Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ9442

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
AWB 04/737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/737 2 februari 2007

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

Rosenbauer International A.G., gevestigd te Linz (Oostenrijk), appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te ’s-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 5 juli 2004, met kenmerk 1020/03.11,

gemachtigde: mr. C.M. Harmsen, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 5 maart 2003 heeft appellante bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen A RA, wonende te B (hierna: betrokkene).

Bij beslissing van 5 juli 2004, aan appellante toegezonden op 6 juli 2004, heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Bij een op 6 september 2004 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 5 oktober 2004 stukken als bedoeld in het in titel II opgenomen artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 6 december 2004 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

Op 14 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar waren aanwezig de gemachtigde van appellante en de gemachtigde van betrokkene, mr. F. Waardenburg, advocaat te Den Haag. Aan de zijde van appellante verschenen voorts C en D, werkzaam bij appellante. Aan de zijde van betrokkenen verschenen voorts E en F. De voorzitter heeft na de behandeling ter zitting vastgesteld dat partijen in de gelegenheid dienen te worden gesteld zich omtrent enkele punten nader schriftelijk te uiten en heeft het onderzoek ter zitting vervolgens geschorst tot een nader te bepalen datum.

Bij griffiersbrief van 13 maart 2006 is partijen een uittreksel uit het proces-verbaal van een gedeelte van het onderzoek ter zitting – namelijk voor zover daarin artikel 32 van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) ter sprake is gekomen – toegezonden en zijn zij in de gelegenheid gesteld over dit specifieke punt een reactie in te dienen.

Bij brief van 31 maart 2006 heeft betrokkene een reactie ingediend.

Bij brief van 18 april 2006 heeft appellante gereageerd op de brief van betrokkene van 31 maart 2006.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft betrokkene gereageerd op de brief van appellante van 18 april 2006.

Vervolgens is op 10 november 2006 het onderzoek ter zitting voortgezet. Aldaar waren aanwezig de gemachtigde van appellante en de gemachtigde van betrokkene. Aan de zijde van appellante verscheen voorts C. Aan de zijde van betrokkenen verschenen voorts E en F.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. Het beroep van appellante

Appellante heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing drie grieven voorgedragen, die hierna – samengevat – zijn weergegeven.

3.1 In de eerste grief betoogt appellante dat de raad van tucht ten onrechte onder punt 2.9 van de rubriek vaststaande feiten heeft vastgesteld dat op verzoek van appellante het faillissement van Rosenbauer B.V. is uitgesproken. Het faillissement is immers uitgesproken op aangifte van Rosenbauer B.V. zelf.

3.2 De tweede grief bestrijdt de ongegrondverklaring van klachtonderdeel A, inhoudende het verwijt dat betrokkene ernstig tekort is geschoten in de controle van de jaarrekeningen van Rosenbauer B.V. over de boekjaren 1998 en 1999 (hierna: jaarrekeningen).

Appellante betoogt dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat de door G te H (hierna: G) uitgebrachte (definitieve) rapportages geen betrekking hebben op de jaarcijfers per ultimo 1998 noch op de jaarcijfers per ultimo 1999. De raad van tucht heeft zelf vastgesteld dat G op 8 december 2000 aan Rosenbauer B.V. een conceptrapport heeft uitgebracht betreffende de balans per 31 mei 2000 en de jaarcijfers over het jaar 1999 van Rosenbauer B.V. Bovendien heeft het rapport van 29 april 2002 dat G op verzoek van de curator van Rosenbauer B.V. heeft uitgebracht wel degelijk (mede) betrekking op de jaarcijfers 1999 en 1998. Vanwege het feit dat betrokkene geen enkele medewerking heeft verleend aan G, heeft G geen definitief oordeel opgenomen ten aanzien van de cijfers per 31 december 1999. Dit betekent echter niet dat geen onderzoek naar de jaarcijfers 1998 en 1999 is verricht.

Voorts heeft de raad van tucht ten onrechte overwogen dat appellante overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien vaststaand, kunnen leiden tot gegrondverklaring van het verwijt dat in klachtonderdeel A wordt gemaakt.

Ten eerste heeft de raad van tucht ten onrechte geen waarde toegekend aan de bevindingen van G als neergelegd in de rapporten van 16 juni 2000 en 29 april 2002. De noodzakelijke vermogenscorrectie op de cijfers per 31 mei 2000 is dusdanig groot dat daaruit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volgt dat de cijfers per 31 december 1999 onjuist moeten zijn. Ten tweede is de raad van tucht voorbij gegaan aan het eigen onderzoek dat appellante heeft verricht, getiteld "Dokumentation der Bilanzmanipulationen". In dit document worden drie voorbeelden gegeven van onjuistheden van de jaarcijfers per 31 december 1999. Ten derde gaat de raad van tucht voorbij aan de bevindingen dan wel het standpunt van de curator van Rosenbauer B.V. Uit de correspondentie van de curator met I blijkt dat de curator concreet aangeeft welke balansposten wijziging behoeven en op welke jaren die correcties zien.

Appellante is van mening dat zij de klacht naar vermogen heeft onderbouwd. Het is volstrekt onwaarschijnlijk en onaannemelijk dat in de eerste vijf maanden van 2000 een verlies van bijna 11 miljoen gulden is geleden door Rosenbauer B.V., zodat het bijna niet anders kan zijn dan dat de jaarcijfers 1999 zoals gecontroleerd en goedgekeurd door betrokkene onjuist zijn.

Appellante is voorts van mening dat de raad van tucht onvoldoende inzicht in zijn redenering heeft gegeven. Hierdoor is zij niet in staat haar rechten te verdedigen. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de concrete voorheelden van onjuistheden in de cijfers 1999 gepasseerd zijn door raad van tucht, waarom de feitelijke bevindingen per 31 mei 2000, de bevindingen van appellante zelf en de bevindingen van de curator geen rol hebben gespeeld. Verder heeft de raad van tucht geen vragen gesteld en/of onderzoek verricht naar de feitelijk door de betrokkene verrichte werkzaamheden, terwijl appellante gemotiveerd heeft aangeven waarom de cijfers onjuist zijn.

3.3 In de derde grief komt appellant op tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel B, betreffende de houding van betrokkene en diens kantoor waardoor G niet in staat was om het onderzoek af te ronden en zij geen volledig rapport kon uitbrengen aan appellante.

De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat de stelling van appellante, dat een accountant in het geval als het onderhavige onderzoek dat door haar aan G is opgedragen, medewerking behoort te verlenen, antwoord behoort te geven op gestelde vragen omtrent de uitgevoerde werkzaamheden die ten grondslag liggen aan de afgegeven goedkeurende verklaring en waar nodig inzage te geven in het controledossier, geen steun vindt in de Wet RA of de GBR-1994. Deze overweging van de raad van tucht bevat een feitelijke onjuistheid, omdat Rosenbauer B.V. aan G de opdracht heeft verstrekt tot het doen van een feitenonderzoek. Een gevolg hiervan is dat op de betrokkene wel een verplichting tot medewerking rustte.

Voorts heeft de raad van tucht het betoog van appellante dat de weigering van betrokkene om te antwoorden op de vraag van G – zoals vermeld in de brieven van 13 juni 2000 en 24 juni 2000 – een schending vormt van de eer van de stand der registeraccountants ten onrechte niet gevolgd en ten onrechte overwogen dat het niet beantwoorden van brieven in dit geval niet strijdig is met de norm van artikel 5 GBR-1994. Ten onrechte heeft de raad van tucht verder overwogen dat zijdens betrokkene door hem of diens kantoor is gecorrespondeerd met G – en in later stadium met de curator –, waarbij zijdens betrokkene dan wel diens kantoor de gronden voor het ingenomen standpunt zijn uiteengezet.

De klacht is ingediend tegen betrokkene en niet tegen diens kantoor. Gedurende de gehele procedure in eerste aanleg heeft de betrokkene het standpunt ingenomen dat hij geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor brieven die hij niet zelf heeft verstuurd. Het is onbegrijpelijk dat de raad van tucht desondanks die correspondentie gebruikt om daarmee zijn beslissing op klachtonderdeel B te onderbouwen. Feit is dat betrokkene slechts een brief heeft gestuurd en daarin staat geen uiteenzetting waarom hij niet reageert. Betrokkene heeft zich simpelweg niet bemoeid met de verzoeken die van de zijde van appellante en de curator werden gedaan. Een dergelijke houding is tuchtrechtelijk laakbaar.

3.4 In haar reactie van 18 april 2006 en ter zitting van het College van 10 november 2006 heeft appellante ter aanvulling op de derde grief – zeer kort samengevat en voorzover voor de beoordeling van het geschil van belang – naar voren gebracht dat (het kantoor van) betrokkene te handelen zoals hij heeft gedaan de toepassing van artikel 32 GBR-1994 heeft gefrustreerd en daarmee gehandeld in strijd met artikel 5 GBR-1994.

4. De reactie van betrokkene

Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de grieven van appellant. In de van de kant van betrokkenen ingediende reactie van 31 maart 2006 en 1 mei 2006 heeft betrokkene – zeer kort samengevat en voorzover voor de beoordeling van het geschil van belang – aangevoerd dat hij artikel 32 GBR-1994 niet heeft geschonden. Hij is gebleven binnen de grenzen gesteld door artikel 10, tweede en derde lid, GBR-1994. Zonder ontheffing van de geheimhoudingsplicht kon betrokkene aan het verzoek van G niet voldoen.

5. De beoordeling

5.1 Met betrekking tot de eerste grief van appellante overweegt het College als volgt.

Hoewel appellante betoogt dat het faillissement van Rosenbauer, in tegenstelling tot wat de raad van tucht heeft vastgesteld, niet op verzoek van appellante maar op aangifte van Rosenbauer B.V. zelf is uitgesproken, heeft zij dit betoog niet nader onderbouwd. Het College zal het antwoord op de vraag wie het faillissement van Rosenbauer B.V. heeft aangevraagd evenwel daarlaten, aangezien dit niet van belang is voor de beslissing op de klachtonderdelen. De eerste grief van appellante treft derhalve geen doel.

5.2 De tweede grief van appellante bestrijdt de gegrondverklaring van klachtonderdeel A. In dit klachtonderdeel verwijt appellante betrokkene dat hij ernstig tekort is geschoten in de controle van de jaarrekeningen.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2.1 Ingevolge het in titel II opgenomen artikel 44, eerste lid, Wet RA is de beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar op straffe van nietigheid met redenen omkleed. De motivering moet enerzijds zowel de betrokken accountant als de klager(s) voor de raad van tucht in staat stellen hun rechten te verdedigen en moet anderzijds het College in staat stellen zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen. Het College is van oordeel dat geen grond bestaat voor de conclusie dat de tuchtbeslissing (voor zover hier aan de orde) onvoldoende inzicht biedt in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang.

Voorts bestaat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de raad van tucht voorbij zou zijn gegaan aan het door appellante verrichte eigen onderzoek, getiteld “Dokumentation der Bilanzmanipulationen” en de bevindingen dan wel het standpunt van de curator. Het College stelt in dit verband vast dat appellante deze documenten als bijlagen bij haar klacht heeft gevoegd en dat de raad van tucht blijkens de rubriek procedureverloop van de bestreden tuchtbeslissing kennis heeft genomen van die klacht. Dat de raad van tucht aan de documenten niet de waarde heeft toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien, betekent niet dat de raad van tucht deze niet in zijn beoordeling heeft betrokken.

5.2.2 Het College is met de raad van tucht van oordeel dat appellante het verwijt dat betrokkene een misslag heeft begaan, te weten ernstig tekort is geschoten in de controle van de jaarrekeningen over de boekjaren 1998 en 1999 onvoldoende met feiten heeft onderbouwd. De raad van tucht heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de door G uitgebrachte rapportages (van 16 juni 2000, 8 december 2000 en 29 april 2002) geen betrekking hebben op de jaarcijfers per ultimo 1998 noch op de jaarcijfers per ultimo 1999. De interim rapporten van 16 juni 2000 hebben betrekking op de balanspositie van Rosenbauer B.V. per 31 mei 2000 en de correcties die daarop volgens G moeten worden aangebracht. Blijkens het conceptrapport van 8 december 2000 heeft G weliswaar een aanvang gemaakt met onderzoek naar de jaarcijfers per ultimo 1999, maar dit onderzoek is niet voltooid. In de aan de curator uitgebrachte rapportage van 29 april 2002 is, zoals de raad van tucht terecht heeft vastgesteld, G wederom ingegaan op de balans per 31 mei 2000 en is uitdrukkelijk meegedeeld dat geen impliciet oordeel wordt gegeven over de jaarcijfers 1999 en de in dat verband door betrokkene afgegeven verklaring. Gegeven deze uitdrukkelijke mededeling van G volgt het College appellante niet in haar betoog dat G in deze rapportage desondanks toch heeft geoordeeld over de jaarcijfers per ultimo 1998 danwel 1999.

Appellante heeft aangevoerd dat de uit de rapporten van 16 juni 2000 en 29 april 2002 blijkende noodzakelijke vermogenscorrectie op de cijfers per 31 mei 2000 zo groot is dat niet aannemelijk is dat in de eerste vijf maanden van 2000 een verlies van bijna 11 miljoen gulden is geleden. Volgens appellante volgt daaruit dat de cijfers per 31 december 1999 onjuist zijn. Naar het oordeel van het College kan een en ander weliswaar een duidelijke aanwijzing vormen voor appellante om – zoals zij ook heeft gedaan – nader onderzoek terzake uit te (doen) voeren, maar is onvoldoende om tot de – verstrekkende – conclusie te leiden dat betrokkene ernstig tekort is geschoten in de controle van de jaarrekening over de boekjaren 1998 en 1999. Het College wijst er in dit verband op dat er niet aan kan worden voorbij gegaan dat het door appellante verrichte onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het document "Dokumentation der Bilanzmanipulationen", duidt op manipulatie van de cijfers door het management van Rosenbauer B.V. Hieruit valt, mede in aanmerking genomen dat Rosenbauer B.V. de jaarrekeningen heeft opgesteld, niet zonder meer een ernstig tekortschieten van betrokkene af te leiden. Overigens heeft appellante ook niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde manipulaties bij een zorgvuldige controle van de jaarrekeningen door betrokkene aan het licht hadden moeten komen.

Ten slotte heeft de raad van tucht aan de bevindingen en het standpunt van de curator niet die waarde hoeven toekennen die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Uit de brief van 6 december 2002 van de curator aan de heer F van het kantoor van betrokkene blijkt immers dat de in de brief van de curator van 27 september 2002 aan betrokkene opgenomen cijferopstellingen over Rosenbauer B.V. zijn ontleend aan een analyse van de (toenmalige) raadsman van appellante van de rapporten van G. Van een eigen zelfstandig onderzoek van de curator naar de jaarcijfers per ultimo 1998 dan wel 1999 is derhalve geen sprake, terwijl de analyse van de (toenmalige) raadsman van appellante is gebaseerd op rapporten ten aanzien waarvan hiervoor is overwogen dat deze ook geen betrekking hebben op die jaarcijfers.

Dat appellante haar klacht naar vermogen heeft onderbouwd met gegevens die zij tot op heden heeft weten te vergaren doet, wat daar ook van zij, niet af aan het oordeel dat niet aannemelijk is kunnen worden dat betrokkene terzake een tuchtrechtelijk verwijt treft.

5.2.3 Uit het voorgaande vloeit voort dat de raad van tucht klachtonderdeel A terecht ongegrond heeft verklaard. De tweede grief van appellante treft derhalve geen doel.

5.3 Ten aanzien van de derde grief van appellante, gericht tegen de ongegrondverklaring door de raad van tucht van klachtonderdeel B, overweegt het College als volgt.

5.3.1 Betrokkene heeft in klachtonderdeel B aan de orde gesteld dat betrokkene geweigerd heeft de door G gestelde vragen te beantwoorden en te reageren op het conceptrapport van G. Hierdoor was G niet in staat het onderzoek af te ronden en kon zij geen (volledig) rapport uitbrengen aan appellante. Betrokkene heeft hiermee de eer van de stand der registeraccountants geschonden, aldus appellante.

Het College stelt vast dat de procedure in beroep zich wat dit klachtonderdeel betreft heeft toegespitst op de vraag of betrokkene artikel 32 GBR-1994 heeft overtreden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.3.2 Ingevolge artikel 32 GBR-1994 is de registeraccountant gehouden aan de accountant die gelijktijdig voor dezelfde opdrachtgever voor dezelfde huishouding optreedt en een andersluidende opdracht heeft aanvaard, desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die voor de uitvoering van diens opdracht nuttig zijn, binnen de grenzen gesteld door het tweede en derde lid van artikel 10.

5.3.3 In aanvulling op en mede ter verduidelijking van de reeds door de raad van tucht terzake vastgestelde feiten wijst het College op de volgende voor hem vaststaande feitelijke gang van zaken.

Bij brief van 31 mei 2000 heeft G betrokkene bericht dat hij door de heer D (hierna: D), namens de Supervisory Directors of Rosenbauer Group, is verzocht een bijzonder onderzoek in te stellen naar de financiële administratie van Rosenbauer Brandweer- en hulpverleningstechniek B.V. en betrokkene verzocht om de in artikel 31 GBR-1994 bedoelde inlichtingen te verschaffen.

Bij brief van 9 juni 2000 heeft een kantoorgenoot van betrokkene G – kort gezegd – bericht dat er geen mededelingen zijn die nodig zijn voor de oordeelsvorming omtrent de aanvaardbaarheid van de opdracht en heeft hij G gevraagd om een schriftelijke uiteenzetting over de aard en de achtergronden van het onderzoek en welke gegevens G ter beschikking wenst te krijgen.

Bij faxbericht van 13 juni 2000 heeft G aan een kantoorgenoot van betrokkene de aan G gegeven opdracht bekend gemaakt en bericht dat hij niet over het gehele controledossier hoeft te beschikken, maar dat het de bedoeling is dat het kantoor van betrokkene specificaties uit het dossier aanreikt, die de vermoede onregelmatigheden in de balans per 31 december 1999 kunnen verklaren.

Bij faxbericht van 13 juni 2000 heeft G aan een kantoorgenoot van betrokkene een lijst toegezonden met op te leveren gegevens over Rosenbauer B.V. per 31 december 1999. Bij faxbericht van 13 juni 2000 aan G heeft een kantoorgenoot van betrokkene een op 13 juni 2000 gedateerde brief van betrokkene aan G en een op 13 juni 2000 gedateerde brief van betrokkene aan D toegezonden en meegedeeld dat, zodra deze brieven akkoord worden bevonden, aan het verzoek van inzage in specifieke balansposten kan worden voldaan.

In de brief van 13 juni 2000 van betrokkene aan G (hierna: hold harmless letter) staat, voorzover hier relevant, het volgende:

“(…) We would point out that any information obtained by you as a result of the confidential access to our working papers may not be passed on to any third party or otherwise made public. You shall at all times indemnify I N.V. and its personnel and hold it harmless against any liability in connection with claims by third parties resulting from your failure to comply with this condition. (…)

Please confirm your agreement to the foregoing conditions by returning the enclosed copy of this letter to us, duly signed and dated. (…)

After we have received the two signed letters, we shall grant you access to parts of the audit working papers referred at the beginning of this letter.

(…).”

Bij brief van 16 juni 2000 heeft G betrokkene, voor zover hier relevant, het volgende meegedeeld:

“(…) Uw voorwaarde – namelijk de ondertekening voor akkoord van uw brief van 13 juni jl. – is voor ons niet acceptabel.

Wij ontvingen uw brief van 13 juni jl. ter kennisneming en aanvaarden de inhoud daarvan niet. (…)

Voorts schrijft u in voormelde brief dat de informatie die uit ons onderzoek voortvloeit niet aan derde partijen ter hand mag worden gesteld of anderszins openbaar gemaakt. Dit is een onmogelijke eis nu de moedervennootschap van cliënte een in Oostenrijk ter beurze genoteerde onderneming is. Cliënte is uiteraard volledig vrij de resultaten van in haar in eigen opdracht uitgevoerd onderzoek publiek te maken indien zulks naar haar oordeel noodzakelijk is. Cliënte zal I N.V. uiteraard niet vrijwaren en/of schadeloos stellen indien derden I aansprakelijk mochten houden. Dit geldt ook voor G.

(…).”

Bij brief van 19 juni 2000 heeft een kantoorgenoot van betrokkene G, voorzover hier relevant, het volgende meegedeeld:

“(…) In verband met ziekte van de heer A neem ik thans de zaken waar met betrekking tot Rosenbauer B.V.. Ik heb kennis genomen van uw verzoek tot gedeeltelijke inzage van de controledossiers en van de correspondentie die daarover is gevoerd waaronder uw faxbrief van 16 juni 2000.

Ik constateer dat u de inhoud van onze conceptbrief van 13 juni 2000 niet aanvaardt. Hierbij geldt dit concept als ingetrokken.

(…).”

5.3.4 Het College stelt voorop dat in onderhavige tuchtprocedure uitsluitend het handelen (dan wel nalaten) van betrokkene ter discussie staat. In dit verband stelt het College vast dat de verantwoordelijkheid van betrokkene terzake in ieder geval niet verder strekt dan 19 juni 2000, aangezien een kantoorgenoot van betrokkene op die datum G heeft bericht de zaken met betrekking tot Rosenbauer B.V. vanwege ziekte van betrokkene waar te nemen. Betrokkene heeft voorts onbetwist gesteld dat hij aansluitend met pensioen is gegaan. Ook het College is van enige betrokkenheid van betrokkene terzake na evenbedoelde datum niet gebleken. In dit verband acht het College tevens van belang dat gesteld noch gebleken is dat zich hierdoor een lacune voordoet in de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden, waardoor betrokkene, niettegenstaande zijn ziekte en pensionering, als uitvoerder van de destijds aan hem verleende opdracht tot het controleren van de in geschil zijnde jaarrekeningen na meergenoemde datum terzake verantwoordelijk zou moeten worden gehouden.

Betrokkene heeft in zijn reactie van 1 mei 2006 op de brief van appellante van 18 april 2006 doen aanvoeren dat appellante daarin ten onrechte heeft gesteld dat het in de hold harmless letter zou gaan om een onbeperkte vrijwaring. De vrijwaring was gekoppeld aan eventuele overtreding door G van het verbod tot openbaarmaking, aldus betrokkene. Volgens hem valt niet in te zien waarom de onderhavige beperkte vrijwaringsbepaling voor G bezwaarlijk zou zijn, omdat G gebonden is aan haar geheimhoudingsplicht en dus informatie uit het controledossier niet openbaar mag maken. Ter zitting van het College van 10 november 2006 heeft betrokkene de beperkte strekking van de hold harmless letter onderstreept en hier aan toegevoegd dat G de controlegegevens wel mocht inzien, maar dat G zich ten onrechte niet heeft afgevraagd wat betrokkene met de hold harmless letter bedoelde en heeft nagelaten zonodig met het oog op gewenste verduidelijking daarover verder te corresponderen, maar de correspondentie daarover heeft afgebroken.

Het College stelt vast dat uit het dossier niet valt af te leiden dat G een verdere vraag naar de strekking van de hold harmless letter, schriftelijk of mondeling, aan betrokkene heeft gesteld. Appellante heeft ter zitting van het College van 10 november 2006 verklaard dat naar aanleiding van de hold harmless letter telefoongesprekken zijn gevoerd tussen G en betrokkene, maar zij heeft, desgevraagd, verklaard niet te weten of G gevraagd heeft naar de strekking van de hold harmless letter. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een tuchtrechtelijke procedure waarin appellante stelt dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, moet worden geoordeeld dat, hoewel dat op de weg van appellante heeft gelegen, zij geen bewijs heeft geleverd dat de stellingen van betrokkene over de feitelijke gang van zaken op dit punt onjuist zijn. Derhalve houdt het College ervoor dat G zelf de correspondentie met betrokkene omtrent de inzage van de controlegegevens heeft afgebroken met de brief van 16 juni 2000.

Het College is van oordeel dat, in aanmerking nemende dat G inzage in de controlegegevens wilde, het ook op de weg van G had gelegen om, voordat zij aldus afwijzend op de hold harmless letter zou reageren, bij betrokkene navraag te doen wat hij precies met die hold harmless letter bedoelde opdat G deze gegevens alsnog kon inzien. Aangezien, zoals hiervoor is overwogen, van zodanige navraag niet is gebleken, moet worden geoordeeld dat bij deze stand van zaken geen grond bestaat voor het oordeel dat betrokkene artikel 32 GBR-1994 heeft overtreden en aldus een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Hetgeen appellante verder in haar derde grief naar voren heeft gebracht leidt het College evenmin tot het oordeel dat de raad van tucht klachtonderdeel B ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

5.3.5 Hieruit volgt dat de raad van tucht ook klachtonderdeel B terecht ongegrond heeft verklaard. De derde grief faalt derhalve.

5.4 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op titel II van de Wet RA en de artikelen 5, 11, 17 en 32 GBR-1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.H. van Kreveld in tegenwoordigheid van

mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp