Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA1600

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/541 13 maart 2007

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

Microflown Technologies B.V., te Zevenaar, appellante,

gemachtigde: ir. A.A. Koers, directeur,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. I.A.N. Nieuwkerk, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 14 april 2006 heeft verweerder beslist op appellantes aanvraag voor een S&O-verklaring op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva). Daarbij heeft verweerder het voor de afdrachtvermindering te hanteren gemiddelde uurloon gesteld op € 20.

Bij besluit van 29 juni 2006 heeft verweerder het daartegen gericht bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 juli 2006, bij het College binnengekomen op 7 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 5 februari 2007 heeft appellante het College laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 8 februari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder bij gemachtigde is verschenen en zijn standpunt heeft toegelicht. Verweerders gemachtigde werd vergezeld door mr. M. Reuvenkamp.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Artikel 23 Wva bepaalde ten tijde hier van belang:

“1. Onze Minister van Economische Zaken verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.

2. De S&O-verklaring bevat:

(…)

d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.

(…)

4. Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in 2004 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2004 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, waarbij dit gemiddelde loon naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het kalenderjaar 2004 zodanig speur- en ontwikkelingswerk niet heeft verricht, wordt als gemiddelde uurloon genomen hetgeen hij naar verwachting in 2006 aan gemiddeld uurloon betaalt aan werknemers die het speur- en ontwikkelingswerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zullen verrichten met dien verstande dat geen hoger bedrag aan gemiddeld uurloon in aanmerking wordt genomen dan € 75. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken kunnen regels worden gesteld ter berekening van het gemiddelde uurloon.”

2.2 In de beslissing op bezwaar heeft verweerder overwogen dat appellante over 2004 een S&O-afdrachtvermindering heeft toegepast. Door het S&O-loon dat appellante in 2004 heeft gerealiseerd te delen door het aantal gerealiseerde S&O-uren en de uitkomst op een veelvoud van € 5 naar boven af te ronden, is een uurloon van € 20 berekend. De omstandigheid dat appellante in 2006 een aanmerkelijk hoger gemiddeld uurloon zal realiseren kan niet tot een andere beslissing leiden, aangezien de Wva slechts voor een specifieke groep bedrijven een uitzondering maakt op de regel dat het in 2004 gemiddeld betaalde S&O-loon de basis vormt voor de berekening van het uurloon in 2006. Dit is de groep bedrijven die in 2004 nog geen gebruik maakte van de afdrachtvermindering en dus ook niet in staat is een gemiddeld S&O-uurloon over 2004 op te geven. Deze groep moet een schatting maken. Aangezien appellante in 2004 wel gebruik heeft gemaakt van de afdrachtvermindering, geldt de uitzondering niet voor haar.

2.3 Appellante voert tegen dit besluit aan dat het thans door verweerder vastgestelde S&O-uurloon niet realistisch is, aangezien het uurloon in 2004 was gebaseerd op stagevergoedingen voor studenten. Deze hebben hun studie inmiddels afgerond en waren in 2006 in dienst tegen een normaal salaris. Het gemiddelde uurloon in 2006 bedraagt € 35. Appellante is van mening dat verweerder moet handelen in de geest van de wet, namelijk het bestrijden van uitwassen bij de bepaling van de S&O-loonkosten, en niet naar de letter van de wet. Het afgeven van een beschikking met een uurloon van € 20 en het volharden daarin is een ontkenning van de werkelijkheid. De wetgever kan dit nooit zo bedoeld hebben. Appellante voelt zich afgestraft in vergelijking met bedrijven die in 2004 nog geen salaris konden betalen. Appellante betaalt in 2006 niet zozeer een hoger loon, als wel salaris in plaats van stagevergoedingen.

2.4 Het College overweegt dienaangaande dat de berekening van het gemiddelde uurloon voortvloeit uit artikel 23, vierde lid, Wva. Het gemiddelde uurloon wordt blijkens deze wetsbepaling gesteld op het uurloon dat het bedrijf in 2004 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2004 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Vast staat dat appellante in 2004 een S&O-verklaring heeft verkregen, en over dat jaar een gemiddeld uurloon van € 20 heeft betaald. Niet is gebleken dat de gemaakte berekening van het uurloon niet volgens de wettelijke criteria is geschied of anderszins onjuist is, zodat moet worden geoordeeld dat verweerders beslissing berust op een juiste grondslag. Verweerder is gebonden aan de wijze van berekening zoals die in voornoemd artikellid is voorgeschreven, en is – gelet op de strikte formulering van de bepaling – niet bevoegd om hiervan af te wijken. Dat de toepassing van genoemde wetsbepaling voor appellante tot nadelige gevolgen leidt, maakt niet dat het verweerder is toegestaan een van deze strikte wetsbepaling afwijkende methode van berekening te hanteren.

2.5 Het beroep van appellante op de strekking van de wet en de bedoeling van de wetgever kan niet slagen, aangezien uit de totstandkoming van artikel 23, vierde lid, Wva blijkt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de vereenvoudiging van de wijze van berekening van het uurloon, zoals neergelegd in genoemde bepaling, zou kunnen betekenen dat bedrijven in 2006 een hoger gemiddeld uurloon zouden betalen dan waarvoor zij een S&O-verklaring zouden krijgen, en deze consequentie heeft aanvaard.

2.6 Voor zover appellante een beroep heeft willen doen op de uitzondering in de tweede volzin van artikel 23, vierde lid, Wva kan dit beroep evenmin slagen, aangezien deze uitzondering uitsluitend geldt voor het geval in 2004 geen S&O-verklaring is afgegeven en dientengevolge geen aanknopingspunten bestaan voor een berekening van het gemiddelde uurloon, om welke reden wordt uitgegaan van het geschatte gemiddelde uurloon over 2006.

2.7 Voor zover appellante met haar stelling dat zij in 2004 stagevergoedingen betaalde en in 2006 salaris heeft willen betogen dat in 2004 geen sprake was van een uurloon in de zin van artikel 23, vierde lid, Wva overweegt het College dat deze vergoedingen – op aanvraag van appellante – voor de vermindering van de loonafdracht over het jaar 2004 als loon zijn aangemerkt. Aangezien het karakter van bedoelde vergoedingen wordt bepaald door de toepasselijke (belasting)regelgeving staat het appellante niet vrij aan deze vergoedingen achteraf naar eigen inzichten een andere kwalificatie te geven. Gelet hierop kan appellantes betoog dat de stagevergoedingen in 2004 geen loon waren, niet worden aanvaard.

2.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Voor veroordeling tot vergoeding van de proceskosten op voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Borgesius, in tegenwoordigheid van

mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Graefe