Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ7206

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/187 11 januari 2007

5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen

behandelde dieren en producten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2001 heeft verweerder appellant de kosten in rekening gebracht van de door of namens de AID gehouden onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van richtlijn 96/23/EG met betrekking tot dieren op het bedrijf C BV.

Bij besluit van 2 februari 2005 heeft verweerder, beslissende op het daartegen door appellant ingediende bezwaar, het factuurbedrag herzien en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 maart 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 april 2005 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 31 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft verweerder de beslissing op bezwaar de dato 26 maart 2001 zoals aangevuld bij brieven van 6 augustus 2003 en 8 augustus 2003, opnieuw op de bezwaren beslist, waarbij het op appellant te verhalen bedrag is verlaagd en de bezwaren voor het overige ongegrond zijn verklaard. Bij brief van 22 november 2006 is een in dat besluit gemaakte vergissing hersteld.

Op 30 november 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht. Appellant is tevens in persoon ter zitting verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen 85/358/EEG en 86/496/EEG en de beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (Pb. 1996, L125, blz. 10, hierna: richtlijn) worden kosten, die zijn gemaakt in het kader van onderzoek naar de aanwezigheid van verboden stoffen en residuen in levende dieren en producten daarvan, onder nader omschreven voorwaarden en beperkingen, in rekening worden gebracht bij de eigenaar of de houder van de dieren, dan wel aan een onder toezicht geplaatst bedrijf. De bedoelde bepalingen van de richtlijn waren ten tijde van belang ten dele geïmplementeerd in artikel 6 van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en produkten, (hierna: regeling). Op grond van de regeling, zoals deze destijds luidde, was kostenverhaal mogelijk op de eigenaar of houder van de bemonsterde dieren.

2.2 Bij besluit van 25 april 2000 is het bedrijf van appellant ingevolge artikel 4 van de regeling onder toezicht geplaatst in verband met de vaststelling van de aanwezigheid van de verboden stof 16ß-hydroxystanozolol in de op het bedrijf aanwezige dieren. Het bestreden besluit, zoals nadien door verweerder gewijzigd, heeft betrekking op de kosten voor

18 urinemonsters, die daags na de ondertoezichtplaatsing op het genoemde bedrijf door ambtenaren van de AID zijn genomen. Deze kosten zijn aan appellant in rekening gebracht.

2.3 Appellant heeft deze beslissing bestreden met, voor zover van belang, het argument dat het bedrijf waar de betreffende runderen zijn aangetroffen, noch de runderen zijn eigendom zijn zodat hij niet terzake van de kosten van het onderzoek aansprakelijk is aangezien hij niet als eigenaar of houder van deze runderen kan worden aangemerkt. Bij het onderzoek ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat hij in loondienst is van C BV en zich feitelijk voornamelijk bezig houdt met handel in varkens. De feitelijke verzorging van de dieren van C BV geschiedt door een andere werknemer van deze vennootschap. Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat appellant de fysieke ondernemer is van C BV zodat eveneens vast staat dat appellant houder was van de dieren van dat bedrijf. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant directeur is van D Beheer B.V. en dat deze vennootschap aandeelhouder en bestuurder is van C BV.

2.4 Het College is van oordeel dat niet aannemelijk is dat appellant houder is van de betreffende runderen. Eigenaar van deze dieren is C BV. Deze vennootschap is bovendien houder aangezien de dieren op haar bedrijfslocatie verblijven en door haar worden verzorgd. Hieraan doet uiteraard niet af dat C BV hierbij gebruik maakt van werknemers, aangezien het inherent is aan de aard van een vennootschap dat zij voor feitelijke handelijngen natuurlijke personen inzet, nog daargelaten dat uit de onweersproken stellingen van appellant blijkt dat hij bij deze verzorging in ieder geval niet regelmatig door de vennootschap wordt ingezet. Reeds hierom zijn, gelet op het bepaalde bij de Richtlijn en de Regeling de kosten voor de monsternemingen op de dieren van C BV ten onrechte aan appellant in rekening gebracht.

2.5 Het beroep is zonder dat behoeft te worden beslist op hetgeen overigens door appellant is aangevoerd daarom gegrond, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

2.6 Het College vindt in het vorenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met toepassing van een wegingsfactor 1).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant, welke kosten worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro) onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat het door appellant betaalde griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderdachtendertig euro) aan hem

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Bruining