Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA7127

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/608
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 06/608 25 mei 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 1 augustus 2006, bij het College binnengekomen op 2 augustus 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: Regeling) genomen besluit van 6 maart 2006.

Bij brief van 17 augustus 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 28 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 november 2006 heeft het College verweerder verzocht om een nadere toelichting.

Bij brief van 6 december 2006 heeft verweerder aan dit verzoek voldaan.

Op 5 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij partijen, appellant in persoon en verweerder bij gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 107 - Braaklegging

1. (…)

8. Onverminderd het bepaalde in artikel 108 mogen (…) oppervlakten die overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 zijn bebost, naar aanleiding van een na 28 juni 1995 ingediende aanvraag tot een maximum per bedrijf dat door de betrokken lidstaat kan worden vastgesteld, worden meegerekend als uit productie genomen in de zin van de braakleggingsverplichting van lid 1. (…)

Op deze oppervlakten wordt de in artikel 104 bedoelde areaalbetaling echter niet verleend en wordt de steun op grond van (…)

artikel 31, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 beperkt tot een bedrag dat maximaal gelijk is aan de areaalbetaling voor braaklegging bedoeld in artikel 104.

Artikel 108 - Subsidiabele grond

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op de datum vastgesteld voor aanvragen voor oppervlaktesteun in 2003 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.

De lidstaten kunnen, onder voorwaarden die volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure nader bepaald moeten worden, van de eerste alinea afwijken, mits zij maatregelen nemen om te voorkomen dat het totale subsidiabele landbouwareaal aanzienlijk toeneemt."

In Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen, is het volgende bepaald:

“ Artikel 31

1. Er wordt steun toegekend voor de bebossing van landbouwgrond, mits de aanplant is aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en verenigbaar is met het milieu. Behalve uit steun ter dekking van de aanplantkosten kan deze steun tevens bestaan uit:

- een jaarlijkse premie per beboste hectare ter dekking van de onderhoudskosten gedurende een periode van maximaal vijf jaar,

- een jaarlijkse premie per hectare ter dekking van de door de bebossing gederfde inkomsten gedurende een periode van maximaal 20 jaar voor de landbouwers of verenigingen van landbouwers die de grond vóór de bebossing ervan bewerkten, of voor welke andere privaatrechtelijke persoon ook.

(…).”

De Regeling luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 32

1. Onder de voorwaarden die voortvloeien uit verordening 1782/2003 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen, komt de landbouwer die akkerbouwgewassen teelt in aanmerking voor een subsidie voor een perceel bouwland:

a. dat op 15 mei 2003 niet in gebruik was als blijvend grasland, voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden;

(…)

3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt als bouwland meegerekend bouwland dat op 15 mei 2003 uit productie is genomen overeenkomstig de beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland of bebost is overeenkomstig de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met het op 21 april 2005 door verweerder ontvangen formulier Gecombineerde opgave 2005 een verzamelaanvraag in het kader van de Regeling ingediend. Blijkens het bij dit formulier behorende Overzicht gewaspercelen heeft hij daarbij 3 percelen bos met een totale oppervlakte van 52 ha met gewascode 864 (bos set-aside regeling) en 5 percelen bos met een totale oppervlakte van 23.87 ha met gewascode 863 (bos zonder herplantplicht) opgegeven. Voor alle percelen heeft appellant de bijdragecode 999 (geen bijdrage) ingevuld.

- Bij brief van 3 mei 2005 heeft verweerder appellant medegedeeld dat de aanvraag onvolledig was en verzocht om de opgave aan te vullen.

- Op 4 mei 2005 heeft appellant gereageerd op verweerders brief en een toelichting gegeven op de door hem ingediende aanvraag. De toelichting luidt als volgt:

“ 999 volgens het toelichtingsboekje, maar LNV gaat niet consequent om met de Regelingen voor houtteelt. De percelen SBL-bos die ná 28/6/1995 zijn ingeplant kunnen worden gebruikt om aan de braakverplichting te voldoen. Over de percelen tijdelijk bos SA (set-aside) en SBL (regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgrond) van voor 28/6/1995 worden geen toeslagrechten toegekend, omdat deze houtteeltregelingen niet in de bedrijfstoeslagregeling zijn opgenomen. Dit is onterecht; feitelijk zou de bijdragecode 835 moeten zijn. Een alternatief is toekenning van toeslagrechten uit de nationale reserve.”

Voorts heeft appellant aangegeven dat de percelen met gewascode 863 wél voldoen aan de definitie akkerland.

- Bij besluit van 6 maart 2006 heeft verweerder vastgesteld dat appellant geen akkerbouwsubsidie heeft aangevraagd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 maart 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen.

“ Na beoordeling van uw aanvraag is gebleken, dat de percelen die u heeft opgegeven niet subsidiabel zijn.

Op grond van artikel 32, eerste lid van de Regeling en artikel 108 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 komt een perceel alleen voor een bijdrage in aanmerking als dat perceel op 15 mei 2003 niet in gebruik was als blijvend grasland, voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden. Artikel 32, derde lid van de Regeling bepaalt, dat in afwijking hiervan bouwland dat op 15 mei 2003 uit productie is genomen overeenkomstig de beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland of is bebost overeenkomstig de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden (hierna SBL-Regeling) wel als akkerland in de zin van de Regeling kan worden aangemerkt. Wel geldt hiervoor blijkens het bepaalde onder punt 9.6 op pagina 20 van de brochure verzamelaanvraag 2005 dat voor deze beboste percelen op of na 28 juni 1995 een aanvraag is ingediend voor de SBL-Regeling. De door u opgegeven percelen hebben op één na alle de gewascode 863 voor Bos zonder herplantplicht of 864 voor Bos op grond van de Set Aside Regeling. Voor deze percelen kan alleen bijdragecode 999 (geen bijdrage) ingevuld. Anders dan u stelt is dit niet onterecht, omdat de percelen met deze gewascodes niet vallen onder de uitzondering zoals genoemd in artikel 32, derde lid van de Regeling.

Op grond van de bepalingen van de Regeling en de van toepassing zijnde Verordeningen kan alleen een bijdrage voor de percelen worden gegeven maar kunnen geen toeslagrechten uit de nationale reserve worden toegewezen. Dit verzoek valt derhalve buiten de reikwijdte van het bestreden besluit.”

Verweerder heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Verweerder ziet niet in wat appellant met zijn beroep beoogt. Want ook al zou voor de percelen van appellant bijdragecode 835 gelden, dan zou hij nog geen bijdrage voor deze percelen kunnen ontvangen in het kader van de Regeling. Onder punt 9.6 op pagina 20 van de brochure verzamelaanvraag 2005 is namelijk aangegeven dat percelen die zijn bebost op grond van een aanvraag voor de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgrond (SBL) die op of na 28 juni 1995 is ingediend weliswaar kunnen worden opgegeven als braakpercelen om te voldoen aan de braakverplichting van 10%, maar dat op grond van de Regeling geen subsidie voor deze braakpercelen kan worden verkregen. Aangezien appellant ook geen braakverplichting heeft, brengt bijdragecode 835 voor hem dus geen enkel voordeel.

Het argument van appellant dat hij in aanmerking zou moeten komen voor toeslagrechten voor wat betreft de opgegeven oppervlakte bos, valt buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. Voor de aanvraag in 2005 moet immers alleen beoordeeld worden of appellant recht heeft op een bijdrage op grond van de Regeling.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de door hem opgegeven 23,87 hectare tijdelijk bos, aangeplant onder de regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden, met gewascode 863, wel voldoet aan de definitie akkerland. Verweerder is in zijn besluit niet ingegaan op dit standpunt van appellant.

Zowel de 52 hectare tijdelijk bos, aangeplant onder de set-aside regeling, als de 23,87 hectare voldoen aan artikel 32, derde lid van de Regeling, waardoor appellant in aanmerking komt voor toeslagrechten. Ten onrechte stelt verweerder dat artikel 32, derde lid van de Regeling alleen van toepassing is als ook voldaan is aan punt 9.6 op pagina 20 van de brochure verzamelaanvraag 2005 dat voor deze beboste percelen op of na 28 juni 1995 een aanvraag is ingediend voor de SBL-regeling. Appellant meent dat sprake is van rechtsongelijkheid.

Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat hij al jaren beschikt over bospercelen aangeplant onder de set-aside regeling (beschikking uit productie nemen van landbouwgrond) en onder de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden, waar hij subsidie over ontvangt. Appellant is van mening dat met het ontwikkelen van het nieuwe europees beleid, de groep waar hij toe behoort, de houttelers, vergeten is waardoor zij in een ongunstige positie zijn gekomen. Appellant heeft met zijn beroep niet als doel om toeslagrechten te verzilveren. Immers, momenteel krijgt hij steun ingevolge de houtteeltregelingen. Appellant heeft langdurige contracten (houtteelt). Omdat sprake is van langdurige contracten kan niet meteen overgegaan worden tot verlening van toeslagrechten. Hetgeen appellant wil bereiken is dan ook dat hij ná de looptijd van deze langdurige contracten in aanmerking komt voor toeslagrechten.

Indien appellant bospercelen had gehad waarvoor een aanvraag was ingediend ná 28 juni 1995, waren de percelen wel aangemerkt als bouwland en had hij wél toeslagrechten kunnen krijgen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat met het formulier Gecombineerde opgave 2005 een verzamelaanvraag in het kader van de Regeling kan worden ingediend ter verkrijging van een bijdrage in het kader van de Regeling. Het College stelt, gelet op de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting, voorts vast dat appellant door de code 999 (geen bijdrage) in te vullen geen bijdrage in het kader van de Regeling heeft aangevraagd. Met het door hem ingediende formulier beoogt hij slechts toeslagrechten te verkrijgen voor een toekomstige situatie. In het bezwaarschrift en ter zitting heeft appellant aangegeven dat de betreffende percelen in de bedrijfstoeslagregeling dienen te worden opgenomen zodat hiervoor toeslagrechten kunnen worden verkregen. Met voornoemd formulier kunnen echter geen toeslagrechten aangevraagd en verkregen worden, maar slechts steun in het kader van een aantal steunregelingen, waaronder akkerbouwsteun.

Nu appellant niets heeft aangevraagd en verweerder bij zijn beslissing op de aanvraag slechts geconstateerd heeft dat dit het geval is, houdt de beslissing op de aanvraag geen besluit in de zin van de Awb in. De beslissing heeft immers geen rechtsgevolg.

5.2 Gelet op het vorenoverwogene had verweerder appellants bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Derhalve is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Aangezien nog maar een beslissing mogelijk is, zal het College zelf voorziende, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

Van proceskosten die met toepassing van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen is het College niet gebleken. Wel zal verweerder het door appellant betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden

besluit;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,-- (zegge:

honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz