Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA5201

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/71
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de inkomstenbelasting 1964

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/71 8 mei 2007

27600 Wet op de inkomstenbelasting 1964

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te Son, appellante,

gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel, werkzaam bij ABAB te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Hulzebos en mr. C. Cromheecke , beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 januari 2006, bij het College binnengekomen op 24 januari 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek van 23 februari 2005 om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Bij brief van 21 februari 2006 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 21 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 maart 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en, namens verweerder, R.B. de Reu, werkzaam bij SenterNovem. Voorts is ter zitting als getuige verschenen en gehoord mw. ing. S. van Kampen, subsidieadviseur bij Subsidiefocus B.V., te ‘s-Hertogenbosch.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB 2001 was ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3.40

Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtige naast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek.

Artikel 3.42

(…)

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister."

In de op artikel 3.42 Wet IB 2001 gebaseerde Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling) was ten tijde hier van belang onder meer bepaald:

"Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits

(…)

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)."

In Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling was ten tijde van belang onder meer het volgende opgenomen:

"Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

(…)

E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:

(…)

5. Biomassa door:

(…)

5.1.H. Biomassavoorbewerkingsinstallatie voor het voorbewerken en opslaan van biomassa tot direct inzetbare brandstof, door middel van opslag en drogen of verkleinen of pelletteren of briketteren. Er moet sprake zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct, en bestaande uit: ontvangstinstallatie, opslagsilo's, droogapparatuur of verkleiningsapparatuur of pelletteerapparatuur of briketteerapparatuur, (eventueel) transportschroeven of -banden.

Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder E.5.1.A.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 23 februari 2005 heeft appellante door tussenkomst van Subsidiefocus B.V. te ’s-Hertogenbosch een verzoek om een verklaring voor energie-investeringsaftrek (hierna: EIA) ingediend middels een daartoe bestemd formulier. In de rubriek "Gegevens bedrijfsmiddel" is "biomassavoorbewerkingsinstallatie" vermeld.

- Bij brief van 11 mei 2005 heeft verweerder aan appellante nadere gegevens verzocht.

- Bij brief van 24 mei 2005 heeft appellante nadere gegevens verschaft. Tot die nadere gegevens behoorden afschriften van een overeenkomst tussen appellante en Dik Consultancy van 3 februari 2005 met het opschrift "Verwerkingscontract" en van een overeenkomst tussen appellante en een leverancier met het opschrift "orderbevestiging versnijderinstallatie".

- In juli 2005 heeft tussen partijen nadere correspondentie plaatsgevonden ter verduidelijking van het verzoek van appellante. - Bij besluit 27 juli 2005 heeft verweerder het verzoek afgewezen op de grond dat de installatie waarvoor appellante aftrek heeft verzocht – een versnijderinstallatie – niet voldoet aan de definitie van biomassavoorbewerkingsinstallatie aangezien de versnijderinstallatie geen direct inzetbare brandstof produceert.

- Bij brief van 7 september 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij brief van 28 oktober 2005 heeft appellante bericht dat zij geen gebruik wenst te maken van de haar geboden mogelijkheid gehoord te worden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen

Bij een biomassavoorbewerkingsinstallatie dient sprake te zijn van direct inzetbare brandstof. Uit de door appellante verstrekte informatie blijkt dat de versnijderinstallatie etensresten (biomassa) geschikt maakt voor verdere verwerking in een vergistingsinstallatie. Pas na verwerking in de vergistingsinstallatie is sprake van direct inzetbare brandstof. De installatie van appellante komt dan ook niet in aanmerking voor EIA.

Ten overvloede geldt dat de installatie van appellante niet voldoet aan de definitie van biomassavoorbewerkingsinstallatie, omdat uit de informatie van appellante is af te leiden dat de noodzakelijke opslagsilo’s ontbreken.

Dat appellante er op grond van de contacten met de helpdesk vanuit ging dat de investering zonder meer als biomassavoorbewerkingsinstallatie voor EIA in aanmerking zou komen, is te betreuren. Na de noodzakelijke technisch-administratieve beoordeling is anders gebleken.

De vergelijking, ten slotte, die appellante heeft gemaakt met een in het verleden toegekende EIA voor een investering in een installatie voor het verkleinen van hout om het geschikt te maken als brandstof, gaat niet op omdat een dergelijke investering wel leidt tot direct inzetbare brandstof.

Naar aanleiding van door appellante bij het beroepschrift verstrekte informatie, heeft verweerder bij verweerschrift te kennen gegeven dat het argument dat geen opslagsilo’s aanwezig zouden zijn, niet langer wordt gevoerd aangezien de opslagsilo’s kennelijk eerder en separaat zijn aangeschaft. De opslagsilo’s maken ook geen deel uit van het voorliggende verzoek, getuige de hoogte van de in het verzoek gemelde investering en de overgelegde orderbevestiging van de leverancier van de versnijderinstallatie. Voor zover appellante dat wel zou betogen, heeft te gelden dat op de datum van het EIA-verzoek meer dan 3 maanden zijn verstreken vanaf de datum van het aangaan van verplichtingen met betrekking tot de aanschaf van de opslagsilo’s (omstreeks 6 november 2004) zodat geconcludeerd moet worden dat de investering in de opslagsilo’s te laat is gemeld.

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van "direct inzetbare brandstof" als volgt toegelicht. Onder "direct inzetbare brandstof" moet worden begrepen brandstof die zonder verdere verwerking kan worden gebruikt om energie op te wekken. De versnijderinstallatie maakt etensresten geschikt voor verdere verwerking (in een vergistinginstallatie) en produceert derhalve geen direct inzetbare brandstof. Pas nadat de etensresten (biomassa) verwerkt zijn door de vergistingsinstallatie, is sprake van direct inzetbare brandstof.

Ten slotte heeft verweerder ter zitting verklaard dat de helpdeskmedewerkers een adviserende rol hebben waarvan zij zich ook ter dege bewust zijn. Zij kunnen en zullen dan ook geen toezeggingen doen over toekenning van een (voorgenomen) aanvraag.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder een foutieve invulling heeft gegeven aan het in de Uitvoeringsregeling niet nader gedefinieerde begrip "direct inzetbare brandstof" en daarmee in strijd met de Uitvoeringsregeling heeft gehandeld. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat de zeer beperkte invulling die verweerder geeft aan het begrip “direct inzetbare brandstof”, het specifieke karakter van de Uitvoeringsregeling en de plaats die onderhavige installatie inneemt in die regeling miskent. De invulling van verweerder houdt in dat sprake moet zijn van een product dat als een brandstof kan dienen via verbranding, zoals dat wordt begrepen door de gemiddelde burger, terwijl uit de naamgeving van de installatie – biomassavoorbewerkingsinstallatie – al duidelijk blijkt dat het gaat om een installatie die niet zelf energie produceert. Het is een installatie waarmee voorbehandeling plaatsvindt van een grondstof (voedselresten), die vervolgens als brandstof dient voor een installatie waarmee energie kan worden opgewekt. Dat kan zijn een biomassavergassingsinstallatie, een biomassaverbrandingsinstallatie of een anaërobe-vergistingsinstallatie, die alle ook genoemd zijn in bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling.

Voorts heeft appellante gesteld dat de conclusie van verweerder dat geen opslagsilo’s aanwezig zijn en daarom niet voldaan is aan de definitie van biomassavoorbewerkingsinstallatie, onjuist is. Appellante heeft deze silo’s al eerder aangeschaft zoals uit de bij het beroepschrift gevoegde stukken blijkt. Verweerder heeft op dit punt geen vragen gesteld maar had dat wel moeten doen.

Ten slotte beroept appellante zich op het vertrouwensbeginsel en stelt dat medewerkers van de helpdesk van verweerder uitdrukkelijk hebben bevestigd dat de versnijderinstallatie voor EIA in aanmerking komt. Verweerders stelling dat pas na een noodzakelijk technisch-administratieve beoordeling is gebleken dat zulks niet het geval is, is volstrekt misplaatst omdat vooraf duidelijk is uitgelegd om wat voor een installatie het ging. Met name is besproken dat met de installatie voedselresten worden bewerkt die vervolgens verwerkt zouden worden in een vergistingsinstallatie. Niet valt in te zien op welke wijze de technisch-administratieve beoordeling tot een andere conclusie zou hebben kunnen leiden. Appellante heeft geen enkel risico willen lopen met de investering en heeft zich daarom van te voren willen vergewissen van de wijze van beoordeling van de installatie. Ook heeft zij zich laten bijstaan door een deskundig adviseur. Dit impliceert dat bij de vraagstelling aan de helpdesk volstrekte duidelijkheid is verschaft over de aard van de betreffende installatie.

Appellante heeft ter zitting betoogd dat de versnijderinstallatie een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de keten waarbij uiteindelijk duurzame energie vrijkomt op dezelfde wijze als een houtverkleiningsinstallatie hout verkleint om het geschikt te maken als brandstof voor de opwekking van duurzame energie. In het eerste geval komt biogas vrij waarmee energie kan worden opgewekt en in het tweede geval komt warmte vrij voor de opwekking van energie. In beide gevallen gaat het om installaties die een grondstof voorbehandelen voor de productie van energie. Dat voor de houtverkleiningsinstallatie wel en voor de voorliggende installatie geen EIA is toegekend, getuigt van willekeur.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat niet (langer) bestreden is dat appellante opslagsilo’s heeft aangeschaft en dat de EIA-aanvraag van appellante zich niet uitstrekt tot de aanschaf van deze opslagsilo’s.

Het geschil beperkt zich derhalve tot de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgehouden aan de afwijzing van het verzoek van appellante om een EIA-verklaring op de grond dat de door appellante als biomassavoorbewerkingsinstallatie aangemelde installatie niet voldoet aan de omschrijving van artikel 1, sub E, onder 5.1.H, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling. College overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Uit de omschrijving van de biomassavoorbewerkingsinstallatie in de bijlage van de Uitvoeringsregeling volgt dat het in verband met het vereiste van "direct inzetbare brandstof", moet gaan om een installatie die een eindproduct (brandstof) produceert dat een te berekenen netto energieopbrengst en derhalve een (zelfstandige) energetische waarde heeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit met zich meebrengt dat het eindproduct van de installatie zonder nadere bewerking moet kunnen worden ingezet voor de opwekking van energie. Het College acht deze uitleg van het begrip biomassavoorbewerkingsinstallatie, die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, in overeenstemming met de wettelijke definitie.

Appellante staat een ruimere interpretatie voor waarvan de kern is dat (ook) onder een biomassavoorbewerkingsinstallatie kan worden verstaan een versnijderinstallatie die biomassa (in dit geval etensresten) voorbehandelt voor verwerking in een op grond van een overeenkomst ter beschikking gestelde vergistingsinstallatie(s) waarmee energie kan worden opgewekt.

Naar het oordeel van het College geeft de omschrijving van biomassavoorbewerkings-installatie onvoldoende aanknopingspunten om een dergelijke ruime invulling van met name het begrip "direct inzetbare brandstof" als juist te aanvaarden. De versnijderinstallatie voert weliswaar, zoals appellante terecht heeft gesteld, in overeenstemming met de term biomassavoorbewerkingsinstallatie een voorbewerking uit op biomassa, maar dat laat onverlet dat het eindproduct van die voorbewerking dient te voldoen aan de andere elementen van de omschrijving en derhalve als "direct inzetbare brandstof" te kwalificeren moet zijn. De versnijderinstallatie produceert echter een product dat nog bewerkt moet worden door een andere installatie – een vergistingsinstallatie – tot biogas waaruit energie kan worden gewonnen. Dat appellante maatregelen heeft getroffen om die verdere bewerking zeker te stellen, brengt geen verandering in (de aard van) het eindproduct van de installatie waar de EIA-aanvraag betrekking op heeft. In dit verband geldt voorts dat de door appellante naar voren gebrachte vergelijking met een houtverkleiningsinstallatie niet op gaat. Een houtverkleiningsinstallatie produceert immers een product (houtsnippers) dat direct kan worden verbrand waardoor energie kan worden opgewekt. Van op één lijn te stellen installaties is geen sprake, zodat van willekeur bij de toekenning van EIA-aanvragen, zoals door appellante betoogd, evenmin sprake kan zijn.

De eerste beroepsgrond faalt derhalve.

5.3 Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, overweegt het College als volgt. Niet bestreden is dat voor een beslissing op een EIA-aanvraag een beoordeling van de aanvraag nodig is. Naar het oordeel van het College kan aan mondelinge uitlatingen van medewerkers van de helpdesk op basis van door de aanvrager mondeling (telefonisch) verstrekte gegevens voor een EIA-aanvraag in beginsel niet zonder meer de betekenis van een beoordeling van de aanvraag worden gehecht, gezien de rol en positie van deze medewerkers alsmede de complexiteit van de materie waarover geoordeeld moet worden. Ter zitting is ing. S. van Kampen, subsidie-adviseur bij Subsidiefocus B.V., te ’s-Hertogenbosch en uit dien hoofde aan de zijde van appellante betrokken bij de subsidieaanvraag, door appellante als getuige meegenomen en als zodanig gehoord. Op vragen van appellante heeft de getuige onder andere verklaard dat door de helpdeskmedewerkers is gezegd dat de versnijderinstallatie onder de bewuste code zou kunnen vallen als door middel van een overeenkomst zou kunnen worden aangetoond dat de etensresten in een vergistingsinstallatie gaan. Desgevraagd door het College heeft de getuige vervolgens geëxpliciteerd dat niet is toegezegd dat de aanvraag zou worden gehonoreerd. Naar het oordeel van het College moet reeds hieruit volgen dat appellante niet gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op inwilliging van de aanvraag naar aanleiding van de uitlatingen van helpdeskmedewerkers.

De tweede beroepsgrond faalt derhalve eveneens.

5.4 Het bovenstaande breng het College tot de conclusie dat verweerder terecht heeft vastgehouden aan de afwijzing van het verzoek van appellante om een EIA-verklaring voor een investering in een versnijderinstallatie op de grond dat de door appellante als biomassavoorbewerkingsinstallatie aangemelde installatie niet voldoet aan de omschrijving van artikel 1, sub E, onder 5.1.H, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling, zodat het beroep ongegrond is.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.L.W. Aerts en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining