Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA7163

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/659
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2006:AY4936, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Telecommunicatiewet 13.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 238 met annotatie van G.J.M. Cartigny
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/659 6 juni 2007

15300 Telecommunicatiewet

Uitspraak op het hoger beroep van:

Casema B.V. (voorheen: N.V. Casema), te Den Haag;

@Home B.V. (voorheen: Essent Kabelcom B.V.), te Groningen;

KPN B.V. (voorheen: KPN Telecom B.V. en KPN Mobile The Netherlands B.V.), te Den Haag;

Orange Nederland N.V., te Den Haag;

Telfort B.V., te Amsterdam;

T-Mobile Netherlands B.V., te Den Haag;

Versatel Nederland B.V., te Amsterdam;

Vodafone Libertel N.V., te Maastricht;

Orange Nederland Breedband B.V. (voorheen: Wanadoo Nederland B.V.), te Amsterdam;

XS4ALL Internet B.V., te Amsterdam (hierna gezamenlijk: Casema e.a.),

gemachtigde: mr. ing. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 13 juli 2006, kenmerk TELEC 05/3185 – WILD, in het geding tussen

Casema e.a.

en

de Minister van Economische Zaken (hierna: de minister),

gemachtigde: mr. F.F. van der Leeuw, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.

1. De procedure

Op 30 maart 2005 heeft de minister de Regeling kosten aftappen en gegevensverstrekking (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Het hiertegen ingediende bezwaar van onder meer Casema e.a. is door de minister bij besluit van 22 juni 2005 met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben Casema e.a. bij brief van 29 juli 2005 beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank in de bovengenoemde uitspraak van 13 juli 2006, aan partijen toegezonden op dezelfde dag, ongegrond verklaard.

Casema e.a. hebben bij brief van 23 augustus 2006, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Bij brief van 25 september 2006 hebben Casema e.a. de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 24 november 2006 heeft de minister als reactie op het hoger beroep verwezen naar de door hem overgelegde stukken in de beroepsprocedure bij de rechtbank.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 april 2007. Partijen zijn aldaar met kennisgeving niet verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In hoger beroep is aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is, waartegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 7:1 Awb.

Casema e.a. hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat in de Regeling de wettelijke norm van artikel 13.6 van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) wordt geconcretiseerd naar object, zodat geen sprake is van een zelfstandige normstelling, maar van een besluit van algemene strekking. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 20 december 2002 (AWB 01/2444 BESLU, www.rechtspraak.nl, LJN AF3256) hebben Casema e.a. er voorts op gewezen dat de Regeling, wat betreft de hierin opgenomen indicatieve tarieven, vergelijkbaar is met het Tarievenbesluit, dat als besluit van algemene strekking is aangemerkt. Ditzelfde geldt volgens Casema e.a. voor de bepalingen in de Regeling over de wijze van declareren van de onderhavige administratie- en personeelskosten.

Volgens Casema e.a. heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot slot in strijd met het motiveringsbeginsel en artikel 8:77, eerste lid, onder b, Awb nagelaten haar oordeel, dat de Regeling een zelfstandige normstelling inhoudt, te motiveren. Voorts is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op de stelling van Casema e.a. dat de Regeling geen zelfstandige normstelling bevat en hierdoor niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift.

2.2 Artikel 13.6, tweede lid, Tw bepaalt voorzover hier van belang, dat aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten aanspraak hebben op vergoeding uit 's Rijks kas van de door hen gemaakte administratiekosten en personeelskosten rechtstreeks voortvloeiend uit het voldoen aan een bijzondere last dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, als bedoeld in artikel 13.2, eerste en tweede lid, dan wel een vordering of een verzoek op grond van de Tw.

Artikel 13.6, derde lid, Tw bepaalt voorts dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling en vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid.

2.2.1 De Regeling definieert in artikel 1 wat wordt verstaan onder de begrippen wet, aanbieder, aftap- of informatieverstrekkingsactiviteit, declarabele kosten, opdrachtgever en indicatieve tarieven. In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de aanbieder aan de opdrachtgever een opgave doet van de declarabele kosten van een aftap- of informatieverstrekkingsactiviteit, zodra deze activiteit is voltooid. Artikel 2, tweede lid, van de Regeling bepaalt dat elke kostenopgave een specificatie bevat van de verrichte werkzaamheden, als aangeduid in de bijlage bij de Regeling en van de desbetreffende tijdsbesteding, en dat deze wordt opgesteld overeenkomstig de in de bijlage gegeven aanwijzingen. Artikel 2, derde lid, van de Regeling bepaalt voorts dat, voorzover de kostenopgave hoger is dan het desbetreffende indicatieve tarief, de aanbieder zorgdraagt voor een nadere onderbouwing van de kostenopgave. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Regeling dient de aanbieder op verzoek van de opdrachtgever nadere informatie te verstrekken over de kostenopgave, waaronder een toelichting op de verrichte werkzaamheden en op het kostenniveau (waaronder het gehanteerde uurtarief) en een accountantsverklaring omtrent de kostenopgave. Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig het desbetreffende indicatieve tarief, indien de opdrachtgever van oordeel is dat de gedeclareerde kosten declarabele kosten betreffen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Regeling wordt in afwijking van het eerste lid de vergoeding vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan de kosten waarvan de aanbieder naar het oordeel van de opdrachtgever aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten declarabele kosten betreffen en dat deze kosten meer bedragen dan het indicatieve tarief, voorzover deze kosten in redelijkheid als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. Artikel 4 van de Regeling betreft de indexatie en wijziging van de indicatieve bedragen.

In de bijlage bij de Regeling worden onder I de declarabele kosten en werkzaamheden nader aangeduid. Onder II van de bijlage bij de Regeling worden aanwijzingen gegeven voor de specificatie van de kostenopgaven. Onder III van de bijlage bij de Regeling worden de indicatieve tarieven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling, per soort activiteit (zoals het plaatsen van een tap) opgesomd. Tevens wordt hier bepaald dat de indicatieve tarieven met 50% respectievelijk 100% worden verhoogd, indien spoedshalve aftap- en informatieverstrekkingsactiviteiten buiten kantooruren respectievelijk in de weekeinden of op feestdagen moeten worden uitgevoerd.

2.3 Het College oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat de Regeling dient te worden aangemerkt als een besluit, houdende een algemeen verbindend voorschrift.

Het College overweegt hiertoe dat de Regeling een zelfstandige normstelling inhoudt, en dat de Regeling ook overigens voldoet aan de kenmerken van een algemeen verbindend voorschrift.

Zo bevat de Regeling verscheidene normen die niet in de Tw of een andere wettelijke regeling zijn neergelegd. Het College wijst daarbij op de normen in artikel 2 en 3 van de Regeling. In artikel 2 van de Regeling is bepaald hoe en wanneer de aanbieder de gemaakte administratiekosten en personeelskosten dient te declareren. Artikel 3 geeft ter uitvoering van artikel 13.6, derde lid, Tw zelfstandige regels over de vaststelling van de vergoeding.

Het betoog van Casema e.a. dat de Regeling geen zelfstandige normstelling bevat kan derhalve niet slagen.

De Regeling voldoet ook aan de overige kenmerken van een algemeen verbindend voorschrift. Immers, zoals de minister terecht heeft betoogd, heeft de Regeling externe werking, omdat zij de rechtspositie raakt van anderen dan hemzelf, zijn ambtenaren of andere medewerkers van zijn ministerie. De Regeling richt zich enerzijds tot de opdrachtgevers van een aftap- of informatieverstrekkingsactiviteit en anderzijds tot telecomaanbieders. De Regeling geldt voorts niet alleen voor telecomaanbieders die op het moment van de inwerkingtreding van de Regeling actief waren, maar ook voor nieuwe aanbieders en heeft derhalve betrekking op een wellicht bepaalbare, doch potentieel onbeperkte groep rechtssubjecten. De Regeling is daarnaast bevoegd vastgesteld op basis van artikel 13.6, derde lid, Tw. Tot slot bevat de Regeling algemene, abstracte regels die zich voor herhaalde toepassing lenen, omdat zij betrekking hebben op iedere aanvraag om vergoeding van de door de telecomaanbieders gemaakte administratie- en personeelskosten zoals bedoeld in artikel 13.6, tweede lid, Tw.

Voorzover Casema e.a. hebben gesteld, dat de Regeling dient te worden beschouwd als een concretiserend besluit van algemene strekking, kort gezegd, omdat de normen in de Regeling moeten worden beschouwd als een concretisering naar object van de norm in artikel 13.6, tweede lid, Tw, merkt het College nog op, dat dit betoog reeds niet kan slagen, omdat de Regeling niet slechts een concretisering naar object, maar ook zelfstandige normstelling bevat. De vergelijking die Casema e.a. maken tussen de Regeling en het Tarievenbesluit gaat derhalve niet op.

2.4 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat, ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 7:1 Awb tegen de Regeling geen bezwaar en beroep openstond.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. W.E. Doolaard en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

w.g. H.C. Cusell w.g. C.M. Leliveld