersoon, of een groepering van natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden volgens het nationale recht, van wie, respectievelijk waarvan, het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt en die runderen houdt;

b) bedrijf: het geheel van door de producent beheerde productie-eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

(…)

Artikel 4

1. Aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, kan op hun verzoek een speciale premie worden verleend. (…)

Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)"

De Regeling dierlijke EG-premies (hierna: Regeling) luidde, voorzover ten tijde hier van belang, als volgt:

"Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

s. producent: individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon of, voorzover het stieren-, ossen- of zoogkoeienhouderij betreft, samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, niet zijnde een producentengroepering ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden, van wie, respectievelijk waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van Nederland bevindt en die ofwel runderen houdt, ofwel ten minste 10 ooien houdt;

(…)

v. bedrijf:

1°. geheel van in Nederland gelegen productie-eenheden die de producent ingevolge een recht van eigendom, een zakelijk gebruiksrecht, een door de grondkamer goedgekeurde of geregistreerde pachtovereenkomst, een pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 58 van de Pachtwet of een grondgebruiksverklaring als bedoeld in artikel 1 van de Regeling landbouwgrond Meststoffenwet in beheer heeft, dan wel;

(…) of

3°. de in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen waarvan de producent op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende de aanhoudperiode als bedoeld in het vierde lid het gebruik heeft, (…)

(…)

Artikel 2.3

1. Terzake van het gedurende de desbetreffende aanhoudperiode op hun bedrijf aanhouden van een (…) stier (…) wordt jaarlijks op daartoe strekkende aanvraag, na afloop van het betrokken verkoopseizoen, overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de verordeningen 1254/1999, 2342/1999, 2529/2001 en 2550/2001 aan producenten premie verstrekt.

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 25 februari 2004 een premieaanvraag ingediend voor het aanhouden van vijftien mannelijke runderen en op 14 november 2004 een premieaanvraag voor het aanhouden van drie mannelijke runderen.

- Voorts zijn in 2004 namens appellant door het slachthuis op diverse data aanvragen voor slachtpremie ingediend.

- Op 17 januari 2005 heeft op het bedrijf van appellant een controle ter plaatse plaatsgevonden. In de naar aanleiding van deze controle opgemaakte "opgave controle onderzoek" is onder meer het volgende opgenomen:

"(…)

Op het bedrijfsadres/postadres Y (…) X zijn twee bedrijven gevestigd te weten: A UBN * (…) en Mts. C UBN **.

(…)

Volgens verklaring veehouder is UBN * begin jaren '90 opgericht. Volgens verklaring veehouder A is de maatschap UBN ** in 1996 opgericht. A is lid van de maatschap, verdere leden maatschap vader D en zoon/broer E. Tot de maatschap behoort ook het bedrijf van mevr. B UBN *** (…) Z (…) X. B is echtgenote van zoon E. Maatschap is een combinatie van veehandelaren (vader en twee zoons).

(…)

Er is geen sprake van bedrijfssplitsing, maar van samen gaan van drie maten in één maatschap en van het bedrijf van mevr. B echtgenote van zoon E (…). Volgens verklaring van mevr. B is zij houder van de dieren op Z (…) X. A verklaart: als reden van samengaan is dat er één gezamenlijke administratie kan worden gevoerd.

(…)

(…) A verklaart dat er een gezamenlijke boekhouding van de maatschap is, waarvan A deel uit maakt.

(…)

A verklaart dat gebouwen en gronden zijn eigendom zijn. Er zijn geen overeenkomsten vast gelegd. Alleen een mondelinge overkomst tussen de maten van de maatschap van gezamenlijk gebruik van stal, grond en gewonnen voer.

(…)

(…) (D)e aanwezige runderen zijn van derden aangekocht.

(…)

(…) (A)lle bedrijfsmiddelen, enz. behoren tot de maatschap.

(…)

(…) (E)r is geen bedrijfssplitsing, dus ook geen verrekening.

(…)

De maten van de maatschap D, E en A hebben de leiding over de maatschap.

(…)

A verklaart dat hij eigenaar van het bedrijf is en dat de maten van de maatschap, waarvan A ook deel uitmaakt, gezamenlijk een mondelinge overeenkomst hebben van gebruik van gebouwen, grond en gewonnen voer."

- Bij besluit van 16 mei 2005 heeft verweerder appellants premieaanvragen voor 2004 afgewezen en een reeds uitbetaald voorschotbedrag van € 288,00 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 20 juni 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 19 juli 2005 is appellant over zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen:

"Slachtpremie wordt verstrekt aan een producent die runderen op zijn bedrijf houdt (artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1254/1999). Onder producent wordt verstaan een individuele landbouwer van wie het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap en die runderen houdt (artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1254/1999). Volgens Verordening (EG) nr. 3805/92 wordt onder bedrijf verstaan het geheel van de produktie-eenheden dat door het bedrijfshoofd wordt beheerd. Bedrijfshoofd is hier de individuele landbouwer.

De Europese Commissie heeft op een bepaald moment het begrip producent uitgelegd. Daarbij heeft zij aangegeven dat de producent zijn bedrijf moet beheren, wat betekent dat hij zelf alle besluiten die van economische aard zijn voor zijn bedrijf neemt en dat hij dus zelf alle risico's van verlies of winst draagt of, bij een maatschap, deelt.

In uw geval bestonden verschillende aanwijzingen waardoor bij ons het vermoeden bestond dat u niet een producent in de zin van de Europese verordeningen bent. Deze aanwijzingen waren dat u een gezamenlijke administratie heeft met de maatschap, waarvan u één van de maten bent en met het bedrijf van mevrouw B. Alle drie deze partijen gebruiken ook één bankrekeningnummer (…).

Vervolgens hebben wij de AID opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar uw situatie. Op basis van de AID rapportage is geoordeeld dat u inderdaad niet een producent bent en zijn uw slacht- en stierenpremie aanvragen van 2004 om deze reden afgewezen.

Tijdens de hoorzitting heeft u verteld dat de AID-controleur niet begreep hoe uw situatie precies is. U moest hem het één en ander uitleggen. Er zijn twee verschillende UBN nummers binnen de maatschap, dat zich bezighoudt met veehandel. Financieel wordt alles wel onder één maatschap verwerkt. U heeft de leiding over het bedrijf waar u woont. Er zijn ook twee relatienummers, maar dat had eigenlijk niet gehoeven. Qua administratie is het u duidelijk. Administratief gezien zijn dingen zo gelopen. Maar eigenlijk had alles onder één relatienummer gekund. Facturering loopt via het bedrijf van mevrouw B, althans mevrouw B doet de administratie van de maatschap.

Eerst woonde u ergens anders en toen u op uw huidige adres bent gekomen, heeft u een nieuw relatienummer aangevraagd met een andere naam. U werkt wel onder de maatschap. Dieren werden en worden gescheiden gehouden per UBN en daarom heeft u een ander relatienummer aangevraagd. U wist aanvankelijk niet dat het eigenlijk niet had gehoeven. Met de mest is het net zo.

Alle dieren zijn van de maten en vallen onder de maatschap. Winst of verlies wordt met z'n drieën gedeeld.

Meestal voert u de dieren, soms uw vader. In principe doet u alles samen. Uw broer koopt de dieren in. Sommige dieren worden niet gelijk verkocht en dat is dan voorraad.

Gedurende de aanhoudperiode houdt u de dieren dan aan. U wilt zich strikt houden aan de administratie per UBN. Dat doet u met het doel om bij controles geen problemen te krijgen.

Op basis van het door u aangevoerde tijdens de hoorzitting, moet ik beamen dat u geen producent bent. Gebleken is dat uw broer, één van de maten verantwoordelijk is voor de in- en verkoop van de dieren, de maatschap eigenaar is van de dieren, en u niet zelf alle risico's van winst of verlies draagt, maar dat deze worden gedeeld met de maten uit de maatschap. Er is daarom geen sprake van beheer in de zin van Verordening (EG) nr. 3805/92. Uw bedrijf is zodanig verweven met de maatschap, dat geen sprake is van een zelfstandig bedrijf.

De conclusie is dat u inderdaad geen producent bent in de zin van artikel 3 onder a van Verordening (EG) nr. 1254/1999."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat appellant geen zelfstandig producent is in de zin van artikel 3, onder a, van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

Het primaire besluit van 16 mei 2005 betreft een correctie van de slachtpremie, terwijl het bestreden besluit ook over de in 2004 aangevraagde premies voor het aanhouden van mannelijke runderen gaat. Hiermee is het bestreden besluit verworden tot een beslissing op bezwaar zonder dat voorafgaand daaraan een primair besluit is genomen. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.

Verweerder heeft ten onrechte uit het AID onderzoek geconcludeerd dat het bedrijf van B onderdeel uitmaakt van de samenwerking tussen appellant en de maatschap C. Appellant is op geen enkele wijze betrokken bij het bedrijf van B en B is op haar beurt op geen enkele wijze gerechtigd in of financieel betrokken bij het bedrijf van appellant.

E, de buiten gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot van B, is deelnemer in de maatschap C. E is niet gerechtigd tot de onroerende zaken van B en omgekeerd is B niet gerechtigd tot de onderneming waarin E deelneemt.

Verweerders conclusie dat het bedrijf van appellant niet door hem beheerd wordt, is onjuist. Appellant neemt alle bedrijfsbeslissingen en loopt daarmee alle financiële risico's. Het bedrijf van appellant moet als feitelijk bedrijf beoordeeld worden, waar per abuis sprake is van twee UBN-nummers en twee relatienummers. Er is sprake van twee

UBN-nummers op hetzelfde adres, omdat vee met een verschillende gezondheidsstatus wordt gehouden. Dat er een extra relatienummer is aangevraagd, doet aan de status van bedrijf niet af.

De premie voor het vee komt binnen op één bankrekening. Wanneer het echter geld betreft waarop B op grond van het mesten van het vee recht heeft, wordt dat aan haar voldaan.

Het bedrijf van appellant met de twee relatienummers wordt als één bedrijf gevoerd. Op geen enkele wijze is getracht voordeel te behalen uit deze onjuiste registratie.

Appellant erkent dat de premies van drie relatienummers aan één en dezelfde bankrekening zijn gekoppeld, hetgeen wordt veroorzaakt door het feit dat twee relatienummers als één bedrijf worden gevoerd en de betalingen van het bedrijf van B op die bankrekening binnenkomen. Bedoelde betalingen worden als opfokvergoeding aan B uitbetaald.

Ter zitting heeft appellant gesteld dat de bedrijven op het adres Y te X feitelijk één geheel vormen. Deze situatie is ontstaan door het verplaatsen van het bedrijf van appellant naar dit adres, waar op dat moment reeds het bedrijf van maatschap Veehandel C was gevestigd. Vandaar dat er sprake is van twee afzonderlijke UBN's. Appellant is eigenaar van het vee en van de bedrijfsmiddelen. Het resultaat van zijn activiteiten brengt hij, op basis van afspraken met zijn vader en broer (met wie hij de maatschap Veehandel C vormt) in in de maatschap Veehandel C. Vanuit deze maatschap ontvangt appellant ook weer een deel van de winst.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is met name in geschil of appellant ten tijde van belang als een zelfstandig producent in de zin van artikel 3, onder a, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 kan worden aangemerkt. Het College is van oordeel dat verweerder deze vraag terecht ontkennend heeft beantwoord en overweegt hiertoe als volgt.

Appellant heeft ter zitting zelf gesteld dat zijn bedrijf en dat van maatschap Veehandel C (hierna: maatschap) feitelijk één geheel vormen. Beide bedrijven zijn op hetzelfde adres, Y te X, gevestigd. Appellant maakt deel uit van de maatschap. Alle dieren van de maten vallen onder de maatschap. De door appellant aangevraagde runderpremies worden op één gezamenlijke bankrekening gestort. Appellant brengt het resultaat van zijn bedrijfsactiviteiten in de maatschap in en ontvangt vanuit de maatschap ook weer een deel van de winst. Winst en verlies wordt door de drie maten gedeeld. Voorts heeft appellant gesteld dat, hoewel er sprake is van twee relatienummers, de bedrijfsactiviteiten ook wel onder één relatienummer zouden kunnen worden gevoerd.

Het College is, gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van belang een zodanige verwevenheid tussen het bedrijf van appellant en dat van de maatschap bestond, dat appellant niet als een zelfstandig producent in de zin van artikel 3, onder a, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 kan worden aangemerkt.

5.2 De grief van appellante dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat dit mede betrekking heeft op de in 2004 aangevraagde premies voor het aanhouden van mannelijke runderen, terwijl het primaire besluit van 16 mei 2005 slechts betrekking heeft op de slachtpremie over 2004, mist feitelijke grondslag. Uit het primaire besluit en de daarbij behorende bijlage blijkt immers duidelijk dat alle aanvragen voor runderpremies, dus ook de premieaanvragen voor het aanhouden van mannelijke runderen, zijn afgewezen.

5.3 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener