Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA4665

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/57
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2007-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/57 17 april 2007

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 21 november 2005.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 22 november 2005, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 22 februari 2005 door B (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

Bij een op 20 januari 2006 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 10 februari 2006 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 7 september 2007 heeft klager een reactie ingediend op het beroepschrift.

Op 16 maart 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en klager in persoon zijn verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht klachtonderdeel A zoals in deze tuchtbeslissing nader aangeduid, gedeeltelijk gegrond alsmede klachtonderdeel B in zijn geheel gegrond verklaard en appellant terzake de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Met betrekking tot klachtonderdeel A stelt appellant in zijn eerste grief dat de raad van tucht dit klachtonderdeel ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard althans ten onrechte niet heeft afgewezen. Onjuist is dat hij de jaarrekening van aan naaste familieleden gelieerde vennootschappen heeft opgesteld en gecontroleerd; in de periode 1993 tot en met 2001 heeft hij de jaarrekening van Bruidsboutique Van de Wetering VOF samengesteld en daarbij een samenstellingsverklaring afgegeven.

Met zijn tweede grief betoogt appellant dat de overweging van de raad van tucht dat de familierelatie tussen hem, zijn moeder en zijn zuster onmiskenbaar is aan te merken als een nauwe persoonlijke relatie in de zin van artikel 24 Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994), onjuist is. Uit de definities van de Nadere Voorschriften inzake onafhankelijkheid van de accountant (hierna: Nadere Voorschriften) blijkt dat de moeder en de zus zijn begrepen in de groep van naaste verwanten en worden uitgesloten als nauwe persoonlijke relatie. De raad van tucht neemt daarom ten onrechte een herhaalde overtreding van het verbod van artikel 24, lid 4, GBR-1994 aan.

Met zijn derde grief betoogt appellant dat de klacht behelsde dat hij de jaarrekening zou hebben gecontroleerd in strijd met de Nadere Voorschriften. De Nadere Voorschriften zijn in werking getreden in december 2002 en betreffen wettelijke controles. Het is onbegrijpelijk dat de raad van tucht geen opmerking heeft geplaatst bij de door klager veronderstelde wettelijke controle van de jaarrekening en dat de raad van tucht geen belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat deze voorschriften pas in werking zijn getreden na het door appellant beëindigen van zijn werkzaamheden.

Bij de beoordeling van deze grieven stelt het College voorop dat klager weliswaar heeft gesteld dat appellant de jaarrekeningen van C VOF en haar toenmalige vennoten te weten D B.V. en C B.V. zou hebben opgesteld en gecontroleerd, maar dat de raad van tucht de beoordeling heeft gebaseerd op zijn feitelijke vaststelling dat appellant deze jaarrekeningen opstelde en met betrekking tot de betreffende jaarrekeningen een samenstellingsverklaring verstrekte. De raad van tucht heeft zijn beoordeling van klachtonderdeel A derhalve niet gebaseerd op de kwalificatie door klager van de werkzaamheden van appellant als controleactiviteiten maar op een uitgangspunt waarvan de feitelijke juistheid niet door appellant is bestreden. Naar het oordeel van het College kan niet met vrucht worden betoogd dat de raad van tucht door aldus te oordelen de grondslag van de klacht heeft verlaten en geoordeeld zou hebben over een jegens een accountant gerezen bezwaar dat niet aan hem is voorgelegd noch door hem ambtshalve in behandeling is genomen. Uit de door klager bij de raad van tucht overgelegde stukken, en met name de daarbij overgelegde jaarrekeningen van C VOF, blijkt dat appellant ter zake van die jaarrekeningen een samenstellingsverklaring verstrekte zodat de door klager gewraakte handelingen abusievelijk door deze zijn aangemerkt als het verstrekken van een controleverklaring. Aldus heeft de raad van tucht geen andere gedragingen aan de beoordeling van de klacht ten grondslag gelegd dan die welke in de klacht aan de orde zijn gesteld en slechts de kwalificatie van deze gedragingen gecorrigeerd. Appellant is door deze handelswijze ook niet in zijn mogelijkheden tot verdediging geschaad aangezien hij er in zijn bij de raad van tucht ingediende verweerschrift al op heeft gewezen dat hij de betreffende jaarrekeningen nimmer heeft gecontroleerd. Bovendien is voor de toepassing van artikel 24 GBR-1994 zonder belang of de verklaring als een samenstellingsverklaring dan wel als een accountants- of beoordelingsverklaring moet worden aangemerkt zodat de correctie door de raad van tucht van de door klager gegeven kwalificatie van de gedragingen die in het klachtschrift aan de orde zijn gesteld, voor de beoordeling van de gegrondheid van de klacht niet beslissend is.

Wat betreft de tweede grief is het College van oordeel dat appellant onmiskenbaar in een nauwe persoonlijke relatie staat tot zijn naaste persoonlijke familieleden zoals in casu zijn moeder en zijn zus. Dat de groep van personen tot wie appellant in een nauwe persoonlijke relatie kan staan ook uit anderen kan bestaan dan naaste familieleden doet hieraan niet af. Uit de niet door appellant bestreden feitelijke vaststellingen door de raad van tucht, blijkt dat ten tijde hier van belang de moeder van appellant houdster was van alle aandelen in E B.V. welke vennootschap op haar beurt alle aandelen hield in C B.V. Voorts blijkt dat de zus van appellant houdster is van de aandelen in B Beheer B.V. welke vennootschap houdster is van alle aandelen in D B.V. Laatstgenoemde vennootschap en C B.V. zijn per 1 januari 1993 een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam C VOF. Aldus staat vast dat naaste familieleden van appellant in een verhouding staan tot C B.V. en C VOF die een aanmerkelijk financieel belang meebrengt. Ingevolge artikel 24, lid 4, GBR-1994 is het appellant derhalve verboden met betrekking tot de verantwoording van de betreffende vennootschappen een verklaring af te geven. Aangezien appellant met betrekking tot de jaarrekening van deze vennootschappen een samenstellingsverklaring heeft verstrekt, heeft hij gehandeld in strijd met artikel 24 GBR-1994. De raad van tucht heeft derhalve klachtonderdeel A voorzover het deze gedragingen aan de orde stelde, terecht gegrond verklaard.

Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de Nadere Voorschriften doet aan het voorgaande niet af aangezien de raad van tucht deze regels niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

3.2 Met betrekking tot de beoordeling van klachtonderdeel B door de raad van tucht voert appellant in de vierde grief aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat een direct verband wordt gelegd tussen zijn werkzaamheden als accountant van de VOF tot en met 2001 en de activiteiten in verband met de overname van de aandelen van C B.V., E B.V. en de overname van onroerende zaken van E B.V. in 2002 en 2003. De beslissing van de raad van tucht is voorts innerlijk tegenstrijdig, aldus appellant, omdat in onderdeel 5.4 wordt geoordeeld dat uit het dossier onvoldoende feiten blijken die het verwijt dat appellant de onpartijdigheid van zijn oordeel heeft prijsgegeven kunnen dragen, terwijl in onderdeel 5.5 wordt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat appellant tijdens de onderhandelingen zijn onafhankelijke positie als registeraccountant van C VOF heeft weten te behouden.

In zijn vijfde grief voert appellant aan dat de echtgenote van klager, althans B Beheer B.V., zich heeft laten bijstaan door registeraccountant(s). In dat geval behoeft een registeraccountant die door de andere partij is aangesteld zich niet als onafhankelijk en onpartijdig registeraccountant op te stellen en mag hij de belangen van zijn opdrachtgever voorop stellen. Voorts voert appellant aan dat de raad van tucht er ten onrechte van is uitgegaan dat een registeraccountant altijd in zijn hoedanigheid van registeraccountant optreedt. Appellant heeft juist bewust aangegeven niet als registeraccountant bij de overname betrokken te willen zijn. Appellant heeft aan het NIVRA de vraag voorgelegd of hij in zijn hoedanigheid als zoon, dus niet als registeraccountant, zijn moeder bij de verkoop van de onderneming mocht bijstaan. Uit het antwoord concludeert hij dat dit in beginsel is toegestaan.

Wat betreft de inconsistentie die appellant ziet tussen hetgeen de raad van tucht in punt 5.4 en in punt 5.5 van zijn beslissing heeft overwogen, merkt het College op dat eerstgenoemd punt betrekking heeft op de onpartijdigheid van appellant bij het verstrekken van een samenstellingsverklaring met betrekking tot de jaarrekeningen van C VOF over de jaren 1993 tot en met 2001 (klachtonderdeel A) terwijl punt 5.5 van de tuchtbeslissing ziet op de (on)partijdigheid in het kader van de overdracht van de onderneming in 2002 en 2003 (klachtonderdeel B). De omstandigheid dat de raad van tucht met betrekking tot klachtonderdeel A tot de conclusie komt dat is gebleken van onvoldoende feiten die het verwijt dat appellant de onpartijdigheid van zijn oordeel heeft prijsgegeven is op zich niet tegenstrijdig met het oordeel dat onvoldoende is gebleken dat appellant tijdens de onderhandelingen zijn onafhankelijke en onpartijdige positie als registeraccountant van C VOF heeft weten te behouden. De bedoelde overwegingen van de raad van tucht betreffen immers andere gedragingen gedurende verschillende perioden.

Wat betreft het argument dat appellant aanvoert in zijn vijfde grief, met de strekking dat de raad van tucht ten onrechte heeft aangenomen dat hij is opgetreden als accountant overweegt het College dat vaststaat dat appellant in ieder geval optrad als openbaar accountant in de zin van artikel 2, lid 2, GBR-1994 toen hij een samenstellingsverklaring verstrekte met betrekking tot de jaarrekeningen van C VOF. Ingevolge artikel 2, lid 5, GBR-1994 wordt de registeraccountant voorts geacht op te treden als openbaar accountant, indien hij optreedt zonder dat duidelijk is dat hij niet beroepshalve of in een andere functie handelt. Hoewel appellant heeft gesteld dat hij bewust heeft aangegeven niet als registeraccountant bij de overname betrokken te willen zijn heeft het College niet kunnen vaststellen dat hij dit - zoals het bepaalde bij artikel 7 GBR-1994 voorschrijft wanneer de accountant wil voorkomen dat de bepalingen van de hoofdstukken II en IV, respectievelijk III, voor het blijven gelden - aan alle betrokkenen op niet te miskennen wijze duidelijk heeft gemaakt. Uit zijn declaratie de dato 22 november 2002 aan C VOF met de omschrijving "inzake overname door F" valt bovendien op te maken dat hij tenminste bij een deel van het overnametraject ook als accountant van C VOF is opgetreden.

Aangezien appellant bij de besprekingen over de overname van de door C VOF gedreven onderneming is opgetreden als adviseur van zijn moeder, had hij tenminste duidelijk moeten maken dat hij een bijzonder belang vertegenwoordigde. Vanwege zijn werkzaamheden als accountant van C VOF, mede ook in verband met de voorgenomen overname, kon hij er hoe dan ook niet op vertrouwen dat dit voor andere betrokkenen ook zonder uitdrukkelijke mededeling kenbaar was. Uit de op dit punt onvoldoende gemotiveerd weersproken stellingen van klager met betrekking tot de indruk die F als betrokkene bij de voorgenomen overname had blijkt dat voor tenminste één van de betrokkenen de betrokkenheid van appellant bij de overname onvoldoende duidelijk was. Onder deze omstandigheden heeft appellant er niet zorg voor gedragen dat aan de betrokkenen kenbaar was dat hij een bijzonder belang vertegenwoordigde en is sprake van een inbreuk op artikel 9, lid 2, GBR-1994.

Onjuist is de stelling van appellant, die mitsdien aan het voorgaande niet kan afdoen, dat een registeraccountant die optreedt als accountant niet gehouden zou zijn tot onpartijdigheid in zijn oordeel indien één van de betrokken partijen door een accountant of andere adviseur wordt bijgestaan. Artikel 9 GBR-1994 bevat niet een uitzondering met deze strekking.

Het standpunt van het NIVRA met betrekking tot de uitlegging van GBR-1994, waarop appellant zich beroept, doet geen afbreuk aan de uitlegging van deze regels door de raad van tucht of het College en kan een inbreuk op deze regels niet rechtvaardigen. Bovendien blijkt uit de weergaven door appellant van het standpunt van het NIVRA dat deze organisatie de toepasselijkheid van GBR-1994 afhankelijk heeft geacht van het optreden van appellant en is hem voorts geadviseerd aan zijn moeder en zuster kenbaar te maken dat hij een bijzonder belang vertegenwoordigde.

3.3 Appellant betoogt in zijn zesde grief dat de raad van tucht in zijn overwegingen aangaande de op te leggen maatregel ten onrechte heeft overwogen dat appellant geen blijk heeft gegeven van inzicht in de gevolgen, te weten verstoring van persoonlijke en zakelijke verhoudingen, die hij met het bewust passeren van de gedrags- en beroepsregels teweeg heeft gebracht. Appellant meent dat het niet aan de raad van tucht is, ook niet ambtshalve, daarover een oordeel te vellen.

Hoewel naar het oordeel van het College niet onbegrijpelijk is dat appellant zijn familie met zijn vaktechnische vaardigheden heeft willen bijstaan en hij aldus betrokken is geraakt bij de jaarrekening van C B.V. en later ook bij die van C VOF neemt dit niet weg dat hij zich de beperkingen die voortvloeien uit artikel 24 GBR-1994 had moeten realiseren. Ook zijn wens gehoor te geven aan het beroep dat zijn moeder op hem deed toen de onderneming werd overgedragen is weliswaar begrijpelijk maar doet hoe dan ook niet af aan de op hem rustende verplichting tenminste duidelijkheid te betrachten over zijn rol. Iedere inbreuk afzonderlijk is naar het oordeel van het College een ernstige inbreuk die het vertrouwen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de accountant ernstig kan schaden. Om deze reden is het College met de raad van tucht van oordeel dat de maatregel van schriftelijk berisping terzake van de overtredingen gezamenlijk passend en geboden is. Het College acht het betoog van appellant dat de raad van tucht in zijn overwegingen niet gerechtigd zou zijn de gevolgen van de gedragingen van appellant mede in aanmerking te nemen ongegrond. Het College merkt hierbij op dat de raad van tucht veeleer het oog lijkt te hebben gehad op de gevolgen die de gedragingen van appellant hebben voor het vertrouwen van tenminste klager in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de accountant en niet op de gevolgen die de gedragingen hebben gehad voor de verhoudingen in de familie van appellant.

3.4 Het vorengaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is en moet worden verworpen.

3.5 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II Wet RA alsmede artikelen 9 en 24 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. M.A. Voskamp