Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA6981

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
AWB 05/904
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Regeling erkenning monsternemers Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 214 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/904 24 mei 2007

16090 Meststoffenwet

Regeling erkenning monsternemers Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

1. A h.o.d.n. Transportbedrijf A, te B,

2. C Transport B.V., te D, appellanten,

gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 20 december 2005, op dezelfde datum bij het College binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 november 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen de schorsing van Transportbedrijf A als erkende monsternemer op grond van de Regeling erkenning monsternemers Meststoffenwet gegrond verklaard.

Bij brief van 19 januari 2006 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 23 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 12 april 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Aan de zijde van appellanten is tevens verschenen E.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting is in deze zaak in aanvulling op de feiten en omstandigheden genoemd in de op 5 augustus 2005 mondeling gedane en op 12 augustus 2005 op schrift gestelde uitspraak van de voorzieningenrechter van het College inzake AWB 05/524 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AU0983) het volgende komen vast te staan.

- Op 3 augustus 2005 hebben appellanten formulieren ingediend bij Dienst Regelingen die ertoe strekken dat de monsternemingsapparatuur en verpakkingsapparaten van Transportbedrijf A per 7 augustus 2005 worden overgeschreven op naam van C Transport B.V. en dat de monsternemers worden geregistreerd bij C Transport B.V.

- Op 5 augustus 2005 heeft de voorzieningenrechter van het College in de hiervoor genoemde zaak AWB 05/524 het besluit van verweerder van 20 juli 2005 geschorst en de voorlopige voorziening getroffen dat Dienst Regelingen overgaat tot rectificatie in de media waarin publicatie van de opgelegde maatregel heeft plaatsgevonden.

- Op 5 augustus 2005 heeft Dienst Regelingen op de website van het LNV-Loket een rectificatie geplaatst. Tevens is deze rectificatie geplaatst in het weekblad Boerderij en het Agrarisch Dagblad.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat de schorsing van de erkenning van Transportbedrijf A geen doorgang vindt. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat, aangezien de bedrijfsactiviteiten van Transportbedrijf A zijn overgedragen aan C Transport B.V., verweerder geen belang meer heeft bij het schorsen van de erkenning van het eerstgenoemde, niet actieve, bedrijf. De overige gronden van het bezwaar heeft verweerder onbesproken gelaten.

Verweerder heeft geen reden gezien om de in de bezwaarfase gemaakte kosten te vergoeden. Hij heeft hiertoe onder meer overwogen dat het bestreden besluit niet is herroepen wegens onrechtmatigheid, maar vanwege het wegvallen van zijn belang bij handhaving van de schorsing.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit achterwege heeft gelaten. Zij stellen als gevolg van het besluit tot schorsing schade te hebben geleden en zij wensen deze schade via de civiele rechter te verhalen. Op basis van de huidige overwegingen is niet vast komen te staan of het besluit strekkende tot schorsing van de erkenning als monsternemer (en de publicatie daarvan) ten onrechte is genomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder kon volstaan met gegrond verklaring van het bezwaar en intrekking van de tijdelijke schorsing van de erkenning als monsternemer zonder zich daarbij uit te laten over de door appellanten in bezwaar bestreden rechtmatigheid van het primaire besluit. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe het volgende.

Naar het oordeel van het College leidt de enkele omstandigheid dat verweerder – gezien de overdracht van de bedrijfsactiviteiten naar de B.V., het verzoek tot overschrijving van de monsternemingsapparatuur en verpakkingsapparaten op naam van de B.V. en het verzoek tot registratie van de monsternemers bij de B.V. per 7 augustus 2005 – geen belang meer had bij het handhaven van de schorsing van A als erkend monsternemer, niet tot de conclusie dat verweerder een oordeel over de rechtmatigheid van dat besluit achterwege kon laten. Appellanten hebben een belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van de schorsing van de erkenning in verband met een eventuele aanspraak op schadevergoeding. Zij hebben immers gesteld dat zij als gevolg van de aangekondigde schorsing van de erkenning schade hebben geleden. Het College acht niet op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden als gevolg van openbaarmaking van het besluit van 20 juli 2005. Naar appellanten ter zitting hebben verklaard gaat het hierbij om gemaakte kosten en reputatieschade, waardoor klanten in de beginperiode van de aangekondigde schorsing zijn misgelopen, ook al ging de schorsing uiteindelijk niet door. Voor zover over het belang van appellanten bij een oordeel over de rechtmatigheid van het primaire besluit, na de schorsing van dat besluit door de voorzieningenrechter en rectificatie in de verschillende media, onduidelijkheid zou kunnen bestaan, had het op de weg van verweerder gelegen het belang van appellanten te onderzoeken alvorens een beslissing te nemen.

5.2 Uit het voorgaande volgt dat de beslissing op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering, zoals is vereist ingevolge artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient opnieuw op de bezwaren van appellanten te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Met het oog op de door verweerder te nemen beslissing overweegt het College dat verweerder in dat kader ook opnieuw op het verzoek van appellanten om vergoeding van de kosten in bezwaar dient te beslissen.

Verweerder wordt in de door appellanten gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak wordt bepaald op 1, en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellanten te beslissen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen betaalde griffierecht, te weten € 276,- (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro), vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 644,- (zegge:

zeshonderdvierenviertig euro), welke kosten de Staat der Nederlanden aan appellanten moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. C.M. Wolters en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Graefe