Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BA0930

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/494 1 maart 2007

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te B, appellant, van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 25 april 2006, met kenmerk A 289,

gemachtigde: P.Th. Stoele RA, management consultant te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brief van 25 april 2006 heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn beslissing van diezelfde datum gegeven op een klacht, op 23 augustus 2005 ingediend door appellant tegen C AA, kantoorhoudende te D (hierna: betrokkene).

Bij een op 19 juni 2006 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brieven van 27 juni 2006 en 29 juni 2006 stukken als bedoeld in het in titel IV opgenomen artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief ingekomen op 12 september 2006 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift. Bij deze gelegenheid heeft hij tevens (incidenteel) beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de raad van tucht.

Op 11 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar aanwezig waren appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, en betrokkene, bijgestaan door, mr. M.H.T. Coumans, als juridisch medewerker werkzaam bij De Gier Stam & Advocaten te Utrecht.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 11 januari 2007, door het College ontvangen op 12 januari 2007, – kort gezegd – bericht dat hij met hetgeen door hem ter zitting is verklaard niet heeft bedoeld het eerder door hem ingenomen standpunt dat betrokkene artikel 19 van de Gedrags- en beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: GBAA) heeft geschonden, in te trekken. Bij griffiersbrief van 16 januari 2007 is appellant – kort gezegd – bericht dat het College dit standpunt in de beoordeling zal betrekken. Aan betrokkene is bij brief van 16 januari 2007 afschrift van evenbedoelde brieven toegezonden.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht van appellant ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College zal eerst oordelen over het incidentele beroep dat betrokkene heeft ingesteld bij zijn reactie op het beroepschrift van appellant.

Betrokkene beoogt blijkens deze reactie beroep in te stellen tegen de afwijzende beslissing van de raad van tucht op het verzoek van betrokkene te overwegen of ambtshalve moet worden onderzocht of een bezwaar tegen appellant in behandeling moet worden genomen. Ingevolge het in titel IV opgenomen artikel 68, eerste lid, Wet AA bedraagt de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de raad van tucht twee maanden. De Wet AA voorziet niet in de mogelijkheid om na het verstrijken van deze termijn beroep in te stellen, ook niet bij wege van incidenteel beroep. De reactie van betrokkene dateert van 12 september 2006, terwijl de raad van tucht op 25 april 2006 heeft beslist. Het beroep is derhalve na ommekomst van de termijn van twee maanden ingesteld. Gelet hierop is het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk.

Voorzover betrokkene heeft willen betogen dat het College dient te onderzoeken of ambtshalve een bezwaar tegen appellant in behandeling moet worden genomen merkt het College het volgende op. Het in titel IV opgenomen artikel 62 Wet AA, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de raad van tucht een tegen een Accountant-Administratieconsulent gerezen bezwaar ambtshalve in behandeling neemt, is niet in het in titel IV opgenomen artikel 72 Wet AA van overeenkomstige toepassing verklaard op het rechtsgeding voor het College, terwijl ook overigens de wet geen steun biedt voor een opvatting als door betrokkene voorgestaan. Het betoog faalt derhalve ook in zoverre.

3.2 Voorts dient het College, alvorens over te gaan tot de beoordeling van het beroep van appellant, te oordelen over de in verweer betrokken stelling dat het College dit beroep reeds vanwege misbruik van recht niet-ontvankelijk zou moeten verklaren.

Het College verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Blijkens het in titel IV opgenomen artikel 51, eerste lid, Wet AA heeft de tuchtrechtspraak ten doel het weren en beteugelen van misslagen van Accountants-Administratieconsulenten in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand der Accountants-Administratieconsulenten. Dit doel van de tuchtrechtspraak dient te worden aangemerkt als een algemeen belang, dat niet samenvalt met een persoonlijk belang van degene die de klacht indient. Dit volgt ook uit het reeds genoemde in titel IV opgenomen artikel 62, eerste lid, Wet AA, welke bepaling voorziet in de mogelijkheid een tegen een Accountant-Administratieconsulent gerezen bezwaar ambtshalve in behandeling te nemen. Gelet op het algemeen belang bij de mogelijkheid het optreden van een Accountant-Administratieconsulent in het maatschappelijk verkeer te toetsen aan de specifiek voor dit optreden geldende normen, kan naar het oordeel van het College van oneigenlijk gebruik of misbruik van het klachtrecht niet snel sprake zijn. In ieder geval is daar in deze zaak niet van gebleken.

3.3 Met betrekking tot de grief van appellant dat de raad van tucht de klacht te beperkt heeft opgevat en daardoor niet volledig op de klacht heeft beslist overweegt het College als volgt.

Het College stelt voorop dat ingevolge het in titel IV opgenomen artikel 66, eerste lid, Wet AA de beslissing van de raad van tucht, op straffe van nietigheid, met redenen dient te zijn omkleed. De motivering moet enerzijds zowel de betrokken accountant als de klager voor de raad van tucht in staat stellen hun rechten te verdedigen en moet anderzijds het College in staat stellen zijn rechterlijke taak te vervullen. Deze verplichting brengt mee dat de raad van tucht moet reageren op de essentie van de klacht, zonder dat evenwel op ieder detail behoeft te worden ingegaan.

Het College stelt vervolgens vast dat appellant in zijn klaagschrift van 23 augustus 2005 onder de rubriek ‘Inhoud van de klacht tegen C’ de klacht heeft onderverdeeld in: A. Het plegen van omzetfraude; B. Fraude met de aangiften vennootschapsbelasting van E B.V.; C. Vertragen van financiële afwikkeling van E B.V.; D. Niet voldoen aan bewaarplicht van 7 jaar; E. Foutieve/frauduleuze processtukken; F. Functioneren als aandeelhouder van E B.V. Voorts stelt het College vast dat de raad van tucht de klacht in rubriek 3 van de bestreden tuchtbeslissing aldus heeft samengevat dat betrokkene de eer van de stand van accountants heeft geschonden door geen medewerking te verlenen aan de financiële afwikkeling van het samenwerkingsverband tussen hem en klager (appellant) en door frauduleus te handelen. Vervolgens heeft de raad van tucht de aldus door hem samengevatte klacht in rubriek 5 van de bestreden tuchtbeslissing beoordeeld. Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht hiermede op de essentie van de door appellant geformuleerde klacht beslist. Weliswaar betoogt appellant in beroep dat de klacht tevens inhoudt dat betrokkene de eer van de stand heeft geschonden doordat hij appellant bewust zou hebben benadeeld en appellant zou hebben opgescheept met een liquiditeitsprobleem, maar de raad van tucht heeft dit niet hoeven opvatten als behorend tot de essentie van de klacht. Appellant heeft de klacht jegens betrokkene blijkens de hiervoor weergegeven rubriek ‘Inhoud van de klacht’ immers zelf toegespitst op de hiervoor weergegeven klachtonderdelen A tot en met F. Uit deze klachtonderdelen blijkt niet dat appellant een afzonderlijk verwijt maakt de eer van de stand te hebben geschonden doordat betrokkene appellant bewust zou hebben benadeeld en appellant zou hebben opgescheept met een liquiditeitsprobleem. Voorzover appellant hierover in beroep bij het College heeft willen klagen moet worden geoordeeld dat ingevolge vaste rechtspraak van het College een klacht niet eerst in beroep bij het College kan worden uitgebreid.

De grief van appellant faalt derhalve.

3.4 In zijn grief, gericht tegen rechtsoverweging 5.2 van de bestreden tuchtbeslissing, betoogt appellant dat het gewraakte handelen van betrokkene meer behelst dan alleen een interne kwestie tussen appellant en betrokkene, omdat daar ook derden bij betrokken zijn. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Voorzover appellant hiermee beoogt te betogen dat betrokkene terzake van het gewraakte handelen als (openbaar) accountant is opgetreden moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt. De raad van tucht heeft terecht geoordeeld dat de klacht moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het tussen appellant en betrokkene spelende conflict rond de afwikkeling van hun samenwerkingsverbanden. Dat anderen daar indirect bij betrokken zijn, maakt dat niet anders. Het College is dan ook van oordeel dat betrokkene in dit conflict niet is opgetreden als (openbaar) accountant. Derhalve zijn de hoofdstukken III en IV van de GBAA niet van toepassing op het handelen van betrokkene en is derhalve enkel de vraag aan de orde of betrokkene door zijn optreden de eer van de stand der accountants-administratieconsulenten heeft geschaad (artikel 5 GBAA).

Het College volgt appellant niet in diens betoog dat artikel 19 GBAA wel van toepassing is. Weliswaar heeft appellant betoogd dat betrokkene deze bepaling heeft geschonden omdat hij de urenverantwoording niet zou hebben kunnen overleggen, maar het College acht het aannemelijk dat deze urenverantwoording betrekking heeft op de interne administratie van betrokkenes kantoor. Blijkens klachtonderdeel D van het klaagschrift gaat het immers om: urenlijsten over de maand juni 2001 van Niehorster & Leeuwis B.V., maandoverzichten productiviteit – versus improductiviteit per medewerker, OHW-lijst per relatie, dienende als basis voor de facturering over de maand juni 2001 en overige financiële bescheiden die niet zijn overhandigd. Evenbedoelde urenverantwoording ziet derhalve op de interne organisatie van het kantoor van appellant en betrokkene, zodat artikel 19 GBAA reeds om die reden hier niet toepassing is.

Het College is voorts met de raad van tucht van oordeel dat, aangezien het conflict tussen appellant en betrokkene een zakelijk conflict betreft tussen twee accountants en dit conflict niet rechtstreeks betrekking heeft op het functioneren van de accountant in het maatschappelijk verkeer, de eer van de stand van accountants niet snel in het geding zal zijn.

3.5 Met betrekking tot de grief van appellant tegen de ongegrondverklaring van de klacht(onderdelen) door de raad van tucht overweegt het College als volgt.

In klachtonderdeel A verwijt appellant betrokkene dat betrokkene omzetfraude heeft gepleegd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat betrokkene gedurende de periode van april 2000 tot en met mei 2001 omzet van E B.V. heeft gefactureerd vanuit F v.o.f. en dat betrokkene werkzaamheden ten behoeve van relaties van E B.V. over de maand juni 2001 heeft gefactureerd vanuit F v.o.f. of G B.V. Volgens appellant was het logisch dat binnen de maatschap de maten niet onderling factureerden, maar dat de ‘eigenaar’ van de klant factureert. Betrokkene heeft de wijze waarop hij heeft gefactureerd niet betwist. Volgens hem maakte het echter niet uit vanuit welke partij (bij de maatschap) werd gefactureerd, omdat alle omzet volgens het maatschapscontract tussen partijen werd verdeeld. In aanmerking genomen dat appellant en betrokkene van mening verschillen over de wijze waarop partijen dienden te factureren en het maatschapscontract hierover geen uitsluitsel biedt, acht het College geen grond aanwezig voor het – verstrekkende – oordeel dat betrokkene omzetfraude heeft gepleegd. De omstandigheid dat de declaratie van 11 april 2001 aan Hardware Repair niet is voldaan omdat, blijkens de brief van

30 november 2005 van dat bedrijf, vanuit F v.o.f. is gefactureerd, terwijl het werkzaamheden betrof die door betrokkene namens F waren verricht, leidt het College niet tot een ander oordeel, omdat dit naar betrokkene onweersproken heeft gesteld een incident betrof.

Klachtonderdeel B klaagt erover dat betrokkene fraude heeft gepleegd met de aangifte vennootschapsbelasting van E B.V. over de jaren 2001 en 2002. Betrokkene heeft hierover ter zitting van het College onweersproken verklaard dat de belastingdienst de aanslagen vennootschapsbelasting over beide jaren overeenkomstig de aangiften heeft vastgesteld. Weliswaar is door de belastingdienst een verhoging opgelegd, maar deze had volgens betrokkene uitsluitend betrekking op de te late indiening van de aangiften. Nu de door appellant gestelde fraude niet is komen vast te staan, treft betrokkene terzake geen tuchtrechtelijk verwijt.

In klachtonderdeel C verwijt appellant betrokkene dat betrokkene de financiële afwikkeling van E B.V. heeft vertraagd door niet de informatie te verstrekken waar appellant bij brief van 28 juli 2001 om had gevraagd. Klachtonderdeel D ziet, zoals hiervoor reeds weergegeven, op de stelling van appellant dat betrokkene de urenverantwoording ten onrechte niet heeft overgelegd. Betrokkene heeft hierover aangevoerd dat hij terzake van de gevraagde informatie niet meer kan verschaffen dan hij reeds heeft gedaan. Het College stelt vast dat blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 29 januari 2004, gewezen in een geschil tussen appellant en betrokkene, partijen hebben geprocedeerd over de afgifte van stukken van E B.V. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van beide partijen tot het verstrekken van stukken afgewezen en heeft daartoe onder meer overwogen dat het overleggen van stukken thuishoort in de bodemprocedure. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 12 mei 2005 het vonnis – kort gezegd – bekrachtigd. Ter zitting van het College heeft appellant desgevraagd verklaard dat evenbedoelde bodemprocedure tot dusverre nog niet door hem is gevoerd. Naar het oordeel van het College is ook overigens niet komen vast te staan dat betrokkene nog stukken onder zich heeft, waarop de verzoeken om afgifte van appellant zich richten. Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk kunnen worden dat betrokkene terzake van de klachtonderdelen C en D een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Klachtonderdeel E houdt in dat betrokkene in zijn verdediging tijdens civiele procedures foutieve dan wel frauduleuze producties heeft overgelegd. Appellant heeft in zijn klaagschrift gewezen op twee producties die betrokkene in een civiele procedure zou hebben overgelegd (‘omzet mei 2000 t/m april 2001’ en ‘balans per 1 december 1998 E’). Betrokkene heeft met betrekking tot de ‘omzet mei 2000 t/m april 2001’ uiteengezet dat dit is overgelegd om als toelichting te dienen voor een voorstel tot afwikkeling van de samenwerking. Voorzover met appellant al moet worden aangenomen dat hierin door betrokkene fouten zouden zijn gemaakt, bestond voor appellant in ieder geval in die civiele procedure gelegenheid hierop te reageren en zijn zienswijze terzake van de omzetverdeling naar voren te brengen. Met betrekking tot de ‘balans per 1 december 1998 E’ stelt het College vast dat deze door appellant zelf is opgemaakt. Dat, zoals appellant betoogt, dit slechts een geprognosticeerde balans was ten behoeve van de financieringsaanvraag van betrokkene, had appellant in evenbedoelde civiele procedure aan de orde kunnen stellen. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat betrokkene terzake een tuchtrechtelijk verwijt treft.

In klachtonderdeel F maakt appellant betrokkene het verwijt dat betrokkene, hoewel appellant hem daartoe schriftelijk had uitgenodigd, niet heeft deelgenomen aan twee (noodzakelijke) aandeelhoudersvergaderingen van E B.V. Mede in aanmerking genomen dat betrokkene in de betreffende periode vakantie had opgenomen en dus niet aanwezig was toen de uitnodigingen werden aangeboden en evenmin toen de vergaderingen plaatsvonden, vermag het College niet in te zien dat betrokkene terzake tuchtrechtelijk iets valt te verwijten.

3.6 Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk is en dat het beroep van appellant moet worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op Titel IV van de Wet AA en artikel 5 GBAA.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk;

- verwerpt het beroep van appellant.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp