Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA5376

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 02/389A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 02/389 A 2 mei 2007

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigden: mr. J.H. Peek, advocaat te Breda, en mr. O.J.H.M. van Eijndhoven, advocaat te Roermond,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 6 maart 2002, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 januari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen een besluit van 18 april 2001 tot intrekking en terugvordering met verhoging van 15% van door appellante ontvangen restitutie.

Verweerder heeft op 9 april 2002 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 28 juni 2002 heeft appellante een repliek ingediend.

Op 10 september 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, appellante bij monde van haar gemachtigden en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, bijgestaan door W.H.J. Hei, werkzaam bij verweerder, en H.T.J.F. van der Laar en A.A.N. van Tricht, beiden werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID), hun standpunten hebben toegelicht.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over enkele ordners met stukken inzake het AID-onderzoek die hem kort voor de zitting waren toegezonden.

Bij brief van 7 oktober 2003 heeft appellante gereageerd.

Bij brief van 27 oktober 2003 heeft verweerder te kennen gegeven zijn reeds ingenomen standpunten te handhaven.

Op 30 juni 2004 is het onderzoek ter zitting hervat, waarbij partijen, appellante bij monde van haar gemachtigden en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, bijgestaan door W.H.J. Vlanderhijn en N.A.A. van Tricht, hun standpunten nader hebben toegelicht.

Bij beschikking van 17 november 2004 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder verzocht aan te geven of artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2988/95 aan terugvordering in de weg staat.

Bij brief van 13 december 2004 heeft verweerder zijn standpunt ter zake kenbaar gemaakt.

Bij brief van 19 januari 2005 heeft appellante hierop gereageerd.

Op 4 maart 2005 en 16 maart 2005 hebben verweerder en appellante meegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.

Bij uitspraak van 30 juni 2005 heeft het College het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) prejudiciële vragen gesteld en voorts iedere verdere beslissing aangehouden (AWB 02/389, <www.rechtspraak.nl> LJN: AT9209).

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 11 januari 2007 (C-279/05, A) de prejudiciële vragen beantwoord.

Bij brieven van 12 en 19 februari 2007 hebben appellante en verweerder gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie.

Bij brieven van 2 en 13 maart 2007 hebben verweerder en appellante meegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Vervolgens heeft het College bij brief van 21 maart 2007 het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil en de prejudiciële procedure

2.1 Voor de grondslag van het geschil en de standpunten van partijen verwijst het College primair naar voornoemde uitspraak van het College van 30 juni 2005.

Bij die uitspraak heeft het College, voorzover thans van belang, het volgende vastgesteld. Voor onderhavige partijen Italiaanse pecorinokaas geldt een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming. De restitutiebetalingen, waarvan verweerder meent dat deze onverschuldigd zijn betaald, zijn door middel van het vrijgeven van de gestelde zekerheden definitief geworden. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit tot terugvordering van de betaalde restituties is niet gebaseerd op de ondeugdelijkheid van de door appellante overgelegde invoerdocumenten noch op misbruik aan de zijde van appellante, maar op de enkele omstandigheid dat de betrokken partijen kaas vrijwel direct na invoer in de VS naar Canada zijn wederuitgevoerd.

Vervolgens heeft het College de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“ 1. Dienen de artikelen 16 tot en met 18 van Verordening (EEG) nr. 3665/87, zoals geldend ten tijde hier van belang, aldus te worden uitgelegd dat, indien gedifferentieerde restituties na aanvaarding van de invoerdocumenten definitief zijn betaald, nadien gebleken wederuitvoer van de goederen alleen tot onverschuldigdheid van de betaling kan leiden in het geval van misbruik van de exporteur?

2. Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, welke criteria gelden teneinde te kunnen beoordelen wanneer wederuitvoer van goederen tot de conclusie moet leiden dat definitief betaalde gedifferentieerde restituties onverschuldigd zijn betaald?

3. Welke criteria gelden teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95?

In het bijzonder wenst het College te vernemen of van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid sprake is, indien de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en de transacties waarbij een onregelmatigheid is geconstateerd, steeds verschillende partijen betreft?”

2.2 Naar aanleiding daarvan heeft het Hof van Justitie bij voornoemd arrest van 11 januari 2007 het volgende voor recht verklaard:

“ 1) In het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties bij uitvoer die op grond van verordening (EEG)

nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, definitief zijn betaald, moet voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, overeenkomstig de regels van het nationale recht bewezen zijn dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.

2) Een onregelmatigheid is voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, wanneer zij is begaan door een communautaire ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht. Daarbij is van geen belang dat de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is vastgesteld, steeds verschillende partijen betreffen.”

3. Het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie het volgende naar voren gebracht.

Verweerder heeft het primaire besluit in deze zaak gebaseerd op de feitelijke gang van de goederen (via de VS naar Canada). Daarbij is geen rekening gehouden met de mogelijke betrokkenheid van appellante. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie die gold ten tijde van het nemen van het primaire besluit, was dit naar het oordeel van verweerder ook niet nodig.

Het Hof van Justitie is blijkens het onderhavige arrest van mening dat in het geval een gedifferentieerde restitutie definitief is betaald, intrekking en terugvordering slechts mogelijk is als overeenkomstig de regels van het nationale recht bewezen is dat de betrokken exporteur misbruik heeft gemaakt.

Verweerder is van mening dat het AID-rapport in de onderhavige zaak voldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat appellante misbruik van de betrokken regeling heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij gewezen op de uitspraak van het College van 11 februari 2004 in de zaak AWB 03/119, <www.rechtspraak.nl> LJN: AO4316.

4. Het nadere standpunt van appellante

Appellante heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie het volgende naar voren gebracht.

Nu verweerder de terugvordering van de betaalde restituties niet heeft gebaseerd op misbruik aan de zijde van appellante, maar enkel op de omstandigheid dat de betrokken partijen kaas vrijwel direct na invoer in de VS naar Canada zijn wederuitgevoerd, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Appellante is van mening dat verweerder in deze stand van de procedure niet mag worden toegestaan om alsnog misbruik als grond voor de terugvordering aan te voeren, te minder nu het College tijdens de procedure herhaaldelijk heeft gevraagd of misbruik aan het besluit ten grondslag lag en verweerder steeds stellig en zonder enig voorbehoud ontkennend heeft geantwoord. De situatie in de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 11 februari 2004 wijkt overigens bepaald af van de onderhavige procedure.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 11 januari 2007 in antwoord op de eerste door het College gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard dat in het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties bij uitvoer die op grond van Verordening (EEG) nr. 3665/87 definitief zijn betaald, voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, overeenkomstig de regels van het nationale recht bewezen moet zijn dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.

5.2 Vaststaat dat het in het onderhavige geval om de intrekking en terugvordering van definitief betaalde gedifferentieerde restituties gaat. Voor de vaststelling van de onverschuldigdheid van deze definitief betaalde gedifferentieerde restituties, dient bewezen te zijn dat appellante misbruik heeft gemaakt in de door het Hof van Justitie bedoelde zin.

Het ter toetsing voorliggende besluit is niet gebaseerd op misbruik door appellante, maar op de enkele omstandigheid dat de betrokken partijen kaas vrijwel direct na invoer in de VS naar Canada zijn wederuitgevoerd. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens onjuiste toepassing van de artikelen 16 tot en met 18 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 te worden vernietigd.

Verweerder heeft gesteld dat het, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie die gold ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet nodig was om in een geval als het onderhavige te beoordelen of er sprake was van misbruik door de exporteur. Voorzover verweerder hiermee wil betogen dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is, kan het College verweerder hierin niet volgen. Verordening (EEG) nr. 3665/87, zoals door het Hof van Justitie uitgelegd in zijn arrest van 11 januari 2007, gold immers ook reeds ten tijde van het primaire besluit.

Verweerder heeft voorts gesteld dat het AID-rapport in de onderhavige zaak voldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat appellante misbruik van de betrokken regeling heeft gemaakt. Welke die aanknopingspunten zijn, is echter niet aangegeven. Het ligt niet op de weg van het College om aan de hand van de AID-rapporten en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksgegevens, die talloze ordners beslaan, zelf te onderzoeken of sprake is van misbruik door appellante in de door het Hof van Justitie bedoelde zin. Er is dan ook geen grond om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5.3 Het College acht ten slotte termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 4.105,50, te weten 1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College op 10 september 2003, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College op 30 juni 2004, 0,5 punt voor de schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van de beschikking van 17 november 2004 tot heropening van het onderzoek, 2 punten voor de schriftelijke opmerkingen in het kader van de prejudiciële procedure, 2 punten voor het verschijnen ter zitting van het Hof van Justitie en 0,5 punt voor de schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie, met wegingsfactor 1,5 (zwaar) en een waarde per punt van € 322,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante, welke worden vastgesteld op € 4.105,50 (zegge:

vierduizendhonderdvijf euro en vijftig cent);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.H. Vazquez Muñoz