Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA0939

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/340 en 05/341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/340 en 05/341 1 maart 2007

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

B Logistics B.V., te Y, appellante,

gemachtigde: mr. B.V. van der Sluis, advocaat te Zeist,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. G. Baarsma en mr. R. Volkers, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brieven van 23 mei 2005, bij het College op die dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 14 april 2005 (kenmerk ZJ5160549.SO/2.6c en ZJ5160553.SO/2.6c).

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de wijziging van twee verklaringen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: S&O-verklaring) over het jaar 2002 en 2003.

Bij brieven van 20 juli 2005 heeft appellante de gronden van de beroepen ingediend.

Bij brief van 7 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 24 november 2006 heeft verweerder desgevraagd aanvullende stukken overgelegd.

Op 7 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen M.J.J. Bos. Namens appellante is tevens verschenen A, directeur van A Beheer B.V., de bestuurder van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) luidde ten tijde en voorzover hier van belang:

"Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. (…)

7. Een S&O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring. Een S&O-verklaring kan tevens worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

(…)

Artikel 25

De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven."

De Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften S&O-vermindering (hierna: Uitvoeringsregeling) luidde ten tijde en voorzover hier van belang:

" Artikel 2

De S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven dient een zodanige administratie bij te houden dat daaruit uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin werkzaamheden zijn verricht waarop de verklaring betrekking heeft op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:

a. de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. het aantal uren dat de betrokken werknemers, dan wel de betrokken S&O-belastingplichtige aan het verrichte speur- en ontwikkelingswerk per project hebben besteed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een adviesbureau voor logistieke systemen. De kernactiviteit van het bedrijf is het bedenken van creatieve oplossingen voor logistieke problemen bij productie- en distributiebedrijven in Nederland.

- Verweerder heeft in maart 2001 aan alle S&O-ontvangers, onder wie appellante, een mailing gestuurd over de administratieve voorschriften in verband met het gebruik van de WBSO (Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) waarin, onder meer, het volgende is vermeld.

"Het is erg belangrijk dat u, conform de wettelijke eisen, een goede uren- en projectadministratie bijhoudt als u van de WBSO gebruik maakt. Doet u dit niet, dan loopt u het risico dat Senter de beschikking (gedeeltelijk) intrekt, en/of dat de Belastingdienst u correcties en eventueel boetes oplegt.

Senter en de Belastingdienst toetsen uw uren- en projectadministratie aan de volgende criteria:

(…)

Uit een goede projectadministratie kunnen per (deel-)project op eenvoudige wijze worden herleid:

• de aard en de inhoud van de werkzaamheden;

• de voortgang en de resultaten van de werkzaamheden, gerelateerd aan doel, fasering en tijdsplanning."

Een projectadministratie mag worden opgebouwd uit rapportages en andere gedateerde documenten, die u in de onderneming beschikbaar hebt. Bundelt u deze in een map, met duidelijke referenties naar het betreffende (deel-) projectnummer en met korte, duidelijke samenvattende rapporten. (…)"

- Appellante heeft op 30 november 2001 voor het jaar 2002 een S&O-verklaring aangevraagd, waarop verweerder bij beschikking van 21 maart 2002 positief heeft beslist en een verklaring voor een afdrachtvermindering van maximaal

€ 23.390,00 heeft afgegeven.

- Appellante heeft op 29 november 2002 voor het jaar 2003 een S&O-verklaring aangevraagd, waarop verweerder bij beschikking van 13 maart 2003 positief heeft beslist en een verklaring voor een afdrachtvermindering van maximaal

€ 16.837,00 heeft afgegeven.

- Bij brief van 8 april 2004 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek bij appellante en A Beheer B.V. SenterNovem verzocht te beoordelen in hoeverre de geclaimde S&O-uren, gezien de gevoerde projectadministratie, geaccepteerd kunnen worden.

- Bij brief van 20 september 2004 heeft verweerder appellante bevestigd dat op 23 september 2004 een bedrijfsbezoek zal worden afgelegd teneinde inzicht te krijgen in de projecten en de uren- en projectadministratie in te zien.

- Uit het verslag van het bedrijfsbezoek blijkt het volgende. Appellante en A Beheer B.V zijn in de jaren 1996, 1997 en 1998 gecontroleerd door Senter zonder dat er opmerkingen of terugkoppelingen zijn gemaakt omtrent de volledigheid van de overgelegde projectadministratie. Het bedrijf beschouwt zichzelf als denktank waar na het uitvoeren van brainstormsessies concepten voor pasklare logistieke oplossingen worden gemaakt. De werknemers zijn systeemdenkers die veel gebruik maken van het whiteboard. Het eindresultaat wordt vastgelegd in een concepttekening.

- Bij brief van 24 september 2004 heeft appellante SenterNovem nog enkele stukken nagezonden.

- Bij besluit van 29 december 2004 heeft verweerder de voor het jaar 2002 afgegeven S&O-verklaring ingetrokken en een nieuwe S&O-verklaring afgegeven met een maximale afdrachtvermindering van € 17.673,00 op de grond dat voor 3 projecten geen projectadministratie is bijgehouden en dat de werkzaamheden van mevrouw C geen S&O-werkzaamheden, maar secretariële werkzaamheden betroffen.

- Tevens bij besluit van 29 december 2004 heeft verweerder de voor het jaar 2003 afgegeven S&O-verklaring ingetrokken en een nieuwe S&O-verklaring afgegeven met een maximale afdrachtvermindering van € 13.300,00 op de grond dat voor 2 projecten geen projectadministratie is bijgehouden.

- Bij brieven van 4 februari 2005 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 17 maart 2005 is appellante gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen.

Verweerder heeft in de omstandigheid dat na het uitvoeren van een drietal controlebezoeken in de jaren 1996 – 1998 geen opmerkingen zijn gemaakt omtrent de volledigheid van de toen overgelegde projectadministratie aanleiding gezien om genoegen te nemen met een zeer summiere projectadministratie, te weten de aanwezigheid van een enkel technisch document dat op eenvoudige wijze aan het betreffende project kan worden gerelateerd. Hieraan wordt ten aanzien van een aantal projecten niet voldaan. Verweerder meent dat hij daarmee een redelijke invulling heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot het wijzigen van afgegeven S&O-verklaringen. Voor zover appellante in bezwaar heeft betoogd dat tijdens de voorgaande bedrijfsbezoeken de afgegeven S&O-verklaring in stand is gelaten terwijl met betrekking tot het betreffende project geen enkel document kon worden overgelegd waaruit de technisch inhoudelijke voortgang van het project in de betreffende periode blijkt, acht verweerder dat niet aannemelijk omdat het niet strookt met de Wet en Uitvoeringsregeling noch met de wijze waarop hij deze regelgeving in de praktijk ten uitvoer brengt. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel te honoreren.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep primair aangevoerd dat ook met betrekking tot de projecten ten aanzien waarvan de S&O-verklaring is gewijzigd aan de door verweerder gestelde eisen met betrekking tot een – summiere – projectadministratie is voldaan. Zij heeft een aantal stukken overgelegd die betrekking hebben op deze projecten.

Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat de uitkomst van eerdere onderzoeken bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat een op gelijke wijze gevoerde projectadministratie voldoet voor de toekenning van de S&O-verklaringen in latere jaren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geschil staat centraal de vraag of verweerder zijn besluiten tot wijziging van de S&O-verklaringen voor 2002 en 2003 op goede gronden heeft gehandhaafd. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 25 Wva juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling dient de S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, een zodanige projectadministratie bij te houden dat daaruit, voor zover hier van belang, de aard en inhoud van het verrichtte speur- en ontwikkelingswerk op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden. Het College is met verweerder van oordeel dat uit de – in het procesdossier aanwezige – stukken die appellante tijdens het controlebezoek heeft overgelegd en de bij brief van 24 september 2004 nagezonden stukken de aard en de inhoud van de verrichtte S&O-activiteiten niet kan worden afgeleid. Met betrekking tot de ingetrokken projecten bevat de projectadministratie geen relevante technische documenten die aan de tijdvakken 2002 – 2003 kunnen worden toegewezen. Summiere schetsen zonder datum zijn hiervoor onvoldoende.

De stukken uit de projectadministratie die appellante pas in beroep heeft overgelegd, dienen bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing te blijven aangezien het bepaalde in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling een belemmering vormt deze informatie alsnog in aanmerking te nemen. Op grond van dat artikel had de administratie uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd, aanwezig moeten zijn.

Uit het voorgaande volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de uit artikel 25 Wva voortvloeiende administratieverplichting, zodat verweerder op grond van artikel 24, zevende lid, Wva in beginsel bevoegd was tot wijziging of intrekking van de S&O-verklaringen.

5.5 Met betrekking tot het betoog van appellante dat de uitkomst van eerdere onderzoeken bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat een op gelijke wijze gevoerde projectadministratie voldoet voor de toekenning van de S&O-verklaringen in latere jaren overweegt het College het volgende.

Het College heeft geen aanleiding om de stelling van appellante dat zij haar projectadministratie in de jaren 1999 – 2002 niet anders heeft ingericht dan in de jaren 1996 – 1998 niet te volgen. Het College acht hierbij mede van belang dat de aard van de bedrijfsvoering van appellante niet is veranderd. Het bedrijf is gericht op het vinden van oplossingen. Kenmerkend voor die bedrijfsvoering is dat veel denkwerk wordt verricht en overleg wordt gevoerd om te bezien of te bepalen of bepaalde ideeën überhaupt het stadium van idee kunnen ontstijgen. Senter heeft in de jaren 1996 – 1998 bij bedrijfsbezoeken aan appellante geen aanleiding gezien op- of aanmerkingen met betrekking de gevoerde projectadministratie te maken.

In maart 2001 heeft verweerder evenwel aan alle S&O-ontvangers, onder wie appellante, een mailing gestuurd waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op het belang van een goede projectadministratie en welke eisen daaraan worden gesteld. Naar het oordeel van het College heeft verweerder hiermee zijn verdergaande eisen meer specifiek aan appellante kenbaar gemaakt. Voor zover het appellante op dat moment niet duidelijk was dat haar administratie mogelijk niet voldeed aan de eisen van die aan een goede projectadministratie worden gesteld, had deze mailing voor appellante op zijn minst aanleiding behoren te vormen om bij verweerder te verifiëren of de administratie zoals door appellante gevoerd aan de eisen van verweerder voldeed. Voor zover appellante gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen aan de eerdere controles kon daarvan na kennisneming van eerdergenoemde mailing redelijkerwijs geen sprake meer zijn.

5.4 Het College is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de S&O-verklaringen gebruik had mogen maken.

5.5 De beroepen zijn derhalve ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. B. Verwayen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Graefe