Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA2956

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/318
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.42
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 3
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/318 13 maart 2007

27652 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Uitspraak in de zaak van:

A en B te X, appellanten,

gemachtigde: mr. J.R.G. Goderie, werkzaam bij Goderie Juridisch Adviesbureau te Eindhoven,

tegen

de Minister van Economische zaken, verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 25 april 2006, bij het College binnengekomen op 27 april 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 maart 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellanten tegen de afwijzing van hun verzoeken om verklaringen als bedoeld in artikel 3:42, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Bij brief van 13 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 30 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. De gemachtigde van appellanten is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Ook verweerder is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet IB 2001 bepaalde ten tijde hier van belang:

" Artikel 3.42

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring en

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

(…)

Artikel 3:43

1. Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voorzover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.

(…)"

In de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001( hierna: Uitvoeringsregeling) was ten tijde hier van belang onder meer bepaald:

“Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3:42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden.

Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

(…)

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten zijn vennoten van de V.O.F. C te X.

- Op 28 april 2005 hebben appellanten een orderformulier getekend ten behoeve van de levering en installatie van een bakwand met toebehoren door D BV te Y. Op het orderformulier is onder de kop “bijzonderheden” onder meer vermeld “mits goedkeuring financiering”.

- Bij brief van 1 juni 2005 is door E B.V. te Y aan appellanten bevestigd dat een lening wordt verstrekt voor een bedrag van

€ 18.000,-- voor de aankoop van een frituuroven bij D BV.

- Bij daartoe bestemde formulieren, door het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst (hierna: Bureau Irwa) beide ontvangen op 23 augustus 2005, hebben appellanten de investering in het bedrijfsmiddel “bakwand” gemeld en - ieder voor een gelijk deel van de investering -om een verklaring energie-investeringsaftrek (hierna: verklaring) verzocht.

- Blijkens een telefoonnotitie van verweerder is op 2 januari 2006 telefonisch door verweerder aan appellanten medegedeeld dat geen verklaring kan worden afgegeven omdat de investering te laat is gemeld.

- Bij brief van 4 januari 2006, ingekomen bij verweerder op 10 januari 2006, hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de verzoeken om verklaringen.

- Bij besluiten van 11 januari 2006 heeft verweerder aan appellanten medegedeeld dat de gevraagde verklaringen voor energie-investeringsaftrek terzake van het gemelde bedrijfsmiddel niet kunnen worden afgegeven, omdat de aanschaf van het bedrijfsmiddel niet tijdig is gemeld.

- Naar aanleiding van het bezwaar zijn appellanten door verweerder in de gelegenheid gesteld om op 28 februari 2006 te worden gehoord. Appellanten hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het in de besluiten van 11 januari 2006 weergegeven standpunt gehandhaafd en de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat appellanten blijkens een door hen overgelegd orderformulier op 28 april 2005 voor € 32.000,-- een bakwand met toebehoren hebben gekocht van het bedrijf D BV. Volgens verweerder is met het sluiten van die overeenkomst de termijn van drie maanden aangevangen waarbinnen ingevolge artikel 3 van de Uitvoeringsregeling de aanmelding moet plaatsvinden. Verweerder stelt dat het feit dat de overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde van “verkrijging van financiering” niet afdoet aan het feit dat op 28 april 2005 een overeenkomst is gesloten waarbij verplichtingen zijn aangegaan. Omdat de melding niet is ontvangen binnen drie maanden na 28 april 2005 kan volgens verweerder geen verklaring worden afgegeven.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten stellen dat op 28 april 2005 is afgesproken dat de bakwand met toebehoren pas zou kunnen worden gekocht als de financiering voor deze aanschaf zou zijn geaccepteerd. Pas op het moment van acceptatie van de financiering - 1 juni 2005 - was volgens appellanten voldoende bepaalbaar dat de inventaris zou worden aangekocht. Niet

28 april 2005 maar 1 juni 2005 dient dus als aanschafdatum te gelden. Appellanten stellen dat zij in deze zienswijze worden gesteund door het Bureau Irwa.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat de vraag of verweerder terecht de verzoeken om verklaringen voor de energie-investeringsaftrek voor de investering van appellanten heeft afgewezen op de grond dat appellanten die investering niet binnen de in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling bedoelde termijn van drie maanden na het aangaan van de verplichtingen hebben aangemeld.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraken van het College van 2 juli 2002, AWB 01/352 en 01/353, <www.rechtspraak.nl>, LJN AE5934, 11 december 2003, AWB 02/1770, <www.rechtspraak.nl>, LJN AO1357 en 29 november 2005, AWB 04/944, <www.rechtspraak.nl>, LJN AU7837) is het moment van aangaan van verplichtingen in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling het moment waarop partijen het niet meer in hun macht hebben zelf te bepalen dat de overeenkomst geen doorgang vindt.

5.3 Het College overweegt dat appellanten na ondertekening van het orderformulier niet meer eenzijdig konden bepalen dat de opdracht voor levering van de bakwand met toebehoren geen doorgang zou vinden omdat zij geen invloed hadden op het al dan niet verkrijgen van de goedkeuring van de financiering. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat door ondertekening van het orderformulier, op 28 april 2005, tussen appellanten en D BV een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij appellanten de verplichting zijn aangegaan tot aankoop van een bakwand met toebehoren.

5.4 Het College stelt voorts vast dat voor zover appellanten bedoeld hebben te stellen dat door medewerkers van het Bureau Irwa het vertrouwen is gewekt dat de datum van goedkeuring van de financiering - 1 juni 2005 - als datum voor het aangaan van de verplichting zou worden aangemerkt, appellanten deze stelling in het beroepschrift niet hebben onderbouwd, terwijl dat wel op hun weg had gelegen. Het College acht derhalve onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat door medewerkers van het Bureau Irwa het vertrouwen is gewekt dat 1 juni 2005 als datum voor het aangaan van de verplichting zou gelden.

5.3 Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder terecht de verzoeken van appellanten om verklaringen van energieaftrek op grond van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.A. Voskamp