Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA4854

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
AWB 05/737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Boswet

Herplantplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/737 4 april 2007

11010 Boswet

Herplantplicht

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: W.J. Staal, te Maastricht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Ghallit, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 4 oktober 2005, bij het College binnengekomen op 6 oktober 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 augustus 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om ontheffing van de herplantplicht op grond van de Boswet.

Op 20 oktober 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 31 oktober 2005 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn, als gevolg van problemen met het openbaar vervoer, niet verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Boswet bepaalt, voorzover hier van belang, het volgende:

"Artikel 3

1. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

(…)

Artikel 5

1. Het bepaalde bij de artikelen 2 en 3 vindt geen toepassing, indien de grond, waarop de velling zal worden verricht of waarop zich de gevelde of tenietgegane houtopstand bevond, nodig is voor de uitvoering van een werk overeenkomstig een goedgekeurd bestemmingsplan.

(…)

Artikel 6

1. (…)

2. Onze Minister kan in bijzondere gevallen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 3, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen."

De in artikel 3 van de Boswet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit herbeplanting artikel 3 Boswet (Stb. 1996, 220, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 12 juni 1998, Stb. 1998, 359). Artikel 2, eerste lid, van dit Besluit luidt als volgt:

"Aan de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet, moet worden voldaan door beplanting van de grond, waarop zich de gevelde houtopstand bevond, of van andere grond, voor zover Onze Minister hiertoe toestemming heeft verleend."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant is melkveehouder.

- Op 1 maart 2005 heeft verweerder van appellant een formulier "Kennisgeving van een voorgenomen velling" ontvangen, waarin deze meldt voornemens te zijn ongeveer 700 Canadese populieren te gaan vellen op een 500 are metend perceel, kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie O, nummer *, genaamd B.

- Op 22 maart 2005 heeft appellant verweerder met het daarvoor bestemd formulier verzocht om ontheffing van de herplantplicht.

- Desgevraagd hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg verweerder op 27 juni 2005 over het verzoek geadviseerd.

- Bij besluit van 28 juni 2005, verzonden op 29 juni 2005, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van Gedeputeerde Staten, het verzoek van appellant afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 augustus 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 22 augustus 2005 is appellant over zijn bezwaar gehoord.

- Bij brief van 25 augustus 2005 heeft appellant zijn bezwaar nader onderbouwd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen:

"De Boswet heeft als doel de zorg voor de instandhouding van het Nederlandse bosareaal, met inachtneming van reële grenzen. Daarbij is gestreefd naar een zo eenvoudig mogelijke regelgeving (…). Als gevolg daarvan bestaat de Boswet hoofdzakelijk uit voorschriften met betrekking tot de meldingsplicht, de herplantplicht en het opleggen van een kapverbod.

Uitgangspunt daarbij is dat het vellen van houtopstanden in beginsel is geoorloofd, maar er kan in de daarvoor in aanmerking komende gevallen een kapverbod worden opgelegd. (…) Het opleggen van een herplantplicht betekent een diepe ingreep in de private rechtssfeer; niet alleen door het opleggen van een zekere bestedingsdwang in die zin, dat een deel van de opbrengst van het gevelde hout aangewend dient te worden voor de aanleg van een nieuw bosperceel, maar ook omdat de grond geruime tijd niet meer voor alternatieve doeleinden beschikbaar is. Ik ben nochtans van mening dat de bezwaren, die kleven aan het opleggen van deze verplichting, moeten wijken voor het grotere maatschappelijke belang, die geen verdere achteruitgang van het bosareaal in Nederland meer duldt. Gelet op het gewicht van het door de Boswet beschermde belang van bewaring van bossen kan slechts in uitzonderlijke gevallen ontheffing worden verleend. Dit zwaarwegend maatschappelijk belang dient door middel van een gedegen onderzoek aangetoond te worden.

Bij de vaststelling of er bij een voorgenomen velling sprake is van het verdwijnen van een uit natuur of landschappelijk oogpunt bezien waardevolle beplanting, laat ik mij adviseren door de provincie waarin het ter velling aangemelde bosperceel zich bevindt. De bomen in kwestie zijn, uit natuur en landschappelijk oogpunt, te beschouwen als waardevolle beplanting. Naar aanleiding van uw melding heb ik advies aan de provincie Limburg gevraagd, die mij met betrekking tot de onderhavige percelen heeft geadviseerd om geen toestemming te verlenen voor ontheffing van de herplantplicht.

In uw geval is er geen kapverbod opgelegd. Aangezien uw kapmelding dateert van 1 maart 2005, mag u tot 1 maart 2006 de houtopstand op uw perceel vellen.

Nadien heeft u verzocht om een ontheffing van de verplichting tot herbeplanting. In het besluit van 29 juni 2005 is de teammanager er vanuit gegaan dat de houtopstand reeds was tenietgegaan. Er rust op u als grondeigenaar pas een verplichting tot herbeplanting als de populieren op uw perceel zijn teniet gegaan. In uw bezwaarschrift en in uw nadere toelichting geeft u aan dat het onderhavige perceel volgens het bestemmingsplan valt onder een agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde. Verder stelt u dat het voor u niet mogelijk is om de grond aan te wenden voor agrarisch gebruik indien de houtopstand op het perceel aanwezig blijft. Tijdens de hoorzitting heeft u toegelicht dat de kosten van het bespuiten van distels op het perceel het gebruik van het perceel als weidegrond minder rendabel maken. Vervolgens doet u een beroep op artikel 5 eerste lid van de Boswet, waarin staat vermeld dat er geen verplichting tot herbeplanting rust op de eigenaar van een perceel, indien die grond nodig is voor de uitvoering van werk overeenkomstig een goedgekeurd bestemmingsplan.

Uit jurisprudentie en uit de wetsgeschiedenis van artikel 5 eerste lid van de Boswet blijkt dat onder "uitvoering van een werk" bouwplannen en andere civieltechnische werken wordt verstaan. In uw geval er geen sprake van bouwplannen of andere civieltechnische werken, zodat er dus niet gesproken kan worden van uitvoering van werk in de zin van de Boswet. Agrarische activiteiten, zoals bijvoorbeeld het gebruik van het perceel als populierenweide, mogen worden uitgevoerd conform de bestemming van het bestemmingsplan. Dit laat echter onverlet dat u wel de verplichting heeft om de houtopstand te herbeplanten indien u de populieren heeft geveld."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Naar zijn mening is het niet mogelijk dat bij het bestreden besluit van 26 augustus 2005 de door appellant op 25 augustus 2005 toegestuurde stukken, welke de voorzitter van de hoorcommissie graag wilde ontvangen, bij de heroverweging zijn betrokken.

Verweerder heeft appellant ten onrechte aan de verplichting tot herbeplanting gehouden en heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan de artikelen 5, eerste lid, en 6, tweede lid, van de Boswet.

Met zijn voornemen de bestaande houdopstand te kappen, werkt appellant mee aan een maatschappelijk belang. Het in geding zijnde perceel is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan "B " van de gemeente X en heeft de bestemming "agrarisch gebied van hoge landschappelijke waarde". Op 25 maart 2004 heeft de gemeenteraad van X de "Beheervisie C" vastgesteld. In de Beheervisie wordt de houtopstand op het in geding zijnde perceel als onjuist ervaren. Er wordt met nadruk gepleit voor openheid van het dal ter plaatse van het perceel met slechts op enkele plaatsen een beperkte begeleiding van het riviertje D door bos. De Beheervisie is het resultaat van een gedegen onderzoek en met de vaststelling ervan heeft de gemeente X het zwaarwegend maatschappelijk belang van de daarin opgenomen voorstellen benadrukt.

Het is een misvatting dat met de aanwezigheid van de populierenweide de landbouwkundige functie van het perceel van appellant, zij het met beperkingen, gewoon kan worden uitgevoerd. Immers, indien een rund tussen de bomen loopt, stopt de melkgift van dat rund als gevolg van de geringe voedingswaarde van het zich tussen de bomen bevindende gras. Het perceel kan met de aanwezigheid van de houtopstand dus niet voor agrarisch gebruik worden aangewend.

Appellant is van plan het onderhavige perceel overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan agrarisch te gaan gebruiken. Hiervoor zullen werken moeten worden verricht die vergunningplichtig zijn. Vanaf het moment dat het perceel als weidegrond zal worden gebruikt, moet er worden geploegd en moeten in verband met de afwatering civieltechnische maatregelen worden getroffen. Tevens is appellant voornemens een bouwvergunning aan te vragen voor de bouw van veldschuren. Artikel 5, eerste lid, van de Boswet is dan ook op de situatie van appellant van toepassing en hieruit volgt dat de herplantplicht buiten toepassing dient te worden gelaten.

De populierenopstand heeft geen natuurlijke waarde en is ook niet als zodanig opgenomen in een door appellant gesloten beheersovereenkomst. Met het rooien en ruimen van de populierenopstand zijn voor appellant veel kosten gemoeid.

Gelet op de bijzondere omstandigheden in het Jekerdal is artikel 6, tweede lid, van de Boswet op de situatie van appellant van toepassing en dient hem ontheffing van de herplantplicht te worden verleend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Voorzover appellant van opvatting is dat op hem ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Boswet geen herplantplicht rust, deelt het College deze opvatting niet.

Zoals het College eerder in zijn uitspraak van 11 maart 2005 (AWB 04/234, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AT2588) heeft overwogen, dienen uitzonderingsbepalingen van de in de Boswet neergelegde verplichtingen restrictief te worden geïnterpreteerd en is voor een geslaagd beroep op artikel 5, eerste lid, van de Boswet in beginsel vereist dat een belanghebbende aantoont dat een werk waarvoor een bouwvergunning is verleend zich in een traject van uitvoering bevindt en dat dit traject binnen een overzienbare termijn zal worden afgerond.

Die situatie doet zich hier nier voor, aangezien appellant enkel voornemens is een bouwvergunning aan te vragen en van een traject van uitvoering aldus geen sprake is.

5.2 Volgens appellant is het niet mogelijk dat bij het bestreden besluit van 26 augustus 2005 de door appellant op 25 augustus 2005 toegestuurde stukken, waaronder het bestemmingsplan en de "Beheervisie C", waarop in zijn bezwaarschrift en ter hoorzitting al was ingegaan, bij de heroverweging zijn betrokken. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze stukken wel bij de heroverweging zijn betrokken en dat is geoordeeld dat deze stukken en hetgeen appellant ter zake in bezwaar heeft aangevoerd, geen ontheffing op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet rechtvaardigen. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat in het bestreden besluit had moeten worden opgenomen dat en waarom artikel 6, tweede lid, van de Boswet appellant niet kan baten.

Het College is van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, nu verweerder daarbij niet is ingegaan op de stellingen en stukken van appellant in het kader van artikel 6, tweede lid, van de Boswet.

5.3 Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen. Daarbij zal hij zich tevens moeten vergewissen van de status van de "Beheervisie C". De door appellant overgelegde Beheervisie betreft een discussiestuk van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente X van mei 2002. Appellant heeft gesteld dat de gemeenteraad van X op 25 maart 2004 de Beheervisie heeft vastgesteld. Niet duidelijk is wat de betekenis van deze vaststelling is, of er ten opzichte van het discussiestuk van 2002 ter zake nog wijzigingen in de Beheervisie zijn aangebracht en welke rechtsgevolgen die vaststelling voor het litigieuze perceel heeft.

5.4 Het College is ten slotte niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal verweerder het door appellant betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,-- (zegge:

honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. H.A.B. van Dorst Tatomir en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener