Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA0998

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/82
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/82 12 maart 2007

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 januari 2006, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 december 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen drie besluiten van 1 augustus 2005, waarbij verweerder zijn eerdere besluiten op aanvragen akkerbouwsteun over de jaren 2001, 2002 en 2003 van appellant in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft herzien en reeds uitbetaalde steun heeft teruggevorderd.

Bij brief van 23 februari 2006 heeft appellant de gronden voor zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 19 april 2006 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 september 2006 heeft appellant een contra-expertiserapport van NEO, Netherlands Geomatics & Earth Observation B.V. te Amersfoort (hierna: NEO), overgelegd.

Op 14 februari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en “herstructureringsprogramma” de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijdrage staat:

“Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(…)

3. Is evenwel opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte gedaan, dan wordt het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van:

a) de betrokken in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregeling voor het betrokken kalenderjaar, en

b) bij opzettelijk onjuiste aangifte, alle in artikel 1, lid l, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.

(…)

Artikel 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (…)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 32

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(...)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in zijn aanvraag oppervlakten 2004 onder meer de maïspercelen 10 van 1.50 ha en 11 van 1.00 ha opgegeven voor akkerbouwsteun.

- Op basis van een teledetectieonderzoek heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, op 17 september 2004 aan verweerder gerapporteerd dat genoemde percelen niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoen. Zij waren gedurende de referentiejaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik. Verweerder heeft deze bevindingen van GeoRas overgenomen bij zijn beslissing op de aanvraag 2004.

- Dezelfde twee percelen heeft appellant eerder, als perceelnummer 11 met een oppervlakte van 2.50 ha, opgegeven in zijn aanvraag oppervlakten 2001 en 2002. In zijn aanvraag 2003 heeft hij deze percelen onder de volgnummers 10 (oppervlakte 1.50 ha) en 11 (oppervlakte 1.00 ha) opgegeven.

- Dit gegeven was voor verweerder aanleiding om bij drie besluiten van 1 augustus 2005 zijn eerdere besluiten op de aanvragen 2001, 2002 en 2003 te herzien.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder perceel 11 alsnog als niet geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte maïs en de geconstateerde oppervlakte maïs dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte, meer dan 20% bedraagt. Met toepassing van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 is daarom in de gewasgroep maïs geen steun toegekend. Verweerder heeft daarom de reeds betaalde steun ad € 3239,54 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder perceel 11 alsnog als niet geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte maïs en de geconstateerde oppervlakte maïs dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte, meer dan 20% bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is daarom in de gewasgroep maïs geen steun toegekend. Verweerder heeft daarom de reeds betaalde steun ad € 2942,81 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2003 heeft verweerder de percelen 10 en 11 alsnog als niet geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte maïs en de geconstateerde oppervlakte maïs dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte, meer dan 20% bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is daarom in de gewasgroep maïs geen steun toegekend. Verweerder heeft daarom de reeds betaalde steun ad € 2857,26 teruggevorderd.

- Bij drie brieven van 9 september 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen deze terugvorderingsbesluiten.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 12 december 2005 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie daarvan door GeoRas is gebleken dat de in rubriek 2.2 van deze uitspraak genoemde percelen uit de aanvragen oppervlakte 2001 2002 en 2003 in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 met gras beteeld zijn geweest en dus niet voldoen aan de definitie akkerland.

Om de interpretatie van de satellietbeelden te weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste.

Appellant heeft in zijn bezwaarschrift aangevoerd er van overtuigd te zijn dat op de bewuste percelen maïs heeft gestaan. In het aanvullend bezwaar heeft hij aangegeven dat er mogelijk andere gewassen hebben gestaan en tijdens de hoorzitting heeft hij aangegeven dat er mogelijk sprake is geweest van een kunstweide. Voor geen van deze stellingen heeft appellant enig nader bewijs geleverd.

Bij een onderzaai van gras onder de maïs vindt, anders dan appellant veronderstelt, geen verstoring van de op satellietbeelden waarneembare kleuren plaats. In het groeiseizoen laat de maïs immers weinig licht door, waardoor het gras laag blijft.

Een kunstweide is gelijk te stellen met tijdelijk grasland. Tijdelijk grasland is grasland dat in de vruchtwisseling is opgenomen en dat bestemd is binnen vier tot vijf jaar te worden gescheurd. Blijvend grasland is grasland dat niet in de vruchtwisseling is opgenomen en dat niet bestemd is om binnen vier tot vijf jaar te worden gescheurd. Nu uit de analyse van GeoRas is gebleken dat de percelen in de gehele referentieperiode grasland waren is er geen sprake van dat de percelen deel uitmaakten van een normale vruchtwisseling. Door appellant is niets aangevoerd dat wijst op de aanwezigheid van tijdelijk grasland.

Daarenboven meent verweerder dat pas dan niet langer van blijvend grasland kan worden gesproken als het gras feitelijk verdwenen is.

De omstandigheid dat appellant de bewuste percelen pas in 2001 in gebruik heeft genomen en van de vorige eigenaar de - niet met bewijsstukken onderbouwde - verzekering heeft gekregen dat het om premiewaardige percelen zou gaan in combinatie met het gegeven dat het volgens appellant niet meer mogelijk is om bewijsstukken uit de referentieperiode te vergaren, maakt niet dat appellant zich met succes op de afwezigheid van schuld kan beroepen. Het is immers aan de aanvrager om zich er, alvorens hij steun aanvraagt, van te overtuigen dat het om een steunwaardig perceel gaat.

Voorzover appellant zich beroept op het ontstaan van vertrouwen, omdat verweerder in het verleden aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor aanvankelijk de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft geaccepteerd, meent verweerder dat dit er niet aan de in de weg staat dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden verweerder om terug te komen van eerdere besluiten.

Op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, in combinatie met artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, respectievelijk op grond van artikel 32 in samenhang met artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, is verweerder verplicht de onverschuldigd betaalde steunbedragen terug te vorderen. Daarvan kan hij slechts afwijken als de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd. Van een dergelijke fout is hier geen sprake. De opgelegde sancties zijn door het Hof van Justitie der Europese gemeenschappen ( hierna: het Hof) niet onevenredig bevonden.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de contra-expertise van NEO vermeldt dat analyse van de originele beelden van de jaren 1987, 1988 , 1989 en 1990 geen aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen dan die welke GeoRas heeft genomen. Ten aanzien van het jaar 1991 geeft het rapport aan dat de beelden te weinig houvast bieden om van de graslandhypothese af te wijken.

De grondslag voor de terugvorderingen is, aldus verweerders gemachtigde ter zitting, gelegen in de bepalingen van Verordening (EG) nr. 3887/292 voor het jaar 2001 en in de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor de jaren 2002 en 2003.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

De bewuste percelen hebben eind 1991 zwart gelegen met het oog op de teelt van een akkerbouwgewas in het voorjaar 1992. Ten onrechte heeft verweerder daarom nagelaten een voorjaarsbeeld van 1992 bij zijn beoordeling te betrekken. Eveneens heeft verweerder ten onrechte nagelaten een beeld van het najaar van 1986 te bestuderen.

Uit een door het bureau NEO uitgevoerde contra-expertise blijkt dat niet is aangetoond dat in 1987 gedurende het groeiseizoen op de percelen sprake was van blijvend grasland. Daarvoor is het immers noodzakelijk dat ook een beeld van vóór 5 juli 1987 beschikbaar is; dit is niet het geval.

Onderzaai van gras bij maïs maakt het niet mogelijk om op de satellietbeelden na de maïsoogst kale grond vast te stellen.

Ten onrechte heeft verweerder nagelaten aan te geven op grond van welke juridische en /of landbouwkundige overwegingen geen sprake is van een onderbreking in de aanwezigheid van blijvend grasland, nu gesteld is dat sprake is geweest van een kunstweide.

Een behoorlijke onderbouwing van de stelling dat appellant geen beroep kan doen op de afwezigheid van schuld, zoals aangegeven in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, heeft verweerder niet gegeven.

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat in de bestreden beschikking in strijd met artikel 3;47, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de grondslag voor de terugvordering niet is aangegeven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder is op basis van analyse van satellietbeelden door GeoRas tot het oordeel gekomen dat 2.5 ha akkerland, opgegeven als één perceel in de aanvragen 2001 en 2002 en als twee percelen in de aanvraag 2003, in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik is geweest.

Zoals het College reeds meerdere malen heeft uitgesproken is het dan aan de aanvrager om aan te tonen dat de beelden onjuist zijn geïnterpreteerd en uitwijzen dat er wel sprake is geweest van gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999. Daarnaast kan een aanvrager aan de hand van perceelsgebonden bewijs aantonen dat het betreffende perceel wel steunwaardig is.

5.2 Met verwijzing naar het rapport van NEO heeft appellant betoogd dat op basis van satellietbeelden van 5 juli 1987 en 18 oktober 1987 niet met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat er in de periode tot 5 juli 1987 sprake is geweest van blijvend grasland.

Het College stelt dienaangaande allereerst vast dat NEO, met een correctie op de bewerkingen van GeoRas, op 5 juli 1987 een volwaardige grasmat op het perceel heeft waargenomen.

Het College meent dat zulks niettemin op zich de mogelijkheid niet geheel uitsluit dat er vóór 5 juli geen sprake was van blijvend grasland. In dit verband heeft appellant echter geen enkele concrete aanwijzing gegeven omtrent de aanwezigheid van een ander gewas dan gras voor deze datum. Het enkel poneren van deze mogelijkheid acht het College niet voldoende om verweerders conclusie dat er voor 5 juli 1987 niet aanwijsbaar sprake was van gebruik anders dan als grasland te passeren.

Van appellant mag verwacht worden dat hij tenminste met aanwijzingen komt omtrent de aard van het gewas dat er volgens hem voor die datum zou hebben gestaan.

5.3 Het College merkt vervolgens op dat appellant tijdens de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar tegen het besluit op de aanvraag 2004 op 9 mei 2005 verklaard heeft er niet aan te twijfelen dat er in de referentiejaren sprake was van blijvend grasland. Naar aanleiding van de hier bestreden besluiten tot terugvordering is appellant vervolgens met niet door nadere stukken onderbouwde stellingen gekomen dat er mogelijk sprake is geweest van maïs met als ondergewas gras of groene braak. Reeds door de afwezigheid van concrete aanwijzingen voor de juistheid van deze veronderstellingen en doordat geen jaren zijn genoemd is appellant er niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de betrokken percelen in de referentieperiode op enig moment anders dan als grasland in gebruik waren. Daar komt bij dat appellant de percelen pas is gaan gebruiken in 2001. Het ontbreken van een verklaring van de voormalig eigenaar, die een van de veronderstellingen van appellant ondersteunt, maakt deze hypotheses niet concreter.

De stelling dat er gedurende de referentieperiode mogelijk sprake is geweest van een kunstweide is evenmin met een nader bewijsstuk onderbouwd, terwijl ook niet is aangegeven in welk jaar daarvan dan sprake zou zijn geweest. Gelet op de uitspraak van het Hof van 16 september 2004 inzake Gschossmann (zaak C-366/02) gaat het College er voorts van uit, dat een perceel slechts bij een aanwijsbare fysieke verandering het karakter van blijvend grasland kan verliezen.

5.4 Appellant heeft verder aangevoerd dat de percelen in het najaar van 1991 zwart hebben gelegen met het oog op de inzaai van een akkerbouwgewas in 1992. Deze grief kan niet slagen.

Deze stelling van appellant is niet met nadere gegevens onderbouwd. Daarmee ontbreekt iedere aanwijzing dat het perceel na de beelden van 29 oktober en 30 november 1991 inderdaad zwart heeft gelegen. Daarenboven is op het door verweerder overgelegde satellietbeeld van 15 mei 1992 duidelijk te zien dat toen sprake was van grasland.

Appellant heeft niets aangevoerd op grond waarvan de door hem gewenste bestudering van satellietbeelden uit het, buiten de referentieperiode gelegen, jaar 1986 zinvol zou kunnen zijn.

5.5 In artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat ook van toepassing is op jaren vóór 2002, is onder andere bepaald dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

Het College acht het, zoals reeds meermalen is overwogen, denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden verkregen heeft, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van deze bepaling aan oplegging van een sanctie kan ontkomen.

Appellant heeft dergelijke bescheiden niet overgelegd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, samengevat, aangegeven dat van een aanvrager van steun verwacht mag worden dat hij zich, voordat hij een perceel voor steun opgeeft, terdege vergewist van de steunwaardigheid daarvan. Nu dat kennelijk niet gebeurd is kan hij niet met succes een beroep op genoemd artikel 44 doen. Daarmee heeft verweerder, conform de vaste jurisprudentie van het College, voldoende gemotiveerd waarom het beroep op dit artikel niet kan slagen.

5.6 Ten onrechte meent appellant dat in het bestreden besluit de grondslag voor de terugvordering ontbreekt. In het bestreden besluit staat onder meer de volgende zinsnede:

“Uw stelling in uw bezwaarschrift dat een terugvordering over voorgaande jaren disproportioneel is acht ik onjuist. Indien is vastgesteld dat dat de betreffende perecelen niet voldoen aan de voorwaarden van de regeling volgt rechtstreeks uit Verordening (EEG) nr. 3887/92 en Verordening (EG) nr. 2419/2001 dat de onterecht betaalde steun moet worden terggevorderd”

In een bijlage bij het bestreden besluit met als kop “Regelgeving en verordeningen” worden vervolgens onder meer de artikelen 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 geciteerd.

Het College meent dat hiermee in het bestreden besluit en de daarbij behorende bijlage de grondslag voor de bestreden terugvorderingen genoegzaam ia aangeduid.

5.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas