Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA2960

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/580 29 maart 2007

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

Bestuur van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants, te Amsterdam, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 13 juni 2006,

gemachtigde: mr. J.K. Drewes, werkzaam bij appellant.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 13 juni 2006, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 27 september 2005 door A ingediend tegen B RA (hierna: betrokkene).

Bij een op 24 juli 2006 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 1 augustus 2006 de stukken als bedoeld in artikel 53 Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 4 oktober 2006 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

In reactie op brieven van de griffier van het College van 3 januari 2007 en 19 januari 2007 heeft appellant bij brieven van 5 januari 2007 respectievelijk 5 februari 2007 zijn standpunt kenbaar gemaakt omtrent de ontvankelijkheid van het beroep.

Op 15 februari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

De klacht jegens betrokkene betreft de aanvaarding en uitvoering van een opdracht van de gemeente Haarlem tot herberekening van een schadeberekening, uitgaande van een tussenvonnis van de rechtbank te Haarlem. Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht deze klacht ongegrond verklaard. De raad van tucht heeft in de beslissing op de klacht onder meer overwogen dat betrokkene terzake van deze opdracht uitsluitend werkzaamheden heeft verricht als bedrijfsschade-expert in opdracht van de gemeente en niet als accountant of openbaar accountant.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De middelen van beroep

Appellant bestrijdt dat betrokkene niet is opgetreden als accountant. Hij heeft aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie het enkele feit dat betrokkene heeft gebruik gemaakt van zijn titel RA onvoldoende is voor het oordeel dat hij is opgetreden als accountant. Gekeken dient te worden naar de omstandigheden van het geval. Dienaangaande voert appellant aan dat betrokkene stelt bij zijn rapportages gebruik te hebben gemaakt van algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Appellant stelt dat betrokkene aldus verwijst naar RAC 210. Een RA die zich conformeert aan (onderdelen van) de RAC’s bij zijn werkzaamheden treedt op als accountant.

4. De beoordeling van het beroep

4.1 Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c (titel II) Wet RA kan het bestuur binnen twee maanden na verzending beroep instellen tegen een beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar. Deze bepaling stelt aan de uitoefening van dit beroepsrecht geen nadere voorwaarden. Aangezien dit beroepsrecht in zijn rechtsgevolgen niet afwijkend is geregeld van het beroep tegen een tuchtbeslissing dat ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, (titel II) Wet RA kan worden ingesteld, dient de uitoefening van dit beroepsrecht van betekenis te kunnen zijn voor de gegrond- dan wel ongegrondverklaring van een klachtonderdeel door de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing. In die zin dient ook het bestuur een belang te hebben bij de uitoefening van het beroepsrecht voorzien in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, Wet RA. En dergelijk belang ontbreekt indien het beroep enkel is gericht tegen de door de raad van tucht in zijn beslissing gebezigde overwegingen en niet van betekenis kan zijn voor de uiteindelijke beoordeling van de klacht(onderdelen).

4.2 Het College is, mede in aanmerking nemende de in de brief van 5 februari 2007 en ter zitting door de gemachtigde van appellant gegeven nadere toelichting, van oordeel dat het beroep niet uitsluitend ziet op de daartoe door de raad van tucht gebezigde overwegingen maar mede is gericht tegen de beslissing van de raad van tucht om de klacht ongegrond te verklaren, zodat het beroep ontvankelijk is.

4.3 Het College is, anders dan appellant, van oordeel dat de raad van tucht, door op basis van zijn waardering van de aan de orde zijnde feitelijke elementen tot de slotsom te komen dat betrokkene niet als accountant is opgetreden, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit vaste jurisprudentie van het College blijkt dat gebruik van de deskundigheidsaanduiding RA niet zonder meer meebrengt dat betrokkene als accountant in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 is opgetreden. De opname in het rapport van een passage die gelijkenis toont met de tekst, voorzien in RAC 210, leidt niet tot een ander oordeel aangezien ter zitting is komen vast te staan dat aan deze passage in de omstandigheden van het onderhavige geval geen specifieke betekenis in de door appellant bedoelde zin kan worden toegekend, reden waarom betrokkene, naar hij ter zitting heeft verklaard, van deze passage bij de uitvoering van zijn opdrachten geen gebruik meer maakt. In ieder geval is niet komen vast te staan dat, zoals door appellant is gesteld, betrokkene heeft beoogd zich te conformeren aan onderdelen van de Richtlijnen voor de Accountantscontrole. Voorts stelt het College vast dat de werkzaamheden die door betrokkene zijn verricht niet specifiek op het terrein van de accountancy liggen en dat de firma waaraan betrokkene verbonden is zich in het rapport uitsluitend presenteert als “experts-taxateurs-adviseurs”.

Het hiervoor overwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

Na te melden beslissing op het beroep berust op het bepaalde in Titel II van de Wet RA.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. M.A. Voskamp

R a a d v a n T u c h t

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te

Amsterdam

BESLISSING van 13 juni 2006 in de zaak onder nummer R 528 van

A,

kantoor houdend te X,

K L A G E R,

t e g e n

B RA,

wonende te Y, en kantoor houdend te Z,

B E T R O K K E N E.

1. Het verloop van het geding

1.1 De Raad heeft kennis genomen van de navolgende, aan partijen bekende stukken:

(a) het klaagschrift d.d. 27 september 2004 (naar de Raad begrijpt: 27 september 2005), met bijlagen, ingediend door klager;

(b) het verweerschrift van 25 oktober 2005, met bijlagen, ingediend door betrokkene;

(c) de brief van 22 november 2005 van mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam en advocaat van betrokkene;

(d) de brief van 5 december 2005, met bijlagen, van klager aan de Secretaris van de Raad;

(e) de ter zitting van de Raad van 20 december 2005 door klager overgelegde pleitnotities;

(f) de ter zitting van de Raad van 20 december 2005 door mr. Garvelink overgelegde pleitnotities.

1.2 De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 20 december 2005. Ter zitting waren aanwezig klager en betrokkene, vergezeld van mr. Garvelink.

2. De vaststaande feiten

2.1 Betrokkene is registeraccountant. Hij is een der firmanten van de maatschap C en houdt kantoor te Z. Deze maatschap houdt zich bezig met schadeëxpertises, taxaties, vooropnamen en inspecties. De maatschap en de binnen de maatschap werkzame registerexperts - onder wie betrokkene - zijn aangesloten bij de stichting Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE) te Rotterdam.

2.2 Tussen de D Groep B.V. enerzijds en de gemeente E anderzijds is een geschil gerezen over de weigering op 21 maart 1995 tot afgifte van een bouwvergunning door de gemeente aan D. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beslissing van 19 mei 1998 de gemeente (definitief) in het ongelijk gesteld. Op 23 juni 1998 heeft de gemeente alsnog de door D gewenste bouwvergunning verstrekt.

2.3 D heeft vervolgens een eis tot schadevergoeding ingediend bij de gemeente, waarna partijen hebben besloten om de schade door deskundigen te laten vaststellen. Partijen hebben elk een deskundige aangesteld. D heeft klager als deskundige benoemd en de gemeente heeft F als deskundige benoemd. Beiden zijn registerexpert.

2.4 Door de twee deskundigen, F en klager, is op 18 mei 1999 een protocol (bijlage 1 bij klaagschrift) opgesteld, waarin onder meer is bepaald:

De schadevaststelling zal namens D Groep enerzijds en de gemeente E anderzijds geschieden door twee onafhankelijke en objectieve schadeëxperts, die handelen volgens de in hun beroep geldende ethische regels, zoals vastgelegd in de statuten en reglementen van de stichting Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE) en volgens de wettelijke regels en normen, die gelden ter zake van het begroten van aansprakelijkheidsschaden. Zij zullen trachten om tot een schadevaststelling in gezamenlijke overeenstemming te komen. Indien zij daarin desondanks niet slagen, zal een derde-deskundige als arbiter worden benoemd, die vervolgens de schadevaststelling zal doen met inachtneming van wat de beide experts hebben bevonden en binnen de door hen vastgestelde grenzen.

2.5 De twee deskundigen hebben een onafhankelijk arbiter benoemd, die zou optreden indien de door partijen aangestelde deskundigen niet tot gezamenlijke vaststelling van de schade zouden komen. Als arbiter is G, firmant van C, benoemd. G heeft niet als arbiter hoeven op te treden.

2.6 Uiteindelijk hebben de deskundigen overeenstemming bereikt en hebben zij de schade gezamenlijk vastgesteld op € 2.450.000 exclusief BTW. De gemeente is hierover bij brief van 5 mei 2003 (bijlage 2 bij klaagschrift) door F geïnformeerd.

2.7 De gemeente weigerde dit bedrag te betalen, waarna D de gemeente op 14 januari 2004 heeft doen dagvaarden voor de Rechtbank te Haarlem.

2.8 Bij conclusie van antwoord van 10 maart 2004 heeft de gemeente een in haar opdracht door betrokkene vervaardigd rapport van 20 februari 2004 (bijlage 5 bij klaagschrift) in het geding doen brengen. Het rapport vermeldt onder meer:

Ingevolge uw opdracht d.d. 21 januari 2004, hebben wij een onderzoek ingesteld naar de opgestelde schadeberekeningen in verband met een schadeclaim jegens de gemeente E vanwege de onrechtmatige weigering van een bouwvergunning aan D Beheer B.V. Bij onze beoordeling hebben wij gebruik gemaakt van de door u verstrekte documentatie. De geraadpleegde documentatie is vermeld in bijlage 1 bij dit rapport.

Onze werkzaamheden zijn verricht in overeenstemming met algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Deze opdracht houdt in dat er op de verstrekte financiële informatie geen accountantscontrole is toegepast. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het opgenomen cijfermateriaal, anders dan ter zake van de aspecten zoals door ons onderzocht en waarover door ons in deze rapportage feitelijk wordt gerapporteerd.

(…)

Teneinde een afgewogen oordeel te kunnen vormen over de onderliggende financiële bescheiden, zal een nader dossieronderzoek moeten worden ingesteld, waarbij wij de beschikking moeten verkrijgen over alle relevante financiële informatie. Wij hebben op uw verzoek dit nader onderzoek naar de gegevens waarop de berekeningen van GAB zijn gebaseerd (nog) niet ingesteld. Eventueel zal dit in een tweede fase kunnen geschieden.

2.9 Op 2 september 2005 heeft de gemeente ten behoeve van de door de Rechtbank ter terechtzitting van 12 september 2005 gelaste comparitie van partijen een tweede rapportage van betrokkene, gedagtekend 31 augustus 2005 en voorzien van bijlagen, (bijlage 7 bij klaagschrift) doen overleggen. Het rapport vermeldt onder meer:

Ingevolge uw opdracht d.d. 24 augustus 2005, verkregen via Smithuijsen advocaten, hebben wij een herberekening gemaakt van de schadeberekening zoals opgenomen in ons rapport d.d. 20 februari 2004, uitgaande van de beslissingen in het tussenvonnis van de Rechtbank te Haarlem, zoals opgenomen in haar vonnis d.d. 13 april 2005.

Onze werkzaamheden zijn verricht in overeenstemming met algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Deze opdracht houdt in dat er op de verstrekte financiële informatie geen accountantscontrole is toegepast. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het opgenomen cijfermateriaal, anders dan ter zake van de aspecten zoals door ons onderzocht en waarover door ons in deze rapportage feitelijk wordt gerapporteerd.

2.10 Nadat partijen alsnog een schikking (bijlage 11 bij verweerschrift) hadden getroffen - die onder meer inhoudt dat de gemeente aan de D Groep de som van € 1.425.000 betaalt en dat door deze betaling zowel de eigenlijke schadevergoeding als de rente en de kosten, die in de vordering zijn begrepen, geheel zijn voldaan - is het bij de Rechtbank te Haarlem aanhangige geding geroyeerd.

3. De klacht

3.1 Het voor betrokkene kenbare feit dat medefirmant G de benoeming als arbiter had aanvaard, had voor betrokkene aanleiding moeten zijn om de opdracht van de gemeente niet te aanvaarden teneinde elke schijn van partijdigheid en belangenvermenging te vermijden. Door de opdracht wel te aanvaarden, heeft betrokkene zich niet gedragen zoals een zorgvuldig handelend registeraccountant betaamt.

3.2 Betrokkene heeft gehandeld in strijd met artikel 11 GBR-1994 door een schadeberekening uit te voeren na slechts twee globale rapporten te hebben bestudeerd. Zodoende heeft betrokkene zich niet gehouden aan het criterium van "algemeen aanvaarde richtlijnen" waaraan zijn onderzoek volgens eigen zeggen had voldaan terwijl van een deugdelijke grondslag evenmin sprake is. Zowel het eerste als tweede rapport van betrokkene missen een deugdelijke grondslag. Betrokkene heeft zodoende ook niet de zorgvuldigheid betracht die een registerexpert (ingeschreven in het register van het NIVRE) betaamt. Het handelen van betrokkene getuigt ook van minachting van het werk van collegae bedrijfsschadeëxperts/registeraccountants, die vele maanden onderzoeken, besprekingen en berekeningen hebben uitgevoerd om te komen tot hun schadevaststelling. Betrokkene had aan zijn opdrachtgeefster moeten berichten dat hij niet in staat was een verantwoord rapport uit te brengen bij gebrek aan voldoende informatie en documentatie. Door niet eerst kennis te nemen van de aan het rapport van Buys en klager ten grondslag liggende stukken heeft betrokkene niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en betamelijk handelend bedrijfsschadeëxpert/registeraccountant mag worden verwacht. Betrokkene heeft het niet nodig gevonden om de bij de schadevaststelling betrokken schadeëxperts te raadplegen of te horen omtrent hun werkzaamheden en uitgangspunten. Betrokkene heeft derhalve niet de zorgvuldigheid betracht, die van hem als bedrijfsschadeëxpert/registeraccountant mocht worden verwacht. Ook het beginsel van hoor en wederhoor is niet nageleefd door betrokkene. De mededelingen van betrokkene zijn niet duidelijk omdat hij nergens vermeldt dat hij kapitaliseert naar een datum in 1998. Anders dan betrokkene in zijn rapport stelt, kunnen zijn berekeningen niet worden aangemerkt als een herberekening van de schade volgens het tussenvonnis. Betrokkene heeft de wettelijke rente onjuist geïnterpreteerd en toegepast. Met het door hem met betrekking tot de wettelijke rente ingenomen standpunt gaat betrokkene voorbij aan de beslissingen van de Rechtbank.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Volgens klager volgt uit de door betrokkene gebezigde formuleringen, welke door registeraccountants plegen te worden gehanteerd, dat betrokkene niet alleen als bedrijfsschadeëxpert, maar ook als registeraccountant is opgetreden.

4.2 Ofschoon aan klager moet worden toegegeven dat de door hem bedoelde formuleringen - onder meer aangehaald in 2.8 en 2.9 - misverstand zouden kunnen doen ontstaan omtrent de hoedanigheid van betrokkene, is onmiskenbaar dat betrokkene in het onderhavige geval uitsluitend als registerexpert werkzaamheden heeft verricht. Uit de door betrokkene uitgebrachte rapporten blijkt duidelijk dat hij heeft gehandeld als schadeëxpert werkzaam bij een schadeëxpertisebureau in opdracht van de gemeente. Betrokkene heeft er in zijn rapporten geen twijfel over laten bestaan dat hij is opgetreden als partijdeskundige. Betrokkene is niet opgetreden als accountant of openbaar accountant.

4.3 Dit brengt mede dat het optreden van betrokkene uitsluitend kan worden getoetst aan hoofdstuk II GBR-1994 en meer in het bijzonder aan artikel 5 GBR-1994 en dus niet aan het in hoofdstuk III GBR-1994 opgenomen artikel 11. De door het NIVRE uitgevaardigde gedragsregels en andere regels spelen in de thans aan de orde zijnde tuchtzaak geen rol.

4.4 Met het in 3.1 vermelde klachtonderdeel betoogt klager dat betrokkene de opdracht van de gemeente niet had mogen aanvaarden gezien de betrokkenheid van medefirmant G.

4.5 De door de D Groep en de gemeente benoemde deskundigen hebben in april/mei 2003 overeenstemming bereikt over een gezamenlijke schadevaststelling. Tussen partijen staat vast dat G niet als arbiter heeft hoeven op te treden. Voorts heeft betrokkene onweersproken gesteld dat G zich op geen enkele wijze iets van deze kwestie kon herinneren. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat betrokkene in strijd handelde met artikel 5 GBR-1994 door de op 21 januari 2004 door de gemeente gegeven opdracht te aanvaarden, wat er overigens zij van klagers stelling dat G de benoeming tot derde deskundige/arbiter metterdaad had aanvaard.

4.6 De overige verwijten aan het adres van betrokkene, samengevat in 3.2, richten zich tegen de inhoud van de door betrokkene geschreven rapporten, vermeld in 2.8 en 2.9.

4.7 Naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat de kwaliteit van de rapporten van dien aard is dat daarmede de eer van de stand der registeraccountants in het geding is. Klager heeft zulks weliswaar gesteld maar niet - voldoende specifiek - uiteengezet in welk opzicht zulks het geval zou zijn. Bovendien geldt dat de rapporten duidelijk melding maken van de beperkingen van het door betrokkene verrichte onderzoek. Ook is duidelijk aangegeven welk nader onderzoek nog zou dienen plaats te vinden.

4.8 De klacht faalt dan ook in al haar onderdelen. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, drs. E.J.F.A. de Haas RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Hage, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 13 juni 2006.

____________ ____________

(secretaris) (voorzitter)