Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA4899

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
AWB 05/824
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling Fietstoerisme in de regio Peel & Maas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/824 5 april 2007

27860 Subsidieregeling Fietstoerisme in de regio Peel & Maas

Uitspraak in de zaak van:

J.M.W. Vastgoed B.V., te Kessel, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noord- en Midden-Limburg, verweerster,

gemachtigde: D.J.C.M. Hendrick, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 5 november 2005, bij het College binnengekomen op 8 november 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 27 september 2005. Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag op grond van het Reglement subsidieregeling fietstoerisme in de regio Peel & Maas ongegrond verklaard.

Bij brief van 29 december 2005 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 11 april 2006 heeft verweerster geantwoord op een griffiersbrief van 22 maart 2006 en het College enkele stukken toegezonden.

Bij brief van 22 april 2006 heeft appellante het College informatie doen toekomen.

Bij griffiersbrief van 10 mei 2006 heeft het College verzocht om toezending van enkele ontbrekende stukken, welke verweerster bij brief van 22 mei 2006 aan het College heeft doen toekomen.

Bij brief van 18 juli 2006 heeft verweerster geantwoord op een door het College bij griffiersbrief van 27 juni 2006 gestelde vraag.

Op 8 februari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerster bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 bepaalt:

“Artikel 2

1. Over het gehele land zijn er kamers van koophandel en fabrieken die tot doel hebben de bevordering van de economische belangen van handel, industrie, ambacht en dienstverlening in hun gebied.

(…)

Artikel 27

1. Een kamer kan besluiten tot het stimuleren van economische ontwikkelingen in haar gebied door middel van het bevorderen van onderzoeken, overlegvormen en samenwerkingsverbanden.

2. Een kamer kan ten behoeve van een onderzoek, overlegvorm of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid een subsidie verstrekken.

(…)

Artikel 29

Een kamer kan besluiten andere dan de in dit hoofdstuk of elders bij of krachtens wet geregelde taken uit te oefenen, voor zover deze passen binnen de in artikel 2, eerste lid, aangegeven doelstelling.

(…)

Artikel 55

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit en tegen een ander door een kamer genomen besluit, met uitzondering van besluiten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van besluiten waartegen bij of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld.”

Op basis van samenwerking tussen verweerster, de provincie Limburg en de gemeenten in de regio Peel en Maas en voorts op basis van het Ceres-programma van de EU is het Reglement subsidieregeling fietstoerisme in de regio Peel & Maas (hierna: subsidieregeling) tot stand gekomen. Deze bepaalde voor zover hier van belang en ten tijde van belang:

"1. ALGEMEEN

Artikel 1

1.1. Het doel van de regeling is de werkgelegenheid in de toeristische sector toe te laten nemen door recreatieve ondernemingen te stimuleren in te spelen op de snel groeiende markt van het fietstoerisme. De regeling richt zich op (startende) bedrijven en instellingen langs het erkende fietsknooppuntennetwerk en de Landelijke Fietsroutes door de Toeristische Regio Peel & Maas, die willen inspelen op het fietstoerisme.

De investering moet bijdragen aan de gewenste toeristische ontwikkeling van de regio en moet een positief effect hebben op de werkgelegenheid. Door de investering moet de aanvrager in staat worden gesteld beter te kunnen inspelen op de wensen en behoeften van de fietsrecreant. Het aantal gasten/bezoekers en/of de bestedingenomvang van de gasten/bezoekers moeten toenemen.

1.1.1. Doelgroep

De doelgroep bestaat uit MKB-bedrijven en stichtingen met een recreatieve activiteit die hun marktpositie willen versterken en/of willen investeren in een permanente dagrecreatieve attractie of bezienswaardigheid, of een permanente verblijfsrecreatieve voorziening.

1.1.2. De branches

Tot de doelgroep worden gerekend bedrijven en stichtingen, opererend in de navolgende branches, met de BIK-codes:

- 551 Toeristische hotels en toeristische pensions (exclusief retraitehuizen, conferentieoorden en congrescentra)

- 552 Kampeerterreinen en overige voorzieningen voor recreatief verblijf, waaronder jeugdherbergen, vakantiehuisjes en bungalowparken, Bed&Breakfast, kampeerboerderijen.

- 553 Restaurants, cafetaria’s, snackbars e.d. (uitgesloten zijn avondhoreca, vormen van ambulante handel, specifieke afhaalrestaurants).

- 554001 Café’s

- 554004 Tearooms

- 554005 Koffiehuizen, niet zijnde koffieshops in combinatie met verkoop van softdrugs.

- 92332 Recreatiecentra

- 92521 Kunstgalerieën en -expositieruimten

- 925312 Plantentuinen

- 92522 Streekmusea, natuurinfocentra en musea met een sterk toeristische functie

Andere segmenten, die relevant zijn voor het fietstoerisme (bijvoorbeeld agrotoerisme) kunnen ook in aanmerking komen. De aanvrager zal dan moeten aantonen, dat hij tot de doelgroep behoort. Alvorens de Kamer over dergelijke aanvragen een besluit neemt zal zij de Commissie van Advies horen.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op een daartoe bestemd formulier heeft appellante op 1 maart 2005 een aanvraag ingediend op grond van de subsidieregeling ten behoeve van de verbouwing van een pand te Kessel, waarvan zij eigenaresse is. Het pand is verhuurd aan de uitbater van het eetcafé Huis aan de Markt.

- Op 21 april 2005 heeft de Commissie van Advies geadviseerd de aanvraag af te wijzen, omdat appellante niet valt binnen de branches.

- Bij besluit van 8 juni 2005 heeft verweerster de aanvraag afgewezen, omdat de onderneming van appellante niet behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling, als vermeld in artikel 1.1.2 van de subsidieregeling, en evenmin behoort tot andere segmenten die relevant zijn voor het fietstoerisme.

- Bij brief van 20 juni 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 28 juli 2005 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en daartoe het volgende in aanmerking genomen. Appellantes onderneming is een bedrijf dat niet valt onder de doelgroep van de subsidieregeling. Deze doelgroep bestaat uit MKB-bedrijven en stichtingen met een recreatieve activiteit. De branches die tot de doelgroep worden gerekend zijn genoemd in artikel 1.1.2 van de subsidieregeling, in welk artikel ook de zogenoemde BIK-codes (Branche Indeling Kamers van Koophandel) zijn opgesomd. Appellantes onderneming oefent een bedrijf uit dat niet is genoemd in of behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling. Hierbij heeft verweerster in aanmerking genomen dat de bedrijfsomschrijving van appellantes onderneming in het handelsregister luidt "het verkrijgen, beheren en exploiteren van registergoederen, effecten en andere vermogensbestanddelen, en het exploiteren van een assurantiekantoor, alsmede het bemiddelen in onroerende zaken" en dat een dergelijke bedrijfsomschrijving, anders dan die van de onderneming van de uitbater van het pand waarvan appellante eigenaar is, niet voorkomt in artikel 1.1.2. Dat genoemde uitbater wel voor subsidie in aanmerking komt, maakt niet dat appellante daarvoor ook in aanmerking kan komen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep naar voren gebracht dat haar onderneming weliswaar niet een bedrijf uitoefent dat behoort tot de BIK-codes die in artikel 1.1.2 van de subsidieregeling zijn opgesomd, maar wel behoort tot een ander segment dat relevant is voor het fietstoerisme. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in het handelsregister vloeit voort uit de omstandigheid dat appellantes directeur voorheen eigenaar was van Assurantiekantoor A B.V. waarin twee bedrijfspanden zaten, welk assurantiebedrijf is overgedragen aan diens zoons. In de oude B.V. zijn de twee bedrijfspanden blijven zitten en de naam is gewijzigd in J.M.W. Vastgoed B.V..

De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het beheren en exploiteren van die panden, waaronder dat aan de Markt in Kessel. Appellante heeft geïnvesteerd om in dit pand een horecagelegenheid te realiseren. Deze horecavoorziening draagt bij aan de toeristische ontwikkeling van het fietstoerisme, en heeft een positieve impuls gegeven aan de werkgelegenheid. Zonder appellantes investering zou dit niet zijn gebeurd.

Appellante concludeert op grond daarvan dat haar bedrijfsactiviteiten vallen onder 'andere segmenten, die relevant zijn voor het fietstoerisme', als genoemd in de tweede alinea van artikel 1.1.2.

Ter zitting heeft appellante gesteld dat de Commissie van Advies haar alvorens advies uit te brengen had moeten horen. Voorts heeft zij - evenals in bezwaar - gesteld dat zij voor het aangaan van haar investeringsverplichtingen door verweerster niet is gewezen op de omstandigheid dat zij niet in aanmerking zou komen voor subsidie vanwege de BIK-codes. In de informatie die onder meer in de Kamerkrant is verspreid over de subsidieregeling was niets vermeld over BIK-codes en ook de medewerker van verweerster, met wie appellante ter voorbereiding van de plannen regelmatig contact had, heeft daar nooit op gewezen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Hetgeen partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of appellante behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 1.1 van de subsidieregeling is het doel ervan de werkgelegenheid in de toeristische sector toe te laten nemen door recreatieve ondernemingen te stimuleren in te spelen op de snel groeiende markt van het fietstoerisme. Door de investering moet de aanvrager in staat worden gesteld beter te kunnen inspelen op de wensen en behoeften van de fietsrecreant. Op grond van deze doelstelling is in artikel 1.1.1 de doelgroep gedefinieerd. Deze bestaat uit MKB-bedrijven en stichtingen met een recreatieve activiteit. Ter nadere invulling van de aldus omschreven doelgroep is in artikel 1.1.2 opgesomd welke bedrijven in ieder geval behoren tot de doelgroep, te weten bedrijven die opereren in de branches met de aldaar genoemde BIK-codes. Voorts kunnen ook andere segmenten die relevant zijn voor het fietstoerisme in aanmerking komen, mits de aanvrager aantoont dat hij tot de - in artikel 1.1.1 omschreven - doelgroep behoort.

5.3 Voor het antwoord op de vraag of een bedrijf behoort tot de doelgroep is naar het oordeel van het College de bedrijfsuitoefening bepalend. Uit artikel 1.1.1 volgt dat het betrokken bedrijf een recreatieve activiteit dient uit te oefenen.

Onweersproken is dat appellantes bedrijf niet behoort tot de groep bedrijven en stichtingen, die opereren in de in artikel 1.1.2 met BIK-code opgesomde branches. Voorts staat - gelet op de omschrijving van haar bedrijfsactiviteiten in het handelsregister en haar feitelijke werkzaamheden - vast dat appellante niet kan worden geacht een recreatieve activiteit uit te oefenen als bedoeld in de subsidieregeling. Hieruit volgt dat appellantes bedrijf niet behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling.

5.4 Het betoog van appellante dat haar bedrijf behoort tot de categorie 'andere segmenten, die relevant zijn voor het fietstoerisme' faalt reeds omdat - zoals het College hiervoor uiteen heeft gezet - de aanvrager zelf in alle gevallen moet behoren tot de doelgroep als omschreven in artikel 1.1.1, en mitsdien een recreatieve activiteit moet uitoefenen.

De omstandigheid dat appellante haar pand verhuurt aan een onderneming die wel tot de doelgroep behoort, kan hier niet aan afdoen.

5.5 Met betrekking tot het betoog van appellante dat in de schriftelijke voorlichting over de subsidieregeling noch in haar contacten met een van de medewerkers van verweerster is vermeld dat het van belang is onder welke BIK-code het bedrijf van de aanvrager valt, is het College van oordeel dat appellante niet uitsluitend heeft mogen afgaan op hetgeen in de Kamerkrant en dergelijke publicaties is medegedeeld. Hierbij neemt het College in aanmerking dat verweerster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat wanneer een geïnteresseerde het aanvraagformulier van internet afhaalt, daarbij automatisch de subsidieregeling mede wordt verkregen, zodat appellante op de hoogte kon zijn van het bestaan van het doelgroepvereiste. Voor zover bij haar nog onduidelijkheid zou hebben bestaan over de vraag of zij met haar bedrijfsactiviteiten in aanmerking zou kunnen komen voor subsidie, had het op haar weg gelegen bij verweerster navraag te doen.

De omstandigheid dat de medewerker appellante mogelijk niet heeft gewezen op het doelgroepvereiste en de BIK-codes acht het College onvoldoende om aan te nemen dat verweerster appellante op het verkeerde been heeft gezet.

5.6 Met betrekking tot het - pas ter zitting naar voren gebrachte - argument van appellante, dat zij ten onrechte voorafgaand aan de afwijzing van haar subsidieaanvraag niet is gehoord door de Commissie van Advies overweegt het College het volgende.

Zo dit al aan te merken zou zijn als een gebrek in de besluitvorming is dit gebrek geheeld, aangezien appellante in ieder geval in de gelegenheid is gesteld haar visie en bezwaren kenbaar te maken tijdens de hoorzitting in bezwaar. Om deze reden kan niet worden volgehouden dat appellante door genoemde gang van zaken in haar belangen is geschaad.

5.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

5.8 Voor een veroordeling in de proceskosten op voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Borgesius, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Graefe