Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ7222

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/810
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Inschrijving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 05/810 9 januari 2007

22030 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Inschrijving

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. Assurantiekantoor B, te X, appellant,

tegen

de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad, te ’s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: H.M. Ebbink en mr. J.B.A. Hoijinck, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 26 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 9 maart 2005 tot doorhaling van appellants inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb), ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 november 2005, bij het College op die datum per telefax binnengekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006, waar appellant en gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wabb, zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

1. Het is verboden als tussenpersoon op te treden zonder te zijn ingeschreven in het register van tussenpersonen dat door de Raad wordt gehouden.

(...)

Artikel 4

1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

a. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling A te stellen vakbekwaamheidseisen, of

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

(…)

4. Indien de aanvrager niet zelf de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van zijn assurantiebemiddelingsbedrijf zal uitoefenen, gelden te zijnen aanzien de vereisten van het tweede en derde lid. Als voorwaarde voor zijn inschrijving geldt voorts dat de natuurlijke personen die blijkens de opgave van de aanvrager met bedoelde feitelijke leiding zullen zijn belast, voldoen aan de vereisten van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid. Deze personen zullen niet tevens belast mogen zijn met de feitelijke leiding over het assurantiebemiddelingsbedrijf van een andere tussenpersoon, tenzij dit bedrijf deel uitmaakt van dezelfde groep waartoe ook het bedrijf van de aanvrager behoort.

(…)

8. In de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt, onverminderd het bepaalde in het negende lid, bepaald op welke wijze van het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen kan blijken. Voorts is de Raad bevoegd te verklaren dat de aanvrager voldoet aan deze eisen. De Raad stelt regels krachtens welke de afgifte van zodanige verklaring zal plaatsvinden en stelt het bedrag vast, dat verschuldigd is voor het verkrijgen van deze verklaring.

Artikel 8

1. (...)

2. In het register wordt voorts doorgehaald de inschrijving van de tussenpersoon die:

a. (…)

b. de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van het assurantiebemiddelingsbedrijf laat uitoefenen door natuurlijke personen die niet voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 4, vierde lid, tweede en laatste volzin;

c. (…)

d. naar het oordeel van de Raad ernstig in gebreke blijft aan de in artikel 28, eerste, tweede en derde lid, bedoelde verplichtingen te voldoen.

Artikel 28

1. Iedere verzekeraar en tussenpersoon verstrekt aan de Raad binnen de door deze laatste te bepalen termijn de inlichtingen die deze voor de vervulling van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde taak mocht verlangen.

2. Verzekeraars en tussenpersonen zijn verplicht op eerste verzoek van de Raad of van personen, door deze daartoe gemachtigd, inzage te verstrekken van alle tot hun administratie behorende zakelijke gegevens en bescheiden waarvan de Raad de inzage wenselijk oordeelt voor de controle op de juiste naleving van de bepalingen van deze wet.

3. Indien de zakelijke gegevens en bescheiden van een verzekeraar of tussenpersoon zich buiten Nederland bevinden, geschiedt de inzage volgens nader door Onze Ministers te stellen regels.

(…).”

2.2 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

(...)

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

(…)”

2.3 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Sinds het terugtreden van C, die blijkens opgave van appellant met de feitelijke leiding van het assurantiebemiddelingsbedrijf van appellant was belast, wordt in de onderneming van appellant niet meer aan de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 4, eerste en vierde lid, van de Wabb voldaan.

- De aanvraag van appellant tot afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb is door verweerder afgewezen bij besluit van 14 juni 2002.

- In reactie op het bezwaarschrift van appellant hiertegen van 18 juli 2002 heeft verweerder zich bij brief van 2 augustus 2002 bereid getoond de afgifte van de gevraagde verklaring afhankelijk te stellen van het met gunstig gevolg deelnemen aan de vakproef, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 2000 (Staatscourant 2001, 4).

- Appellant heeft zich bij brieven van 13 augustus 2002 en 14 oktober 2002 op het standpunt gesteld dat deelname aan de vakproef niet van hem kan worden gevergd waarop verweerder het bezwaar bij besluit van 24 januari 2003 ongegrond heeft verklaard.

- Het beroep van appellant van 6 maart 2003 tegen dit besluit is door het College bij uitspraak van 18 mei 2004 (AWB 03/293) ongegrond verklaard.

- Bij brieven van 20 juli 2004, 5 november 2004 en 29 december 2004 heeft verweerder appellant verzocht opgave te verstrekken van de personele bezetting van de feitelijke leiding in de onderneming van appellant. Die opgave is niet door appellant verstrekt.

- Bij besluit van 9 maart 2005 heeft verweerder beslist tot doorhaling van de inschrijving van appellant in het register van tussenpersonen als bedoeld in artikel 3 van de Wabb.

- Bij brief van 18 april 2005 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 14 september 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden van de Commissie Bezwaarschriften waar appellant is verschenen. De Commissie Bezwaarschriften heeft op 16 september 2005 advies uitgebracht aan verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder op 26 september 2005, overeenkomstig het advies van de Commissie Bezwaarschriften, het bestreden besluit genomen.

- Appellant heeft op 14 oktober 2005 alsnog de hiervoor bedoelde vakproef afgelegd.

- Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft verweerder afwijzend beslist op het ter zitting van de Commissie Bezwaarschriften door appellant gedane verzoek om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wabb, vanwege het niet met gunstig gevolg afleggen van de vakproef.

- Tegen deze beslissing heeft appellant geen bezwaar aangetekend bij verweerder.

3. Het bestreden besluit

Bij zijn besluit van 9 maart 2005 heeft verweerder beslist tot doorhaling van de inschrijving van appellant op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onder b, en onder d, van de Wabb. Verweerder heeft blijkens dat besluit daartoe overwogen dat appellant niet de gevraagde gegevens omtrent de personele bezetting van de feitelijke leiding heeft overgelegd en dat de inschrijving van de onderneming van appellant niet meer voldoet aan de in artikel 4, vierde lid, van de Wabb genoemde vereisten. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overname van de overwegingen van de commissie bezwaarschriften, dit besluit gehandhaafd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, voor zover voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang, aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarnaast heeft hij in zijn beroepschrift en ter zitting diverse feiten en omstandigheden gesteld die zijns inziens ertoe leiden dat hem zonder meer - dus: zonder dat hij met gunstig gevolg de vakproef dient af te leggen - een verklaring vakbekwaamheid moet worden verstrekt.

5. De beoordeling

5.1 Het College stelt vast dat het bestreden besluit alleen ziet op de doorhaling van de inschrijving van appellant in het register van tussenpersonen. Tegen verweerders besluit van 19 oktober 2005 dat appellant, vanwege het niet met gunstig gevolg afleggen van de vakproef, geen verklaring van vakbekwaamheid wordt verleend, heeft appellant geen bezwaarschrift ingediend, zodat dat besluit in het onderhavige beroep dan ook niet beoordeeld kan worden. Op hetgeen appellant heeft aangevoerd tegen de afwijzing van zijn verzoek hem zonder meer een verklaring van vakbekwaamheid te verstrekken is reeds onherroepelijk beslist bij de hiervoor vermelde uitspraak van het College. De in dit verband door appellant aangevoerde argumenten kunnen in deze procedure derhalve niet meer aan de orde komen.

5.2 Het College deelt niet het standpunt van appellant dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft zich terecht beperkt tot heroverweging van het besluit tot doorhaling van de inschrijving. Voor zover appellant bedoelt dat verweerder, door voor de motivering van zijn besluit te verwijzen naar de overwegingen van de commissie bezwaarschriften, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb, overweegt het College het volgende. Ingevolge artikel 3:49 van de Awb kan ter motivering van een besluit met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies worden volstaan, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de beoordeling van de commissie bezwaarschriften tot de zijne gemaakt. Verweerder heeft appellant gelijktijdig met toezending van het bestreden besluit een afschrift van het advies van de commissie bezwaarschriften toegezonden zodat is voldaan aan de eisen die artikel 3:49 van de Awb stelt.

5.3 Het College stelt vast dat verweerder zowel tijdens de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften als ter zitting heeft verklaard dat, nu appellant bij het bezwaarschrift de gevraagde informatie alsnog heeft verstrekt, hem het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onder d, van de Wabb niet meer wordt tegengeworpen. De grondslag voor doorhaling van de inschrijving is derhalve beperkt tot het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onder b, van de Wabb. Op grond van dit artikel is verweerder gehouden de inschrijving van de tussenpersoon door te halen indien degene die de feitelijke leiding heeft niet voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 4, vierde lid, tweede en laatste volzin. Vaststaat dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet aan deze vereisten voldeed. Verweerder heeft derhalve terecht besloten tot doorhaling van de inschrijving. Het beroep is ongegrond.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. M.A. Voskamp