Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA2174

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/98 en 06/99
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2005:AV7349, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Regeling vaststelling eenmalig bedrag landelijke commerciële radio-omroep 2003

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Telecommunicatiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/115 met annotatie van AJB

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/98 en 06/99 4 april 2007

15306 Telecommunicatiewet

Regeling vaststelling eenmalig bedrag

landelijke commerciële radio-omroep 2003

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Sky Radio Ltd., te Londen (hierna: Sky),

gemachtigde: mr. M.B.W. Biesheuvel, advocaat te Den Haag,

2. BNR Nieuwsradio B.V., te Amsterdam (hierna: BNR),

gemachtigde: mr. P.A. Ruig, advocaat te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) van 21 december 2005, kenmerk TELEC 04/3881-WILD en TELEC 05/54-WILD, in de gedingen tussen Sky en BNR

en

de Minister van Economische Zaken (hierna: de minister),

gemachtigden: mr. A.J. Boorsma en mr. M.D. Hes, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Op 26 februari 2003 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken (thans en hierna: de minister) de Regeling vaststelling eenmalig bedrag landelijke commerciële radio-omroep 2003 (hierna: de regeling) vastgesteld (Stcrt. 2003, nr. 40, p. 37).

De tegen dit besluit door Sky en BNR bij afzonderlijke brieven van 7 april 2003 ingediende bezwaren zijn door de minister bij afzonderlijke besluiten van 29 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze besluiten hebben Sky en BNR bij brieven van respectievelijk 24 december 2004 en 6 januari 2005 beroepen ingesteld, die door de rechtbank in de bovengenoemde uitspraak van 21 december 2005, aan partijen toegezonden op 22 december 2005, ongegrond zijn verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Sky bij brief van 27 januari 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder nummer AWB 06/98.

BNR heeft bij brief van 30 januari 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, eveneens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Dit hoger beroep is geregistreerd onder nummer AWB 06/99.

Sky heeft de gronden van haar hoger beroep aangevuld bij brief van 30 januari 2006.

Bij brief van 2 maart 2006 heeft de minister een reactie op de hoger beroepschriften ingediend.

Op 18 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Partijen houdt in hoger beroep verdeeld de vraag of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de regeling een algemeen verbindend voorschrift is waartegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld, zodat de minister de bezwaren van Sky en BNR terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2 Artikel 3.3a, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) bepaalde ten tijde van belang dat, teneinde een optimaal gebruik van frequentieruimte te waarborgen, bij ministeriële regeling, met inachtneming van richtlijn nr. 97/13/EG, kan worden bepaald dat de verkrijger of houder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte voor een op grond van artikel 3.3, vijfde lid, bepaalde bestemming een eenmalig of periodiek bedrag verschuldigd is.

2.2.1 De regeling strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 3.3a, eerste lid, Tw. In de regeling is bepaald dat de verkrijger of houder van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte bestemd voor landelijke commerciële radio-omroep eenmalig een bedrag is verschuldigd. In de regeling is voorts de hoogte van de bedragen vastgesteld, die zijn gekoppeld aan de negen landelijke, geclausuleerde en ongeclausuleerde kavels bestemd voor commerciële radio-omroep. De vergunningen zijn verdeeld in de zogenoemde zero base-verdeling, overeenkomstig de bepalingen van de Regeling aanvraag en vergelijkende toets vergunningen commerciële radio-omroep 2003.

2.3 De rechtbank heeft naar het oordeel van het College terecht geoordeeld dat de regeling dient te worden aangemerkt als een besluit, houdende een algemeen verbindend voorschrift. In dit verband overweegt het College dat de regeling een betalingsverplichting in het leven roept, die niet in de Tw of een andere wettelijke regeling is vastgelegd. Een zodanige zelfstandige, extern werkende rechtsnorm kan uitsluitend door een algemeen verbindend voorschrift in het leven worden geroepen. Daarbij komt dat de in de regeling neergelegde voorschriften zich voor herhaalde toepassing lenen op een in beginsel onbepaalde kring van rechtssubjecten. Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat op grond van artikel 4a van de regeling ook na de eerste verdelingsronden een eenmalig bedrag kan worden opgelegd indien een vergunning voor landelijke commerciële radio-omroep wordt verleend. Tot slot zijn de krachtens de regeling aan de vergunninghouders verzonden facturen, anders dan Sky Radio en BNR Nieuwsradio hebben betoogd, geen loutere uitvoeringshandelingen die niet op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht, nu bij die facturen wordt vastgesteld dat de in de regeling neergelegde betalingsverplichting – die voordien slechts in algemene zin bestond – wordt opgelegd aan een bepaalde, met name genoemde belanghebbende, die voordien nog niet bekend was. Gelet op het voorgaande, stond tegen de regeling ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen bezwaar en beroep open.

2.4 Uit het vorenstaande volgt dat de hoger beroepen niet kunnen slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

w.g. C.J. Borman w.g. J.M.W. van de Sande