Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA7164

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/723
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/723 6 juni 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: A.P.J. van der Dussen, werkzaam bij Bolk & De Bekker, accountants en adviseurs te Rosmalen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 28 september 2006, bij het College binnengekomen op 29 september 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 september 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 24 februari 2006, waarbij verweerder heeft beslist op appellants aanvraag akkerbouwsteun op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling).

Bij brief van 13 november 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 17 november 2006 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 11 januari 2007 heeft het College verweerder uitgenodigd nader aan te geven waarom hij het door appellant niet tijdig ingediende bezwaarschrift toch ontvankelijk heeft verklaard.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft verweerder hierop als volgt gereageerd:

“ In antwoord op uw schrijven van 11 januari 2007 (…) deel ik u mee dat het niet tijdig ingediende bezwaarschrift van appellant toch ontvankelijk is verklaard vanwege ontregelde postbezorging als gevolg van het realiseren van een nieuwe woonwijk in het gebied waar appellant woont.”

Op 8 mei 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is daarbij, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met behulp van het formulier “Gecombineerde opgave 2005” op 28 april 2005 een aanvraag voor akkerbouwsteun in het kader van de Regeling ingediend.

- Bij besluit van 24 februari 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

- Bij brief van 12 juni 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 30 juni 2006 heeft verweerder appellant verzocht aan te geven welke omstandigheden er toe hebben geleid dat het bezwaarschrift niet binnen de voor het maken van bezwaar geldende termijn van zes weken werd ingediend.

- Bij brief van 6 juli 2006 heeft appellant hierop het volgende meegedeeld.

“ (…) In het gebied waar de heer A woont, is de gemeente C bezig met het realiseren van een nieuwe woonwijk. Hiervoor zal de de heer A binnenkort ook moeten wijken met zijn bedrijf.Omdat alles op zijn kop staat en moeilijk bereikbaar is, is de postbezorging ook hopeloos en komt er vaak geen post aan.

Dit is ook het geval met de beslissing van de Dienst Regelingen. Dit feit kan overigens door diverse getuigen bevestigd worden. (…)”

- Na briefwisseling tussen partijen heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het College zal ambtshalve de vraag beantwoorden of verweerder het bezwaar van appellant op goede gronden ontvankelijk heeft geacht.

3.2 Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Vast staat dat verweerder het besluit van 24 februari 2006 op die datum aan appellant op zijn toenmalige adres in C heeft toegezonden. Hiermee heeft verweerder dit besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Appellant heeft tegen het besluit van 24 februari 2006 pas bij brief van 12 juni 2006 (door verweerder ontvangen op 13 juni 2006) en derhalve na de daarvoor gestelde termijn, bezwaar gemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Verweerder heeft, gelet op deze bepaling, appellant bij brief van 30 juni 2006 verzocht opheldering te verstrekken over de geconstateerde termijnoverschrijding.

De door appellant bij brief van 6 juli 2006 gegeven toelichting heeft verweerder, gelet op het bestreden besluit, kennelijk voldoende geacht om niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege te laten.

3.3 Het College is van oordeel dat verweerder op basis van een niet genoegzame feitelijke grondslag heeft geconcludeerd dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het overweegt daartoe als volgt.

De door appellant in zijn brief van 6 juli 2006 verstrekte informatie omtrent slechte postbezorging is niet voorzien van enige verklaring van TPG post waarin zulks wordt onderschreven. Verweerder heeft zich ook anderszins niet ervan vergewist of die informatie juist is. Van het door appellant aangeboden bewijs door middel van getuigen heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Voorts heeft verweerder ook niet onderzocht op welke datum appellant dan wel voor het eerst kennis heeft genomen van het besluit op zijn aanvraag akkerbouwsteun en hoe het besluit toen in zijn bezit was gekomen.

Het had op de weg van verweerder gelegen nadere informatie te vergaren alvorens een beslissing over de ontvankelijkheid van het bezwaar te nemen.

Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven. Het College zal daarom gelet op het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322.- ( 1 punt voor het opstellen van een beroepschrift door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend).

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar dient te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant die worden vastgesteld op € 322.- (zegge:

driehonderdentweeëntwintig euro)

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van €141.- (zegge: honderdeenenveertig euro)

aan hem vergoedt;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die genoemde bedragen moet betalen.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas