Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA6299

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
AWB 03/1269 t/m 1294, 05/471en 05/488
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Steunverlening

Boter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

AWB 03/1269 t/m 1294, 05/471 en 05/488 25 april 2007

5071 Steunverlening

Boter

Uitspraak in de zaken van:

1) A B.V., te B,

2) Friesland Coberco Dairy Foods B.V., h.o.d.n. Friesland Madibic Food Service, te Nuenen,

3) Friesland Coberco Dairy Foods B.V., h.o.d.n. Friesland Coberco Butter Product, te Noordwijk,

4) Friesland Madibic Food Service B.V., te Nuenen, appellanten,

gemachtigde: mr. A.F. Ammerlaan, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Male, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij drie besluiten van 29 november 2002 heeft verweerder appellante sub 1 bericht dat haar voor drie met verweerder gesloten contracten geen steun zal worden uitbetaald en de inschrijvingswaarborg voor deze contracten wordt verbeurd. Appellante sub 1 heeft bij separate brieven van 6 januari 2003 bezwaarschriften ingediend tegen deze besluiten.

Appellante sub 2 heeft door drie brieven van 7 januari 2003 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen drie besluiten van 29 november 2002, waarbij eveneens steun wordt geweigerd en de inschrijvingswaarborgen worden verbeurd.

Verweerder heeft bij twee besluiten van 7 januari 2003 ten aanzien van appellante sub 1 vergelijkbare beslissingen genomen. Tegen deze besluiten heeft appellante sub 1 bij brieven van 13 januari 2003 afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Ten aanzien van drie besluiten met gelijke strekking van 7 januari 2003 heeft appellante sub 2 bij separate brieven van 18 februari 2003 afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 20 februari 2003 twee vergelijkbare besluiten genomen, waartegen appellante sub 2 bij brieven van 25 februari 2007 afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt.

Bij brieven van 21 februari 2003 heeft appellante sub 1 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen drie besluiten van 20 februari 2003, waarbij opnieuw ten aanzien van een aantal contracten geen steun is uitbetaald en de inschrijvingswaarborg is verbeurdverklaard.

Appellante sub 1 heeft bij brieven van 17 maart 2003 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen twee vergelijkbare besluiten van 12 maart 2003. Bij brief van 17 maart 2003 heeft appellante sub 3 bezwaar gemaakt tegen een besluit van 12 maart 2003.

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft verweerder ten aanzien van één contract steun geweigerd en de inschrijvingswaarborg verbeurd verklaard. Appellante sub 1 heeft tegen dit besluit bij brief van 26 maart 2003 bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke brieven van 11 april 2003 heeft appellante sub 2 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen vijf besluiten van respectievelijk 12, 19 en 25 maart 2003, waarbij is besloten tot verbeurdverklaring van de waarborg en niet uitbetaling van de steun.

Appellante sub 2 heeft bij brief van 2 juli 2003 bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 24 juni 2003.

Verweerder heeft bij 26 besluiten van 9 september 2003 beslist op voornoemde 26 bezwaarschriften.

Tegen deze 26 besluiten hebben appellanten bij brieven van 16 oktober 2003, bij het College binnengekomen op 17 oktober 2003, afzonderlijk beroep ingesteld bij het College.

Bij brieven van 18 november 2003 hebben appellanten nadere gronden voor hun beroepen aangevoerd.

Bij brief van 18 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij brief van gelijke datum heeft verweerder de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op verzoek van appellanten heeft het College in afwachting van door appellanten in te winnen informatie de behandeling van de beroepen aangehouden.

Verweerder heeft bij besluit van 27 mei 2005 beslist op bezwaarschriften van appellante sub 4 tegen besluiten van respectievelijk 6 mei 2004 en 4 juni 2004. Appelante sub 4 heeft bij brief van 8 juli 2005 beroep ingesteld tegen dit besluit.

Appellante sub 1 heeft bij brief van 8 juli 2005 beroep ingesteld tegen een besluit van 27 mei 2005, waarbij is beslist op bezwaarschriften tegen besluiten van 6 mei 2004 en 4 juni 2004.

Verweerder heeft bij brief van 4 september 2006 een nadere inhoudelijke reactie, met bijlage, in geding gebracht.

Appellanten hebben het College bij brief van 26 september 2006 gemeld geen nader verzoek om aanhouding van de behandeling te doen.

Bij brief van 15 januari 2007 heeft verweerder het College, desgevraagd, nog een aantal stukken doen toekomen.

Op 28 maart 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens verweerder zijn gemachtigde en ir. H.J. Hoeben en namens appellanten mr. M.M.J. Bos zijn verschenen.

2. De beoordeling van de beroepen

2.1 Verordening (EG) nr. 2571/97 van de Commissie van 15 december 1997 betreffende de verkoop van boter tegen verlaagde prijs en de toekenning van steun voor room, boter en boterconcentraat voor de vervaardiging van banketbakkerswerk, consumptie-ijs en andere voedingsmiddelen (hierna: de Verordening) beoogt het gebruik van Europese boter op de Europese markt te stimuleren door handelaren en zuivelfabrieken de mogelijkheid te bieden tegen een lagere prijs boter te leveren aan onder andere Europese bakkerijen, mits deze boter, voor zover thans van belang, wordt verwerkt tot eindproducten als nader omschreven in artikel 4 van de Verordening.

Appellanten hebben met verweerder contracten gesloten, waarbij zij zich verplichten te bewerkstelligen dat boter tot eindproducten in voornoemde zin wordt verwerkt. Zij ontvangen daarvoor een steunbedrag, maar moeten ook een inschrijvingswaarborg geven. Van de verkregen boter worden door Bakker Welten B.V. zogenoemde “bake-off”-koekjes gebakken.

Nadat bij verweerder twijfels waren gerezen over het antwoord op de vraag of deze koekjes aan de door de Verordening gestelde eisen voldoen, heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) een onderzoek ingesteld, waarbij is geconstateerd dat de receptuur niet voldoet aan de voorwaarde dat tenminste 40% van het gewicht van de bestanddelen uit meel/zetmeel bestaat. Daarom heeft verweerder beslist om voor de thans in geding zijnde contracten geen steun uit te betalen en de daarvoor afgegeven inschrijvingswaarborg verbeurd te verklaren. Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder de tegen deze besluiten ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard.

2.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening gelden, voor zover thans belang, naar gelang van de gekozen en in de offerte vermelde formule, als eindproduct in de zin van de Verordening:

- A1 producten van de GN-codes 1905 20, 1905 30, 1905 90 40, 1905 90 45, 1905 90 55, 1905 90 60 en 1905 90 90; en

- A4 producten van de GN-codes 1901 20 00 en 1901 90 99:

a) in de vorm van ongebakken deeg, (…) i) dat voor ten minste 40% van het gewicht van de bestanddelen, berekend over de droge stof, bestaat uit meel en/of zetmeel (…).

Vanaf 1 januari 2004 zijn ingevolge Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie van 2 februari 2004, de GN-codes 1905 30 en 1905 90 40 bij eindproduct A1 vervangen door de codes 1905 31 en 1905 32.

2.3 Op verzoek van Bakker Welten B.V heeft het Douane Laboratorium te Amsterdam het geproduceerde koekje onderzocht. In zijn advies van 20 februari 2003 heeft het Douane Laboratorium het koekje in de staat waarin het de bakkerij verlaat, ingedeeld in GN-code 1901.20 00 90. Daartoe is onder meer overwogen dat het zetmeel van dit product bestaat uit gehele zetmeelkorrels en dat aan deze korrels geen warmtebehandeling valt waar te nemen. Bij brief van 25 juni 2003 heeft het Douane Laboratorium een nadere toelichting gegeven op dit advies.

2.4 Appellanten hebben tegenover de gemotiveerde conclusie van het Douane Laboratorium, dat op dit gebied als bij uitstek deskundig moet worden gekwalificeerd, slechts gesteld dat het koekje wel voldoende warmtebehandeling heeft ondergaan om in GN-code 1905 te worden ingedeeld. Appellanten hebben deze stelling evenwel niet met concrete gegevens over bijvoorbeeld het productieproces gestaafd, zodat deze stelling reeds wegens onvoldoende onderbouwing dient te worden verworpen.

Appellanten hebben zich beroepen op het standpunt van het Britse Ministerie van Landbouw dat het betreffende koekje moet worden ingedeeld in GN-code 1905. Het College constateert evenwel dat dit standpunt was gebaseerd op onvolledige informatie en dat de Britten thans op basis van de verkregen recepturen op exact dezelfde gronden als verweerder van oordeel zijn dat sprake is van een product dat thuis hoort in GN-code 1901. Deze grief ontbeert derhalve feitelijke grondslag.

Het betreffende koekje dient derhalve te worden ingedeeld in GN-code 1901.20. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat sprake is van een A4-eindproduct als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Verordening.

2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat het koekje niet voldoet aan de in artikel 4 van de Verordening aan A4-eindproducten gestelde eis dat tenminste 40% van het gewicht van de bestanddelen uit meel/zetmeel bestaat.

Daarmee staat vast dat het koekje niet steunwaardig is en dat appellanten derhalve de gestelde inschrijvingsborgsommen verbeuren.

2.6 Appellanten hebben aangevoerd dat door de uitlatingen van controleurs van de AID bij appellanten het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat de betreffende koekjes mochten worden vervaardigd met behulp van steunboter. Deze grief faalt reeds op de grond dat het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen in constante jurisprudentie heeft geoordeeld dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met geldende Europese regelgeving.

Tenslotte hebben appellanten gesteld dat, aangezien geen sprake is van misbruik, de bestreden besluiten niet evenredig zijn tot het doel van de Verordening. Het College ziet evenwel niet in dat, waar vaststaat dat de betreffende koekjes niet voldoen aan de in de Verordening gestelde eisen voor steun, het niet uitbetalen van deze steun en het verbeuren van de in verband met de aangevraagde steun gestelde zekerheden, in strijd zou zijn met doel en strekking van de Verordening dan wel anderszins niet evenredig.

2.7 De beroepen zijn derhalve ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer