Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ9915

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/906
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/906 13 februari 2007

20 010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), met kenmerk R 501, gewezen op 25 oktober 2005,

gemachtigde: M RA, te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 25 oktober 2005, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 18 februari 2005 door C en D (hierna gezamenlijk: klagers) ingediend tegen appellant.

Bij een op 22 december 2005 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 4 januari 2006 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 7 februari 2006 hebben klagers een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 4 september 2006 heeft appellant het College geïnformeerd over enkele ontwikkelingen ten aanzien van de zaak.

Bij brief van 7 september 2006 hebben klagers hierop gereageerd.

Op 19 december 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede klagers, bijgestaan door mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klachten in hun geheel gegrond verklaard en appellant de maatregel van schorsing voor de duur van één maand opgelegd, ingaande op de datum van het onherroepelijk worden van zijn uitspraak.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant heeft tegen de beslissing van de raad van tucht een aantal grieven aangevoerd die hierna samengevat worden weergegeven en besproken. Het College zal daarbij eerst ingaan op de grieven omtrent de procesorde, daarna op de inhoudelijke grieven en vervolgens op de grieven omtrent de strafmaat.

3.2 Appellant heeft in zijn beroepschrift onder C aangevoerd dat hij als gevolg van de door de raad van tucht gehanteerde procesorde ernstig is geschaad in zijn verdediging, doordat de raad van tucht enerzijds geen repliek en dupliek heeft toegestaan, terwijl hij anderzijds wel heeft toegestaan dat van de kant van klagers twee weken voor de zitting nog een uitgebreide schriftelijke reactie en ter zitting een uitgebreide pleitnota met een repliek werden ingediend. Tegen het indienen van de repliek heeft appellant ter zitting bezwaar gemaakt, welk bezwaar niet is gehonoreerd. De raad van tucht heeft de zitting geschorst en een (te) korte leespauze gegeven. Het verslag van de zitting is op dit punt onvolledig. Ter zitting bij het College heeft appellant toegelicht dat hij tegen de pleitnota met de repliek heeft geprotesteerd, omdat hij zich overvallen voelde door de omvang van het pakket. De leespauze die de raad van tucht inlaste was te kort om alles te kunnen doornemen, waardoor appellant er niet goed op kon reageren.

Het College is van oordeel dat, gelet op de inhoud en omvang van de pleitnota met repliek, zijnde een bijlage bij de pleitnota, en op hetgeen in beroep is aangevoerd, niet valt in te zien dat appellant door de gang van zaken ter zitting van de raad van tucht is benadeeld. De pleitnota omvat twee pagina’s, terwijl de bijlage een reactie inhoudt op het verweerschrift van appellant, welke grotendeels een herhaling bevat van hetgeen al in de klaagschriften was opgenomen, en welke bovendien de vorm heeft van een pleitnota. Onder die omstandigheden heeft de raad van tucht kunnen besluiten om het bezwaar van appellant af te wijzen en de leespauze in te lassen. Het College overweegt dienaangaande dat niet is gebleken dat appellant bezwaar heeft geuit omtrent de lengte van de leespauze, hetgeen wel op zijn weg had gelegen indien hij vreesde door de gang van zaken te worden benadeeld. De omstandigheid dat het bezwaar van appellant tegen het overleggen van de pleitnota met bijlage niet met zoveel woorden in het proces verbaal van de zitting tot uitdrukking is gebracht, acht het College weliswaar onjuist, maar maakt zijn oordeel omtrent de gestelde benadeling niet anders.

Deze grief faalt.

3.3 Appellant heeft verder aangevoerd dat de raad van tucht de drie afzonderlijke klachten ten onrechte tot één geheel heeft samengevoegd en in zijn geheel gegrond heeft verklaard. Dientengevolge heeft de raad van tucht nagelaten om zich uit te spreken over de verschillende klachtonderdelen, welke duidelijk verschillen in gewicht en karakter, en het daartegen gevoerde verweer. Dit klemt te meer, zo stelt appellant, omdat de raad van tucht concludeert dat de klachten niet inhoudelijk weersproken zouden zijn en dat de meeste klachtonderdelen zelfs zijn erkend.

Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat de raad van tucht zich in zijn beoordeling onvoldoende rekenschap heeft gegeven van alle facetten van de klacht en het daartegen gevoerde verweer. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de raad van tucht weliswaar niet alle onderdelen van de afzonderlijke klachten heeft besproken, maar dat uit de gronden van de beslissing blijkt dat de raad van tucht zich wel heeft gebogen over de afzonderlijke onderdelen. Met betrekking tot de grief dat de raad van tucht heeft nagelaten zich uit te spreken over het gevoerde verweer overweegt het College – onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 augustus 2002, AWB 01/840 en AWB 01/856, te vinden op <www.rechtspraak.nl> LJN AE6750 – dat de raad van tucht weliswaar uit hoofde van de in acht te nemen zorgvuldigheid en het vereiste van een deugdelijke motivering, die mede tot uiting komt in artikel 44, eerste lid, van de Wet op de registeraccountants (hierna: Wet RA), behoort te reageren op de essentie van een verweer, doch dit betekent niet dat op elk detail van het verweer moet worden ingegaan.

Deze grief faalt derhalve.

3.4 Appellant heeft onder A in zijn beroepschrift gesteld dat de raad van tucht heeft verzuimd te vermelden welke normen door appellant zouden zijn geschonden.

Deze grief treft doel. Het College constateert dat de raad van tucht de klachten gegrond heeft verklaard, maar – zoals appellant terecht heeft aangevoerd – niet heeft geconcretiseerd op welke wijze de verweten gedragingen moeten worden gerelateerd aan de in de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) vervatte normen. Het College is van oordeel dat aldus niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig kenbaar is gemaakt welke motivering aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt, zodat de beslissing voor vernietiging in aanmerking komt. Hierbij moet worden opgemerkt dat de motivering partijen in het geding in beroep in staat moet stellen hun belangen adequaat te bepleiten. Het belang van een toereikende motivering klemt te meer indien de bestreden tuchtbeslissing strekt tot gegrondverklaring van de klacht en het opleggen van een zware maatregel.

3.5 Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen en zal dit doen aan de hand van de grief vervat onder B van het beroepschrift, inhoudende dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant de klachten inhoudelijk niet heeft weersproken en de meeste klachtonderdelen heeft erkend. Bij deze bespreking zal het College uitgaan van de weergave van de klacht in de beslissing van de raad van tucht. Het College merkt daarbij op dat appellant geen grief heeft gericht tegen deze weergave.

3.5.1 Onderdeel a van de klachten I en II en klacht III betreffen achtereenvolgens de jaarrekeningen 2002 van de maatschap DOCA, van de maatschap E, en van D. Het College stelt dienaangaande vast dat appellant in zijn beroepschrift en ter zitting heeft vermeld dat in 2002 enkele bankmutaties niet waren verwerkt en dat nog enkele posten per balansdatum dienden te worden uitgezocht. Appellant had naar zijn zeggen het voornemen deze omissies in het boekjaar 2003 te herstellen, maar is daartoe door de wisseling van accountant niet meer in de gelegenheid geweest. Het College constateert dat appellant met het voorgaande heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat niet alle gegevens in de administratie waren verwerkt, en dat dientengevolge de jaarrekeningen 2002 onvolkomenheden bevatten. Mitsdien moet worden geconcludeerd dat appellant geen deugdelijke grondslag had voor zijn rapportage terzake. Het College acht het desondanks samenstellen van de jaarrekeningen en het afgeven van een samenstellingsverklaring daarbij in strijd met artikel 11 GBR-1994.

Aan dit oordeel doet niet af dat de niet verwerkte gegevens geen materiële invloed zouden hebben gehad op het gepresenteerde beeld, noch dat appellant beoogde deze omissies in een later stadium te herstellen. Evenmin doet daaraan af, dat hij dit daadwerkelijk heeft gedaan door middel van de in juni 2004 gecorrigeerde jaarrekening 2002 voor D. Deze is immers samengesteld naar aanleiding van vragen van de opvolgend accountant en lang nadat appellant een onjuiste jaarrekening had uitgebracht.

Dit klachtonderdeel is gegrond.

3.5.2 Met betrekking tot klachtonderdeel I, onder b, inhoudende dat appellant fouten heeft gemaakt in de loonadministratie van de maatschap DOCA, ongevraagd correcties heeft aangebracht en deze heeft doorgegeven aan de belastingdienst en UWV, welke correcties vervolgens onjuist bleken, overweegt het College als volgt. In het beroepschrift heeft appellant opgemerkt dat de loonadministratie werd gevoerd op een andere vestiging van het kantoor waaraan appellant was verbonden, onder leiding van een ander. Tevens heeft appellant in zijn beroepschrift vermeld dat onder zijn verantwoordelijkheid correcties zijn aangebracht. Voor heeft hij ter zitting bij het College erkend verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van de salarisadministratie voor klagers. Onder die omstandigheden is het College van oordeel dat appellant tuchtrechtelijk aan te spreken is op de uitgevoerde werkzaamheden.

Het verwijt van klagers spitst zich toe op de inhoudingen loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen voor twee werkneemsters. Deze inhoudingen bleken te laag te zijn, waardoor betrokken werkneemsters een te hoog netto loon hebben ontvangen. Het College stelt vast dat appellant in zijn verweerschrift bij de raad van tucht niet heeft ontkend dat op dit punt vergissingen zijn begaan, en wijst daartoe in het bijzonder op de passages onder IV, nr. 8 tot en met 10. Voorts heeft appellant ter zitting bij de raad van tucht verklaard: “Het is juist dat de werknemers van klagers hun loonbelastingformulieren correct hadden ingevuld en dat bij de verwerking een fout is gemaakt.”

Op grond van het voorgaande concludeert het College dat een fout is gemaakt, en dat appellant deze voor zijn rekening neemt en ook dient te nemen. Hieraan doet niet af dat de gevolgen van de gemaakte fout geheel of gedeeltelijk kunnen worden geredresseerd door het terugvorderen van het teveel betaalde salaris of het uitmiddelen van de te weinig afgedragen belasting via de aangifte IB. Vaststaat immers dat de (niet afgedragen) loonbelasting en premies inhoudingen zijn die ieder hun eigen wettelijke grondslag kennen, en die op deze grondslagen, en niet op een andere grondslag dienen te worden afgedragen.

Evenals de raad van tucht acht het College dit onderdeel van de klacht gegrond.

3.5.3 Met betrekking tot klachtonderdeel I, onder d, inhoudende dat appellant de premie voor een leerling-assistente die heeft gewerkt volgens het leerlingstelsel niet goed heeft geregeld, oordeelt het College als volgt. Ter toelichting op de klacht hebben klagers gesteld dat ten onrechte geen afdrachtvermindering loonbelasting is aangevraagd voor een leerling die van 2001 tot 2003 in dienst is geweest op basis van het leerlingstelsel, en dat appellant onwillig is geweest nadien te trachten de afdrachtvermindering alsnog te krijgen door het indienen van een bezwaarschrift.

Het College stelt vast dat appellant niet heeft ontkend dat de afdrachtvermindering niet goed was geregeld, en evenmin dat het zijn verantwoordelijkheid was om dat wel goed te regelen. Hij heeft immers pogingen in het werk gesteld om gegevens te verzamelen die nodig waren om de afdrachtvermindering te realiseren. Dat de afdrachtvermindering uiteindelijk wel is gerealiseerd heeft het College, gelet op de ontkenning van klagers en het ontbreken van stukken ter zake in het dossier, niet kunnen vaststellen, zodat dit verweer buiten beschouwing wordt gelaten. Appellant heeft zich voorts tegen voornoemd verwijt verweerd door te wijzen op de omstandigheid dat hij terzake van de afdrachtvermindering gegevens nodig had uit de loonadministratie, zoals die werd gevoerd door zijn oude kantoor F, en dat hij ondanks herhaalde verzoeken niet de beschikking kreeg over deze gegevens. Het College stelt in dit verband vast dat het gaat om de periode 2001-2003. Appellant is naar eigen zeggen per 1 september 2002 toegetreden tot kantoor G en heeft zijn dossiers, waaronder die van klagers, op laten nemen in het archief van voornoemd kantoor. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de benodigde gegevens uit de loonadministratie bij appellants nieuwe kantoor berustten.

Dit klachtonderdeel is mitsdien gegrond. Voor zover het verweer moet worden opgevat in die zin, dat appellant stelt dat hem geen verwijt treft met betrekking tot het archiveren van de dossiers die hij van zijn oude kantoor mee heeft gebracht, zal het College dit betrekken bij de beoordeling van de klacht inzake de bewaarplicht.

3.5.4 De klachtonderdelen I, onder c en II, onder c, betreffen het niet voldoen aan de bewaarplicht met betrekking tot de dossiers van de maatschap DOCA en de maatschap E over de jaren 1997-1999. Klagers hebben dienaangaande gesteld dat zij herhaalde malen hebben gevraagd om inzage in deze dossiers en dat appellant, noch zijn kantoor inzage heeft gegeven. Appellant heeft dienaangaande in zijn beroepschrift en bij de raad van tucht gesteld dat bij zijn overstap naar G alle dossiers met hem zijn meegegaan. Vervolgens zijn de minder actuele dossiers, waaronder die over de jaren 1997-1999 van klagers, door de leiding van G ondergebracht bij Iron Mountain, een bedrijf dat is gespecialiseerd in archiefopslag, zodat is voldaan aan de bewaarplicht. Dat het niet is gelukt om de betreffende dossiers van het opslagbedrijf terug te krijgen, wil niet zeggen dat ze als verloren moeten worden beschouwd, aldus appellant. Voorts heeft hij gesteld dat de verantwoordelijkheid voor de opslag niet bij hem ligt, maar bij de leiding van het kantoor, die verantwoordelijk is voor de kantoororganisatie.

Deze klachtonderdelen zijn eveneens gegrond. Het College stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van de opdrachtnemende accountant is om te zorgen dat de dossiers die hij in het kader van de uitvoering van zijn opdracht onder zich heeft gekregen gedurende de wettelijke bewaartermijn zorgvuldig worden bewaard. Het staat hem daarbij vrij in voorkomende gevallen gebruik te maken van in archiefopslag gespecialiseerde bedrijven. Deze bewaarplicht houdt voorts niet alleen in dat de dossiers zorgvuldig worden bewaard en opgeslagen, maar ook dat deze – indien nodig, of desgevraagd – weer uit de opslag kunnen worden gehaald en gebruikt.

Het staat vast dat appellant de opdrachtnemende accountant was, zodat het zijn verantwoordelijkheid was om zorg te dragen voor het zorgvuldig bewaren van de dossiers. Voorts staat vast dat appellant – daargelaten de wijze waarop de dossiers zijn opgeslagen – niet in staat is gebleken de dossiers te produceren, ook niet na uitvoerige pogingen om dit te bewerkstelligen. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat appellant tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Dat appellant – zoals hij heeft aangevoerd – voor de opslag van dossiers afhankelijk was van de kantoororganisatie van G, en dat deze organisatie niet op orde was, doet niet af aan zijn tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Wel kan dit een rol spelen bij de beoordeling of en in hoeverre een sanctie terzake op zijn plaats is. Hiervoor verwijst het College naar punt 3.6 van deze uitspraak.

3.5.5 Klachtonderdeel II, onder b heeft betrekking op de aanslag inkomstenbelasting 2001 van klager C, en houdt in dat appellant geen verklaring heeft gegeven voor het afwijken van de aanslag ten opzichte van de aangifte, dat hij niet heeft gereageerd op brieven en telefoontjes van de belastingdienst en dat hij heeft gelogen tegen zijn cliënt en een collega-registeraccountant. In zijn verweerschrift bij de raad van tucht heeft appellant vermeld dat de behandeling van voornoemde aanslag terzake van de afwijking ten opzichte van de aangifte niet goed is verlopen. Appellant voert bij de raad van tucht en in beroep aan dat dit kon gebeuren omdat hij verantwoordelijkheid droeg voor de werkzaamheden op twee locaties, en dientengevolge te kampen had met hoge werkdruk. Van een willens en wetens niet hebben willen reageren is geen sprake geweest, aldus appellant. Appellant zegt de gang van zaken te betreuren, maar bestrijdt het oordeel van de raad van tucht dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een zodanige ernstige inbreuk op het vertrouwen in het accountantsberoep dat daarmee de eer van stand in geding komt. Appellant is van mening dat het gaat om mineure vergissingen of verwaarloosbare onvolkomenheden.

Het College stelt vast dat appellant de verweten gedraging als zodanig erkent, maar dat hij de ernst ervan bestrijdt. Het College is dienaangaande van oordeel dat appellant niet correct heeft gehandeld, zowel met betrekking tot het niet ingaan op het verzoek van klagers om opheldering inzake de aanslag, als met betrekking tot het niet beantwoorden van vragen van de belastingdienst. Dusdoende heeft hij de belangen van zijn cliënt geschaad, die werd geconfronteerd met een hogere aanslag dan in de lijn der verwachting lag. Het College deelt niet de mening van appellant dat het gaat om verwaarloosbare onvolkomenheden. Wel is voor de beoordeling van de ernst van de gedraging van belang dat appellant heeft gepoogd tot een oplossing te komen, zodat na overleg met de belastingdienst de aanslag is verminderd. Dit aspect zal worden betrokken bij de vaststelling van de strafmaat.

Het klachtonderdeel is gegrond.

3.5.6 Klachtonderdeel II, onder d heeft betrekking op het nalaten van het versturen van de jaarstukken en de aangifte inkomstenbelasting 2002 van de maatschap E. In het verweerschrift bij de raad van tucht stelt appellant dat inderdaad vertraging is opgetreden bij het indienen van de aangifte. Uit de stukken blijkt dat de belastingdienst E heeft aangemaand de aangifte in te dienen, zodat ook daarmee vaststaat dat dit niet tijdig is geschied. Niet is in geschil dat het tot de werkzaamheden van appellant hoorde om de aangiften IB na goedkeuring door klager C en zijn echtgenote bij de belastingdienst in te dienen. Hetgeen appellant ter verklaring van deze omissie heeft aangevoerd, te weten dat afwijkend van de normale routine moet zijn gehandeld, dat de werkdruk hoog was en dat de kantoororganisatie te wensen over liet, kan zijn tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid in dezen niet wegnemen. Ook op dit punt is het College van oordeel dat appellant hiermee het vertrouwen van cliënten heeft geschaad, en voorts dat hij hen heeft blootgesteld aan sancties terzake van het niet doen van aangifte.

Dit klachtonderdeel is mitsdien gegrond.

3.5.7 Rode draad bij de verschillende klachtonderdelen is het gebrek aan goede communicatie dat appellant heeft tentoongespreid, door niet te reageren op vragen, door het bagatelliseren dan wel niet erkennen van fouten en door het niet nakomen van beloften. Dienaangaande heeft appellant gesteld dat geen sprake was van onwil maar van onmacht en heeft hij meermalen gewezen op de omstandigheden bij kantoor G, waar sprake was van een hoge werkdruk, hectische toestanden en een kantoororganisatie die te wensen overliet. In het bijzonder heeft appellante gesteld problemen te hebben ondervonden omdat hij was belast met de kantoorleiding in H, terwijl hij eveneens verantwoordelijk was voor werkzaamheden op het kantoor I, zodat hij, ook voor het nazoeken van zaken voor klanten, steeds heen en weer moest. Het College oordeelt dienaangaande dat moet worden toegegeven dat deze werkomstandigheden voor appellant zeer belastend zijn geweest, maar dat dit niet afdoet aan de plicht van appellant de belangen van zijn cliënten op goede wijze te behartigen. Daar waar hij meende aan deze plicht niet te kunnen voldoen door de geschetste werkomstandigheden, had het bovendien op zijn weg gelegen klagers daarvan tijdig op de hoogte te stellen, en hen in de gelegenheid te stellen maatregelen te nemen, hetgeen hij heeft nagelaten.

3.5.8 Met betrekking tot de klachtonderdelen die zijn besproken onder 3.5.2 tot en met 3.5.7 heeft het College geoordeeld dat deze alle gegrond zijn. De verweten gedragingen zijn ieder voor zich en gezamenlijk in strijd met de eer van stand, en mitsdien in strijd met artikel 5 GBR-1994.

3.6 Het College is voorts van oordeel dat de ernst van de verweten gedragingen een maatregel rechtvaardigt en overweegt als volgt. De raad van tucht heeft eveneens alle klachtonderdelen gegrond verklaard en de maatregel van schorsing voor één maand opgelegd. Deze maatregel acht het College evenwel te zwaar in verhouding tot de ernst van de verweten gedragingen. Daarbij neemt het College in aanmerking dat hetgeen appellant is verweten een optelsom is van op zichzelf als minder ernstig aan te merken afzonderlijke gedragingen, die ieder voor zich zouden leiden tot hetzij het opleggen van de lichtste maatregel, hetzij tot het afzien van enige maatregel. Voorts neemt het College in aanmerking dat appellant heeft moeten werken onder moeilijke omstandigheden, hetgeen zijn handelen weliswaar niet disculpeert, maar wel in een bepaald licht stelt. Deze omstandigheden, al meermalen in deze uitspraak benoemd, waren aanwezig buiten toedoen van appellant en een gegeven waarmee hij heeft geprobeerd om te gaan. Het College acht het aannemelijk dat appellant zich heeft ingespannen om de zaken goed te laten verlopen, maar daarin mede door deze omstandigheden niet in is geslaagd. Alles bijeen genomen acht het College de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden.

3.7 De hierna te vermelden beslissing berust op Titel II van de Wet RA en op artikel 5 en 11 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klachten gegrond;

- legt appellant terzake de maatregel van schriftelijke berisping op.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. J.L.W. Aerts en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.B.L. van der Weele

Zaak R 501

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak met nummer R 501 van:

1. C,

2. D,

beiden werkzaam te J,

K L A G E R S,

tegen

A RA,

registeraccountant, werkzaam te B,

B E T R O K K E N E.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennisgenomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

- de klaagschriften van 16 februari 2005 met bijlagen;

- het verweerschrift van 19 april 2005;

- de brief met bijlagen van K RA van 19 mei 2005;

- de ter na te melden zitting overgelegde pleitaantekeningen van (de gemachtigde van) klagers en van de gemachtigde van betrokkene.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 6 juni 2005. Aldaar zijn verschenen klagers in persoon, vergezeld van mr. J.C. Pels van DAS Rechtsbijstand, K RA en L en betrokkene in persoon, vergezeld van M RA. Van de behandeling is een zittingsverslag opgemaakt.

3. De klacht

De klacht is onderverdeeld in drie afzonderlijke klachten. De eerste (I) is gericht tegen betrokkene in zijn hoedanigheid van accountant van de Maatschap DOCA te Amsterdam, de tweede (II) tegen betrokkene als accountant van de Maatschap E en de derde (III) tegen betrokkene als accountant van klager D en diens partner M. Deze klachten vallen uiteen in subonderdelen, als hierna weergegeven.

Klacht I.

a) Betrokkene heeft een jaarrekening 2002 van maatschap DOCA samengesteld die niet aansluit met de onderliggende financiële administratie, onderliggende basisbescheiden en de beginbalans 2003. Betrokkene heeft niet adequaat gereageerd op verzoeken om de verschillen nader te verklaren.

b) Betrokkene heeft fouten gemaakt in de loonadministratie en heeft na aanvankelijke onwil tot correctie zonder opdracht van DOCA de loonadministratie toch aangepast. Deze correcties blijken fout en ook de correcties van de correcties kloppen niet.

c) Betrokkene heeft verzuimd de dossiers van de maatschap DOCA over de jaren 1997 tot en met 1999 te bewaren.

d) Betrokkene heeft de premie voor een leerling-assistente die gewerkt heeft volgens het leerlingenstelsel niet goed geregeld.

Klacht II.

a) Betrokkene heeft een jaarrekening 2002 van de man-vrouwmaatschap E samengesteld die niet aansluit met de onderliggende financiële administratie, de onderliggende basisbescheiden en de beginbalans 2003. Betrokkene heeft niet adequaat gereageerd op verzoeken om de verschillen nader te verklaren.

b) Betrokkene heeft ondanks verzoeken geen verklaring gegeven voor de afwijking tussen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2001 van klager C ten opzichte van de aangifte. Betrokkene heeft willens en wetens niet gereageerd op brieven en een telefonisch verzoek van de belastingdienst. Verder heeft betrokkene gelogen tegen zijn cliënt en een collega-registeraccountant.

c) Betrokkene heeft de dossiers van de man-vrouwmaatschap E over de jaren 1997 tot en met 1999 niet bewaard.

d) Betrokkene heeft de jaarstukken en aangifte inkomstenbelasting 2002 niet naar de belastingdienst verstuurd.

Klacht III.

Betrokkene heeft een jaarrekening 2002 voor klager D opgemaakt waarbij de onderliggende financiële administratie niet in overeenstemming is met de onderliggende basisbescheiden en de beginbalans 2003. Verzoeken om de verschillen te verklaren hebben tot meer onduidelijkheid geleid. De jaarrekening klopt op essentiële punten niet.

4. De feiten

4.1 Klagers exploiteren in maatschapsverband een dierenartsenpraktijk onder de naam Maatschap Diergeneeskundig Orthopedisch Centrum Amsterdam (DOCA) . Klagers vormen daarnaast ieder afzonderlijk een maatschap met hun respectievelijke levenspartners. Betrokkene heeft als accountant gefungeerd van alledrie de maatschappen. Tot zijn opdracht behoorde het verzorgen van de salarisadministratie, de jaarrekeningen en de aangiften inkomstenbelasting

4.2 Betrokkene is per 1 september 2002 overgestapt naar het kantoor G. Daarbij heeft hij de dossiers van klagers over de jaren 1997 tot en met 1999 meegenomen en deze zijn aldaar in het archief opgenomen. Betrokkene heeft de jaarrekeningen 2002 uitgebracht op 17 oktober 2003.

4.3 Met ingang van december 2003 hebben klagers een andere accountant in de arm genomen. Deze heeft zich gezet aan de samenstelling van de jaarrekeningen en de aangiften inkomstenbelasting 2003 en met ingang van 2004 aan de salarisadministratie van DOCA. Daarbij constateerde de nieuwe accountant dat de financiële administratie niet aansloot bij de door betrokkene uitgebrachte jaarrekening 2002. De nieuwe accountant heeft zich daarop tot betrokkene gewend met het verzoek de geconstateerde verschillen te verklaren. Aan betrokkene is daarbij ook gevraagd of hij bezwaar had gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2001 voor de maatschap E.

4.4 Betrokkene heeft bij brief van 23 april 2004 aan de nieuwe accountant van klagers bericht dat het in de bedoeling had gelegen enkele posten uit de jaarrekeningen 2002 te corrigeren in de jaarrekening 2003 en dat er inmiddels bezwaar was aangetekend tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2001 van C. Betrokkene heeft later nog een gecorrigeerde versie van zijn rapport inzake de jaarrekening 2002 aan de nieuwe accountant van klagers toegezonden en een suppletieaangifte gedaan.

4.5 Klagers en hun nieuwe accountant hebben betrokkene diverse malen verzocht de dossiers van klagers terug te geven. Aan dit verzoek heeft betrokkene tot op heden niet voldaan.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Betrokkene heeft de klachten niet inhoudelijk weersproken en heeft de meeste klachtonderdelen zelfs erkend. Daarmee staat vast dat betrokkene voor de maatschappen DOCA, E en D/M jaarrekeningen over 2002 heeft samengesteld die niet aansluiten met de onderliggende stukken en de beginbalansen. Voorts staat daarmee vast dat betrokkene fouten heeft gemaakt (althans dat onder zijn vaktechnische verantwoordelijkheid fouten zijn gemaakt) in de salarisadministratie van de maatschap DOCA en dat de premie voor een leerling-assistente door betrokkene niet goed is geregeld. Ook staat vast dat betrokkene te laat belastingaangiften heeft opgesteld, dat hij niet adequaat heeft gereageerd op verzoeken van de belastingdienst, waardoor de inspecteur zich genoodzaakt zag fors af te wijken van de aangifte over 2001 van C en dat betrokkene -anders dan hij klagers had voorgehouden- niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag. Voorts staat als onweersproken vast dat betrokkene desgevraagd weigerachtig is geweest tekst en uitleg te verschaffen over deze kwesties. De klachten zijn in zoverre dus geheel gegrond.

5.2 De klacht dat betrokkene niet heeft voldaan aan zijn bewaarplicht met betrekking tot de dossiers van klagers, is eveneens gegrond. Ook na zijn overstap naar het kantoor G bleven die dossiers immers berusten onder de verantwoordelijkheid van betrokkene. Dat G blijkbaar de niet-lopende dossiers onderbrengt bij een instituut waar de dossiers niet meer vandaan kunnen worden gehaald, komt daarmee tuchtrechtelijk voor zijn rekening.

5.3 Hoewel de Raad er begrip voor heeft dat betrokkene in zijn periode bij G blijkbaar gebukt is gegaan onder grote werkdruk en geleden heeft onder een gebrekkige kantoororganisatie, kan dit betrokkene niet verontschuldigen. Dat hij de belangen van zijn cliënt -naar eigen zeggen- heeft achtergesteld bij de belangen van het kantoor waar hij werkzaam was, vormt naar het oordeel van de Raad een ernstige inbreuk op het vertrouwen in het accountantsberoep en daarmee op de eer van de stand der registeraccountants.

5.4 Hier komt bij dat betrokkene in zijn verweerschrift en tijdens de zitting er geen blijk van heeft gegeven de ernst van zijn handelen in te zien. Integendeel: in zijn verweerschrift heeft hij de klachten niet inhoudelijk weersproken en een aantal klachtonderdelen erkend, maar deze gebagatelliseerd en de Raad verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Dit een en ander is naar het oordeel van de Raad niet te rijmen. Voorts hebben betrokkene en zijn gemachtigde het verweerschrift meer gewijd aan het, in hun ogen laakbare, gedrag van de nieuwe accountant van klagers voor het voetlicht te halen dan aan een kritische terugblik op het eigen functioneren.

5.5 Gelet op de ernst van de aan betrokkene te maken tuchtrechtelijke verwijten en diens proceshouding, acht de Raad oplegging van een zware maatregel geboden.

6. De beslissing

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam:

- verklaart de klachten in hun geheel gegrond;

- legt aan betrokkene ter zake de maatregel op van schorsing voor de duur van één maand, ingaande op de datum van onherroepelijk worden van deze uitspraak.

Aldus beslist door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. de Vries, adjunct-secretaris, en in het openbaar uitgesproken op _____________________________________